Wie schrijft die blijft (slot)

Vergeten dichter Tony Rombouts

In de jaren zeventig zwol in Antwerpen een neoromantische beweging in de Vlaamse poëzie aan, met de Pink Poets als hoogtepunt. Spilfiguur was dichter Tony Rombouts, die op zijn oude degelpers barokke verzenbundels drukte. De laatste aflevering in de reeks Vergeten dichters.

zachte vulkaan

wintermorgen witte nacht

de duisternis mij ingegeven

een ijsvogel net donzen dauw

kanten katedraal

toch sidderaalt mijn dier

zijn weke lavalanden lepra

granieten lenden nimfomaan

haar ebbenhuid zo donker teder

verborgen stanalingana

zilverdraad met trage meridianen

Tony Rombouts

Uit: De feodale verzen (1972)

Met Tony Rombouts (60) afgesproken bij Hulstkamp, een etablissement aan de Antwerpse De Keyserlei. Paul van Ostaijen dronk hier op ditzelfde terras zijn «bolleckes», nog ruim voordat hij op het eind van de Eerste Wereldoorlog uit vrees voor anti-flamingantische represailles naar Berlijn vluchtte. Zijn debuutbundel Music Hall, die hij later zou omschrijven als «onbeholpen dandyeske bekentenispoëzie», was pas uitgebracht. Van Ostaijen moet er in die dagen, aldus de literator Maurice Gilliams, bijgelopen hebben als «een Orpheus in Biedermeierkostuum». Hoe dandyesk ook zijn uitdossing en hoe koket ook zijn verzen, Van Ostaijen deed wel een stedelijke subcultuur opgloeien, die kunstenaars van divers gezindte naar de Scheldestad lokte. Een nimmer gerealiseerd plan was zelfs om met hulp van zijn schilderende boezemvriend Floris Jespers een «bond zonder gezegeld papier» op te richten. Na terugkomst uit Berlijn in 1921 was alles veranderd. Zeven jaar later stierf de stevig aan cocaïne verknochte Van Ostaijen en kwam de kortstondig experimentele Vlaamse poëzie weer in de greep van brave Heimat-lyriek en katholieke rijmelarij.

Pas in de jaren zeventig zou zich te Antwerpen opnieuw een grootsteeds collectief aandienen dat de Vlaamse poëzie uit de sluimer stoten zou. Een van de dichtende gangmakers was Henri-Floris Jespers, kleinzoon van de schilderende Floris. Het was Tony Rombouts die de aanvankelijk in het Frans rijmelende Jespers tot schrijven in het Nederlands verlokte, waarop een succesvolle poëtische loopbaan zich ontvouwde. Eigenlijk had Jespers ook op het terras moeten zitten, vindt Rombouts. Evenals collega-dichter Werner Spillemaeckers. Want zij drieën zijn de enige nog levende getuigen van die krankjorume maar o zo inspirerende Antwerpse jaren. Maar Jespers, die erna geen gedicht meer publiceerde, heeft nooit willen spreken over de periode waarin hij zijn finest hours beleefde. En Spillemaeckers, die de afgelopen twintig jaar alleen nog in eigen beheer de bundel Tien Brabantse teksten publiceerde, weigerde eveneens. Het moet er volgens Rombouts mee te maken hebben dat Nic van Bruggen, Patrick Conrad, Paul Snoek en Hugues C. Pernath wél vermaard uit die jaren te voorschijn zijn gekomen, terwijl hun vergetelheid ten deel viel.

Rombouts gaat nog net zo gekleed als in die mythische jaren zeventig: hoedje, maatpak, Italiaanse schoenen. Op zijn bovenlip prijkt een moustache. Alleen zijn paardenstaart is grijs geworden. «Dandy ben je voor het leven», zegt Rombouts. In het Antwerpen van heden rest niet eens een fractie van het bloeiende kunstenaarsklimaat van weleer, toch signaleerde Rombouts onlangs een uit het vervlogen tijdperk overgeflitste poëet. Rombouts: «Bert Bevers, een Hollander die hier pas is komen wonen. Hij heeft een blaadje opgericht, De houten gong, waarvoor hij mij nog interviewde. Bevers loopt ook met vlinderdasje en driedelig pak rond, zelfs bij heel warm weer. Hij heeft het allemaal niet meegemaakt maar hij is er erg in geïnteresseerd.»

