Wie schrijft die blijft (8)

Vergeten dichter Leo Herberghs

Elke schrede door het Limburgse schoon is voor Leo Herberghs een nieuwe dichtregel. Hij liep 23 bundels bij elkaar. «Ik schrijf goede gedichten.» Deel acht in de serie over vergeten dichters.

Steen

Wanneer het regent worden stenen spraakzaam,

zij liggen in een losse houding neder

en zoeken naar hun lang verloren glimlach.

Zo zag ik deze steen daar plotseling liggen,

die op een stem van buiten scheen te wachten;

ik sprak hem aan met woorden en gebaren.

Hij beefde haast, toen ik mij tot hem bukte

en liet zich koesteren in mijn holle handen;

hij glansde van genoegen voor mijn ogen.

Ik heb hem tussen bloemen weggelegd.

Leo Herberghs

uit: Met aarden vingers (1955)

In de deuropening wuift zijn vrouw ons na. De zon klimt boven de chique Heerlense wijk. «Hier in de buurt wordt vaak beweerd dat ik maar wat aanklooi», zegt Leo Herberghs (76). «Ze zien mij ’s morgens nooit naar het werk gaan.» Slechts enkele fijne geesten weten dat hij een dichter is en dat zijn dagelijkse wandeling een hoger doel dient. «Ik verricht arbeid met elke stap die ik zet.» Niet dat deze arbeid hem ooit een duit opleverde. De poëzie dwong hem juist zelf met geld over de brug te komen. Het gros van het 23 bundels tellende oeuvre gaf hij in eigen beheer uit, wat hem tienduizenden guldens kostte. «Ik wil iets nalaten», zegt hij onder een viaduct. Zo om de drie jaar acht hij de tijd rijp voor een nieuwe bundeling. «Mijn oeuvre dijt uit zolang ik nieuwe paden in het landschap ontdek.» De eerste heuvels glooien. We steken het erf van een biologisch-dynamische boer over. Een wandelpad kronkelt voor ons uit.

Met tbc onder de leden werd Herberghs in de oorlog overgebracht naar een sanatorium in het Limburgse Horn. Zeven jaren van zijn jonge leven bracht hij er door. Herberghs: «Ik lag er maar te liggen op mijn rug.» Hij had slechts zijn boeken. «Ik kon mij de werkelijkheid alleen nog maar geschreven voorstellen. Alles wat ik zag toverde zich direct in woorden om.» De bedden stonden in de open lucht. «We lagen wel onder een afdak, maar ’s winters woei de sneeuw er gemakkelijk onder door. Naast mij stierven mensen, waar dan een scherm omheen werd gezet.» Als dichter was Herberghs op dat moment reeds ontloken. Verzen schreef hij al vanaf zijn twaalfde. «Op school was ik de enige die oplette als een gedicht voorgelezen werd. Bij boekhandel Winants ging ik ook dikwijls bundels bekijken.» In 1939 waren in het jaarboek van zijn bisschoppelijk Sint Jozef College te Sittard enkele klassieke verzen van zijn hand afgedrukt. Eenvoudige, god en kerk verheerlijkende rijmelarij. In het sanatorium was het daarmee spoedig afgelopen. Een inktzwarte poëtica voer in hem. Herberghs: «Door de afzondering en de eenzaamheid brokkelde de werkelijke wereld af. Een zelfbedachte onwer ke lijkheid kwam ervoor in de plaats.» In die «onwerkelijkheid», waarin het onheilspellend riekte naar dood en eenzaamheid, raakte Herberghs voorgoed opgesloten.

Het pad stijgt venijnig. Links en rechts bedelven koeienvlaaien het malse gras. Dikke vliegen verkiezen tijdelijk onze bezwete voorhoofden. «Het Limburgse landschap bezit geen grote watervallen», zegt Herberghs als we halt houden om de pracht op ons in te laten werken. «Er zijn geen diepe zeeën, geen meren of hoge bergen. En toch is het van een wonderbaarlijke schoonheid. Het is niet groots maar toch is het iets.»