Er hing iets in de Antwerpse lucht, die dagen. In de rest van Vlaanderen was, net als in Nederland, het nieuw realisme in zwang, rond bladen als Yang en het later door de noorderburen geannexeerde Gard Sivik. Anders dan in Nederland kwam een aantal Vlaamse dichters er heel direct tegen in verzet, onder meer door middel van de bloemlezing Pijn en puin verdwenen (1966), die werd samengesteld door de ook in Vlaanderen vergeten Werner Cranshoff. De nieuw realisten plaatsten al te zeer «de werkelijkheidservaring rechtstreeks in hun gedichten», vonden deze literaire opstandelingen die een «estheticering» van de poëzie voorstonden. Daartoe moest liever weer eens daadwerkelijk aan de werkelijkheid deelgenomen worden, met voorgezet «een filter van persoonlijke betekenistoekenning», aldus Cranshoff in de inleiding. Afgezien van een stoet vergetenen (Jan Diels, Bobb Bern, Rudy Witse, Mark Dangin, Marcel Obiak, Ben Klein en Hendrik Carette) duiken in deze bloemlezing de estheten van de jaren zeventig reeds op: Werner Spillemaeckers, Nic van Bruggen, Patrick Conrad en Tony Rombouts.

We lopen de De Keyserlei af. Bij een winkel — «Ici Paris» staat op de vermarmerde gevel — houden we stil. Uit het dagboek van een Pink Poet (1975) van Nic van Bruggen komt te voorschijn. De kleine revolutie die zich hier bijna dertig jaar geleden voltrok, staat er nauwkeurig beschreven: «Kortom, op woensdag 22 november 1972 te zestien uur en tien konsumeren (zoals daags tevoren afgesproken) Patrick Conrad en Nic van Bruggen met lange zilveren lepels in de vanouds bekende Patisserie Thys aan de Antwerpse De Keyserlei rose ijsroom. In een fin de siècle dekorum van hoge spiegels en zachte, zoetige fluwelen kleuren fluisteren zij met lankmoedige gestes over de schoonheid. ‹Schoonheid› zo vertrouwen zij elkaar glimlachend toe: ‹schoonheid is de mooiste droefheid›. Alsdan, ruim half vijf is het (hoewel nauwelijks merkbaar) geworden, besluiten zij tot de oprichting — terstond en ter plaatse — van Pink Poet. Hun spiegelbeelden, minzaam en verrukt zijn de elkaar langzaam en innig de hand drukkende getuigen.»

Conrad en Van Bruggen besluiten het genootschap, dat een Rotary-achtig karakter moet krijgen, uit te breiden tot dertien leden. Behalve dichters (Werner Spille maeckers, Paul Snoek, Henri-Floris Jespers, Michel Bartosik, Hugues C. Pernath) treden ook geestverwante kunstenaars en intellectuelen toe. Tevens worden er zogenoemde ereleden benoemd, onder wie Marnix Gijssen, Karel Jonckheere en Maurice Gilliams. Eens per maand komt het genootschap in beslotenheid bijeen, in de Vecu (Vereniging voor Europese Culturele Uitwisseling) in de Moriaanstraat. Voorzitter Staf Breugelmans is een welgestelde diamantair die het aristocratische gezelschap gratis drank laat schenken. Behalve de Vecu frequenteren de Pinks chique Antwerpse restaurants waar steevast copieus gedineerd wordt. Gevestigde literatoren slaan het spektakel met afkeuring gade. Zo schrijft Robin Hannelore in een brief aan Hubert Lampo «weinig respect» te kunnen «opbrengen voor de gewrochten van Patrick Conrad, Nic van Bruggen en andere zich Pink poets noemende schijnpoëten».

Als Pink Poet exact tien jaar na oprichting door Van Bruggen en Conrad ontbonden wordt, zijn diepe voren getrokken in het Vlaamse poëzielandschap. Een aantal Pinks, onder wie Conrad en Van Bruggen, hebben het mede dankzij de mediagenieke uitstraling van de beweging tot publicatie in Nederland weten te schoppen. Ook de voordien reeds gearriveerde Paul Snoek en Hugues C. Pernath weten het Pink Poet-decennium voor een landsgrenzen overschrijdende carrière-boost aan te wenden. Pink Poet legt dichters als Jespers, Spillemaeckers en Bartosik evenmin windeieren, al is het maar vanwege een verhoging van de naamsbekendheid. Hoewel het decadente vertoon in het begin, zoals gezegd, nogal wat antipathie opwekte, gold uiteindelijk toch dat indien je als Vlaamse dichter bij Pink Poets had gezeten, je bijna automatisch ge canoniseerd was. Dit meende ook letterkun dige Hugo Brems. «Het zou verkeerd zijn aan Pink Poet een poëtisch programma toe te schrijven, maar even verkeerd niet te zien dat de toonaangevende dichters ervan inderdaad door een gemeenschappelijke visie op poëzie en op de relatie tussen poëzie en leven samenhoren», aldus Brems in Opener dan dicht is toe (1991), een standaardwerk over Vlaamse poëzie.

Tony Rombouts publiceerde verspreid over de jaren zestig drie verzenbundels: Stella Magnola (1963), Het koudvuur der aarde (1966) en De vrouw van Waas (1967), die uiteindelijk bijeengebracht werden in De feodale verzen (1972). De in deze laatste bundel opgenomen barok-esthetische verzen sluiten naadloos aan bij de flamboyante Pink Poet-thematiek: «lagunen glijden delta-eerlijk/ naalden in haar flankenvlas/ de adeldijen adelglad/ in licht orkanen zuiverheid», klinkt het in bevroren vlakten. In de periode 1974-1977 zou Rombouts tal van mystieke bundels afleveren met titels als Dromende doler, Het labyrint en De afgerukte bloem, waaruit, al dan niet met hulp van acrostichons («satan is hier»), hel en verdoemenis opkringelt. In zijn jonge jaren had Rombouts aan diverse Antwerpse literaire bladen medewerking verleend en het eenmanstijdschrift Stuip opgericht. Begin jaren zeventig tikte Rombouts bovendien een prachtige gietijzeren drukpers op de kop — een Original F.M. Weiler’s Liberty National 2 degelpers met pedaalaandrijving — waarmee hij in de loop van de jaren zeventig, als uitgeverij Contramine, prachtige bibliofiele dichtbundels fabriceren zou. Waarom was het dat de Pink Poets hem niet aan boord hielpen?

Rombouts: «Vooral omdat ook Robert Lowet de Wotrenge zich in het genootschap bevond. Hij was geen dichter maar een industrieel met een onduidelijk bedrijf die van alles voor de Pinks betaalde.» Met het vergaarde kapitaal richtte Lowet uitgeverij Pink Editions & Productions op, die een aantal Pink Poet-uitgaven zou gaan verzorgen. «Als er een nieuw iemand bij het genootschap kwam, moest iedereen het daarmee eens zijn. Lowet zou altijd tegenstemmen, omdat hij niet wilde dat ik, vanwege mijn drukpers, erbij kwam.» Hoewel hij achteraf bezien een grotere, ook in Nederland bekende naam is misgelopen, zegt Rombouts dat toch nauwelijks te betreuren. «Ik werd in die tijd in één adem met ze genoemd.» Bovendien bedeelden de Pinks hem na een tijdje een geuzentitel toe: hij mocht zich «geheime Pink» noemen.