In het sanatorium werden ook de latere auteur Hans Berghuis en de welgestelde literatuurliefhebber Otto van Loo verpleegd. Onder de blinkende sterrenhemel las Herberghs hun flarden van zijn verzen voor: «Verkoren schepelingen dromen op de boten,/ Veel suizelende stemmen wenken over zee.» Berghuis en Van Loo raadden de jonge poëet aan z’n werk bij boekhandel Winants te doen bezorgen. Winants was op dat moment in handen van de literator Paul Haimon, die zelf ook poëzie-uitgaven verzorgde. Haimon was verguld met de inhoud van het postpakket. In 1946 deed hij in een oplage van 250 de bundel Refugium verschijnen.

Herberghs: «Ik lag nog in het sanatorium toen de bundel uitkwam. Ik dacht dat ik na mijn ziekbed als een held onthaald zou worden.» Concurrentie was er nauwelijks. «Je had wat oudgedienden als Jacques Schreurs, Paul Haimon, Loe Maas, Vic Reinders en Pierre Kemp.» Maar eenmaal terug in Heerlen zag geen mens hem staan. Van Refugium waren slechts acht exemplaren verkocht. Tot overmaat van ramp kwam boekhandel Winants in steeds onguurder daglicht te staan. Haimon bleek onderdak te verlenen aan de gevluchte Vlaamse auteur Wies Moens, die in eigen land vanwege zijn inspanningen voor een pro-Duitse zender ter dood was veroordeeld. Herberghs zou Moens nog vaak ontmoeten.

«Zelden heb ik iemand gehoord die zo kon redevoeren. Hij was een groot kenner van de poëzie. Over kranten deed hij altijd minachtend. Alle actuele zaken, weg ermee.» Haimon zou pas door een volgende literaire generatie - met kopstukken als Wiel Kusters en Frans Budé - aangesproken worden op zijn ontferming over de nationaal-socialist en de Dietse verheerlijkingen in zijn eigen werk. Herberghs: «Door de matige verkoop van mijn debuut dacht ik Haimon iets verschuldigd te zijn. Ik ging hem zoveel mogelijk uit de weg, maar hem openlijk afvallen durfde ik niet.»

Het pad door het weiland eindigt bij een knarsend draaihek. «Voor mij is wandelen niets anders dan het schrijven van een gedicht», zegt Herberghs. Grazende koeien staren hem aan. «Ik wandel van grond naar grond, van dichtregel naar dichtregel. Dat daar verderop is weer een nieuwe strofe.»

Het was de vermogende Otto van Loo die de poëtische carrière van Herberghs vlot trok. In De Zilveren Scherf, een door hemzelf gefinancierde reeks, bracht Van Loo Herberghs’ bundel Monologus sub astris uit. Herberghs: «Daar ben ik naderhand hevig op aangevallen, omdat het Monologus sub astra had moeten zijn.» Desondanks wist Herberghs zich met zijn tweede bundel toegang te verschaffen tot de talloze literaire avondjes die Van Loo organiseerde. Behalve dat hij er Haimon en Moens tegen het lijf bleef lopen, ontmoette hij er dichters als Frans Babylon, Hans Berghuis en Jan Hanlo. Met name met de excentrieke Hanlo had Herberghs een hoop te stellen.

Herberghs: «Jan belde steevast op kerstavond. Dan vonden mijn vrouw en ik het prima dat hij kwam. Uren kon hij voor ons kolenvuur zitten. Hij keek ernaar alsof het televisie was. Met Van Loo ben ik nog een keer vergeefs bij hem langs geweest in Valkenburg. Jan wilde niet naar beneden komen omdat hij een aanval van godsdienstwaanzin had. Mij schold hij dikwijls uit omdat ik een gezegend man was die een mooie vrouw gevonden had. Het is een ontzettend jammerlijke jongen geweest. En dan op zijn grafsteen nog dat jaartal verkeerd.»