Er verstreek nogal wat tijd vooraleer Rombouts de pers fatsoenlijk draaiende had. Hij had het gevaarte overgenomen van Adriaan Peel, een Antwerpse dichter die eind jaren zestig dichtbundels uitbracht in de zogenoemde Lepel-reeks. Peel had het apparaat voor een appel en een ei bij een op de fles gegane Antwerpse drukkerij vandaan gehaald. «Adriaan kon er niet mee overweg. Hij heeft hem nooit echt gebruikt.» Rombouts mocht de gedemonteerde pers met letterkasten en al overnemen. Na enig knutselen had Rombouts het apparaat weer in elkaar. Maar hoe hij ook probeerde, drukken lukte niet. «De pers was van 1840, zonder elektriciteit, met vliegwiel en pedaalaandrijving. Ik heb films van Daems zitten bekijken waarin net zulke persen voorkomen, om te zien hoe ze gebruikt werden.»

Hoopvol zette hij ’s ochtends om acht uur de inkt op de machine, om hem er ’s avonds om acht uur onbenut weer af te halen. «Het was ontzettend karweien. Je moest dat vliegwiel in gang trekken en dan onderaan dat pedaal met de voet indrukken. Dan klapte er die degel open en in de tussentijd moest je manueel een blad wit papier nemen, in de degel steken, die klapte dicht en weer open. Je moest een tempo vinden om niet iedere keer dat wiel te hoeven trekken.»

Af en toe donderden nog weleens de letters uit het zetraam, maar gaandeweg kreeg Rombouts het hele proces onder de knie. In januari 1973 rolde de eerste bundel van de pers, Gastronautikon van Adriaan Peel, compleet met linosneden. Het publiceren van deze bundel was eigenlijk meer uit dank voor de geschonken drukpers dan omwille van de literaire waarde. Een klein jaar later verscheen Ik verlang een landschap van Ben Klein, drie maanden daarop Oefeningscahier van Kari Bert. Ondertussen kregen ook de Pink Poets Rombouts met z'n Contramine in de gaten. Eerst was het Werner Spillemaeckers die zijn Veranda aan Rombouts toevertrouwde. Content over dat resultaat stroomden ook Michel Bartosik, Henri-Floris Jespers en Patrick Conrad toe. In totaal rolden er tachtig bundels van de Contramine-pers, waaronder zes van Rombouts zelf en enkele van meer op een eigen poëtica leunende dichters die later roem zouden vergaren: Marcel van Maele, Lucienne Stassaert en Wilfried Adams.

Halverwege de jaren zeventig had Rombouts voldoende routine ontwikkeld om het productieproces naar enkele weken terug te brengen. In Zachtjes knetteren de letteren omschrijft Jeroen Brouwers welk een waanzinnige aanblik de ploeterende Rombouts geboden moet hebben: «om een bladzijde te drukken, dient er tweemaal met de linkerhand aan een groot aandrijfwiel getrokken en viermaal met de rechtervoet een pedaal op en neer bewogen. Een klein rekensommetje leert ons dat voor een bundel van een dertigtal pagina’s op tweehonderd exemplaren 11.610 maal met de linkerhand en 23.220 maal met de rechtervoet is getrokken en geduwd. Vergelijkbaar met een rit per fiets van Parijs naar Roubaix door de hel van het noorden, maar dan in een wedstrijd voor invaliden, met één arm en op één been.» Contramine werd zo populair dat ook ondermaats dichttalent op Rombouts af stapte. Fikse prijzen werden geboden om bundels te drukken. Rombouts zegt nooit op zo'n aanbod te zijn ingegaan.

We slaan de Moriaanstraat in. Halverwege bevindt zich de gevel waarachter de Vecu zich uitstrekte. Rombouts wijst naar de rechter zijde. Daar moet zich een zaaltje hebben bevonden waar hij, en ook Pink Editions en voormalig porno-uitgever Soethoudt hun bundels presenteerden. «Er waren in Antwerpen bijna geen uitgeverijen waar je terecht kon. Manteau gaf hooguit vier bundels per jaar uit terwijl ze er wel dertig kregen aangeboden, Lanoo was veel te katholiek en plattelanderig. Een hele club esthetische dichters stond te dringen in die dagen.» Daar hij door de week in dienst was als statisticus in de haven kon Rombouts voor zijn bundels goedkope prijzen stellen. «Ik rekende alleen papierkosten. Voor zo'n boekje vroeg ik dan 375 frank. De eerste druk was gewoonlijk 250 à 300 exemplaren. Herdrukken waren wat meer. Van een bundel van Jespers heb ik wel eens vier drukken gemaakt, in totaal toch tweeduizend exemplaren.» Presentaties in de Vecu waren de voornaamste afzetmogelijkheid. «Er gingen wel duizend uitnodigingen de deur uit. Het was stampvol altijd.» Immer kon Rombouts rekenen op een welwillende bespreking van Piet Sterckx in De Nieuwe Gazet.