Met Frans Babylon, die zichzelf in 1968 in de Noordzee zou verdrinken, had Herberghs prettiger omgang. «Frans was een genietbare bohémien. Zomers ging hij druiven plukken in Frankrijk. Hij woonde in Eindhoven maar kwam ons vaak opzoeken. Wij hebben samen veel in het katholieke tijdschrift Roeping gepubliceerd. Die zelfmoord zagen wij op geen enkele manier aankomen. Ik weet nog dat op zijn begrafenis dichtbundels het graf in werden gegooid.»

Het pad glibbert steil de heuvel op. Aan houten paaltjes en daartussen gespannen gaas houdt Herberghs zich in evenwicht. Het pad groeit langzaam dichter met brandnetels. «Dit pad is compleet veranderd sinds ik er de laatste keer liep», zegt hij over zijn schouder. Een omgevallen boom dwingt ons tot een omweg door het bos. Weer terug bij het hek gaat het beter. Op het hoogste punt hijgt hij uit. Rondom ons strekt Limburg zich uit. Het Limburg waar hij veertig jaren achtereen ontelbare paden afliep en de natuur zich in woorden aan hem opdrong. De regel «Ik loop alle landschappen binnen/ waarin ik eenmaal gewoond heb» uit de bundel Wonen op aarde (1962) is zojuist werkelijkheid geworden. Vanaf deze heuvel kijk je uit op zijn complete oeuvre. Strofen als: «de lucht klimt als een paard/ zon vreet zijn staart op/ bomen kwispelen» en: «de struiken slikken/ hun donker hart in» dringen zich met het uitzicht op. Her berghs heeft zijn gebied nog altijd niet volledig in kaart gebracht. «Telkens ontdek ik nieuwe paden.»

De gulle Van Loo trok in 1951 nogmaals de beurs. Ditmaal om de bloemlezing Zes minnaars mogelijk te maken, waarin behalve Her berghs Hanlo, Haimon, Berghuis, Maas en Babylon gebundeld werden. Ad den Besten van Uitgeversmaatschappij Holland kreeg de bloemlezing in handen en raakte in het werk van Herberghs geïnteresseerd. Herberghs kreeg de uitnodiging eens naar Amsterdam te komen. Zijn hart bonkte toen hij met de trein de grote rivieren over ging. Herberghs: «Het was op een vrijdag ergens in 1954. Als geschenk, dacht ik, koop ik een blik vis voor hem. ‹Welja›, zei Ad toen hij opendeed, ‹jij bent katholiek, je mag op vrijdag natuurlijk alleen maar vis eten.› Terwijl ik alleen maar aan die maaltijd had willen bijdragen.» Toen bleek dat Den Besten net zo verzot was op Hölder lin als Herberghs was het ijs definitief gebroken. Tot diep in de nacht schaafden de twee aan het dikke pak poëzie dat Herberghs meegenomen had. Nog geen jaar later verscheen in de Windroos-reeks Met aarden vingers. Uit het derde gedicht van de cyclus Nacht en najaar bleek dat de dichter de werkelijkheid steeds verder de rug aan het toekeren was en zijn onwerkelijkheid in het landschap begon te zoeken: «(…) daarom vlucht ik en nestel mij onder bomen». Na een kleine uitgave in eigen beheer kreeg Herberghs Den Besten in 1968 zo ver Lessen in landschap uit te geven. Een gematigd positieve Kees Fens schreef in De Tijd dat «door antropomorfisering» Herberghs erin geslaagd was «eigen bezielde landschappen op te roepen».

We passeren een wei waarin een paard onrustig draaft. «In mijn vroege werk beschouwde ik paarden nog als voormenselijke godendieren», zegt Herberghs. Inderdaad dichtte hij in Lessen in landschap nog: «de paarden komen onhoorbaar/ onder de bomen/ of god hen heeft aangeraakt». Maar in de bundels Huisboek voor de landman (1972) en De heerlijkheid en de windlust (1976) demystificeert Herberghs de paarden genadeloos: «uit het warrige paard/ groeien kromgetrokken/ vleugels». De hengst hinnikt om aandacht. «Het paste in een algeheel demystificatieproces», gaat Herberghs onverstoorbaar voort. «Ik ging vanaf die bundels alle symboliek te lijf. Een paard heeft niets met Pegasus uit te staan. Een paard is niets anders dan een paard.»

Met Lessen in landschap had Herberghs zich landelijk gemanifesteerd. Dat betekende dat er optredens verzorgd moesten worden. «Samen met Gerrit Kouwenaar heb ik een keer voorgedragen in Hilversum. Op weg naar de studio werd ik door een hond gruwelijk in mijn been gebeten.» Omdat hij zich al te ongemakkelijk voelde op voorleesavonden besloot hij ze geheel te mijden. Toch kan dat niet de enige reden zijn geweest dat hij na De heerlijkheid en de windlust zijn bundels niet meer bij een grote uitgeverij ondergebracht kreeg. Herberghs denkt dat het onplaatsbare karakter van zijn werk er eveneens debet aan is geweest. «Ik vroeg laatst aan Wiel Kusters, die ervoor gestudeerd heeft, of hij wist wat voor soort poëzie ik schreef. ‹Je neigt naar het mystieke›, was het enige wat hij ervan zeggen kon.» Vanwege de bucolische aanblik die zijn werk bood, schoven vernieuwingsgezinde bewegingen hem bij voorbaat al terzijde. «Je viel bij zo’n beweging van Vijftig ook pas op als je zoals Hanlo iets mallotigs over je had. Ze traden hier wel eens op. In Landgraaf op het poëziefestival zie ik sommigen nog wel eens. Ze kruipen altijd direct bij elkaar.» Randste de lij ke arrogantie, meent Herberghs. «Nooit moeten ze wat van Limburg weten. Behalve toen Hanlo doodging. Schippers en Bernlef van Barbarber zaten meteen achter de rechten aan toen hij dood was. Terwijl onze Limburg se uitgever Ser Prop bij leven alles voor Jan betekend heeft. Ser werd zo opzij geschoven.»

Op een terras neemt Herberghs zijn aantekeningen door. «Ik kan niet wachten tot ik weer mag», zegt hij. Op aanraden van zijn lector heeft Herberghs het een tijdje kalm aan gedaan. In februari van dit jaar nog bracht hij de bundels Daarmee wordt gezwegen en De afdaling van de regen uit. Hij beseft wat een luxe het is dat hij zijn verzen telkens uit kan brengen. «Als we kinderen gehad hadden, zou het wellicht ook anders gelopen zijn.» Hij is zijn vrouw eeuwig dankbaar dat hij zijn poëtische schemerwereld nooit heeft hoeven verlaten. «Zonder haar vermogen zou ik gedwongen zijn een normaal leven te leiden, met baan en al.»

Met de jaren zonk Herberghs dieper weg in de anonimiteit. Eenmaal van symboliek ontdaan werd het in zijn schemerwereld, getuige de bundels Heilig weer (1978) en Gerucht (1981), almaar leger. Het kwam zelfs zo ver dat hij zich met rotsen en stenen ging vereenzelvigen: «dat/ ik wegrol en/ lichter word». Zijn streekgenoten bleven ondertussen pogen hem bij een landelijk uitgevershuis te parkeren. Wiel Kusters en Hans van de Waarsen burg kregen zo nu en dan een lovende recensie in een landelijke krant geplaatst. Ben van Melick, zijn lector, liep redacties van literaire tijdschriften en uitgeverijen plat. «Het mocht alles niet baten», zegt Herberghs. Toen Maatstaf begin jaren negentig een Limburg-nummer uitbracht met daarin ook verzen van zijn hand, leek het er toch van te komen. «Een van de redacteuren zei dat De Arbeiderspers wel een bundel van mij wilde uitgeven. Maar Ronald Dietz zei dat hij met die redacteur niets te maken had en dat het feest niet doorging.»

Thuis heeft zijn vrouw een lunch bereid. «Ik schrijf goede gedichten, daar ligt het niet aan», zegt Herberghs als hij zijn bord vol lekkernijen schept. «Ik geloof dat het meer een kwestie is van op het juiste moment de juiste relaties aanknopen.» Zijn vrouw schenkt koffie bij en knikt bevestigend.