Rombouts was er niet bij, maar op een avond in 1975 vond in de Vecu een incident plaats. Als gewoonlijk waren de Pinks samengekomen, waarop werd besloten te dineren in restaurant La Rade. Pernath was ook van de partij. Hij had hoofdpijn, de hele dag al. Om één uur ’s nachts rinkelde bij Rombouts de telefoon. «Het was Conrad. Pernath bleek dood te zijn gevonden, halverwege de trap. Als laatste was hij uit de Vecu vertrokken. Personeel achter de tapkast had een fluitend geluid gehoord. Het bleek het gehoorapparaat van de overleden Pernath te zijn. Of het door de drank kwam, is nooit duidelijk geworden.»

Vrolijke herinneringen zijn er ook. «Snoek was nogal een snoever. Op een avond in de Vecu had hij weer flink gedronken. ‹Denkt ge dat ik dat niet durf›, riep hij. Ineens was hij weg. Paar uur later was hij weer binnen. Hij was naar de rosse buurt geweest en had zich laten tatoeëren. Hij laat dat zo fier zien en iedereen valt straal om van het lachen. In plaats van ‹peace› stond er ‹paece›.» Snoek verplaatste zich in die dagen in een supersnelle sportwagen. Met alcohol op rijden was toen nog vrij gewoon. In 1985, de Pinks waren reeds ontbonden, vloog Snoek uit een bocht en reed zich te pletter tegen een kraan. «Er werd toen gesuggereerd dat het zelfmoord was, maar daar had het niets mee te maken.»

Op zondag wilde het bonte gezelschap de woning van Rombouts weleens aandoen. Vooral om de art nouveau-inrichting te aanschouwen. Bij een van die gelegenheden was ook de uit de Brusselse scene afkomstige junkiedichter Jotie T'Hooft erbij die zichzelf op dat moment nog enkele jaren zou laten leven alvorens met een welbewuste overdosis op 21-jarige leeftijd vredig te sterven. Rombouts: «Jotie was zo stil, je moest er de woorden uitsleuren.»

In november 1982 wordt Pink Poet ontbonden. Enkele jaren daarop sluit de Vecu. «Toen zijn we rond het Mechelspleintje gaan zitten, maar al gauw kwam niemand daar nog heen. Ik ben nu de enige die er nog komt.» Op een dag breekt een drijfstang in de degelpers. Bij de derde druk van een bundel van Spillemaeckers. Een smid vertelt dat er niets meer aan te redden is. Rombouts probeert nog een tijdje offset te drukken, maar voor hem is de lol eraf. In 1991 sterft de alcoholische Nic van Bruggen, een bloedprop schiet zijn hersens in. Patrick Conrad vertrekt voorgoed naar Zuid-Frankrijk. Hij wijdt zich daar aan film en schrijft thrillers. Rombouts houdt zich nog volop bezig met zijn zogenoemde dandygedichten. Op festivals is hij door zijn anachronistische verschijning een graag geziene gast. Dit najaar zal een verzameld werk verschijnen. Als we uit de bus naar zijn huis in een Antwerpse buitenwijk stappen, blijkt hoe onvervalst zijn levenshouding is. «Zag je die mooie jonge meiden in hun volle jeugd staan? Met decolleté aan en weet ik wat allemaal. Maar van waar ik stond, kon ik hun zweet al rieken. Bedenk, de schaduwzijden zijn er altijd.»