Wie schrijft die blijft (15)

Vergeten dichter W.J. van Wouten

W.J. van Wouten is niet blind, maar hij draagt een blindenstok omdat hij hoopt dat hij beter kan ruiken. In zijn gedichten wilde hij aan de hand van «iets» het «niets» laten zien. Want poëzie is niets anders dan «het beschrijven van een gat in het papier». Deel vijftien in de serie over vergeten dichters.

en dat gat

hoe is dat ontstaan of wie

heeft het laten staan

en er papier omheen gekunsteld?

het beschrijven van een gat in het

papier

moet het daar omheen gaan draaien?

moet het door dat doel heen schieten?

spreek die veronderstelling eens uit

spreek geluid van de botten van de

gedachten

zwarte botten allang van wormen

verlaten

zwarte vormen die woorden die

naäpingen

mensen die noemzieke beesten

het gat in het papier biedt hetzelfde

is gelijk aan het gat buiten het papier

het eerste is beperkt

het tweede buitengesloten

W.J. van Wouten

Uit: Een groot wit volume, 1983

Bellen met de Bezige Bij. W.J. van Wouten? Hebben ze nooit van gehoord. Hoe heette die bundel? Een groot wit volume, uitgebracht in 1983. Vraag ik liever morgen eens naar Radboud, die hier al zijn hele leven werkt. De volgende dag Radboud aan de lijn. Het zegt hem vaag wel iets. Hij belooft namen van redacteuren van destijds op te duikelen. Eerdaags komen die. Van hen blijken alleen Jan Mysjkin en Tjit Reitsma herinneringen aan Van Wouten te bewaren. Mysjkin weet nog dat het manuscript van Een groot wit volume lange tijd zoek is geweest. Het zou achter een kast zijn gevallen. Reitsma zegt Van Wouten nog te kennen. Niet dat hij bevriend is geweest met hem. Hij was, om eerlijk te zijn, tegen publicatie van het in zijn ogen onbegrijpelijke manuscript. Volgens Reitsma is het de inmiddels overleden Willem van Beusekom geweest die Van Wouten binnengehaald heeft.

In 1979, 1980 en 1981 publiceerde W.J. van Wouten gedichten in Raster, het literaire tijdschrift dat ruimte bood aan door Gerrit Kouwenaar bezielde dichters als Hans Faverey, H.C. ten Berge en Rein Bloem. Dichters die meenden dat de werkelijkheid niet na te bootsen is in taal en dat poëzie derhalve beter autonoom kan zijn. In de Raster-redactie zaten toen onder anderen Hans W. Bakx, Jacq Firmin Vogelaar en Hans Tentije. Zij allen zeggen de bundel te kennen. Er is ook nog wel een vage notie van W.J. van Wouten. Maar niemand die weet wat er van hem geworden is.

Een tijd later komt De Bezige Bij met een adres uit 1983: Torenstraat 5, Weesp. Daar aangebeld. De huidige bewoner haalt ten slotte de koopakte tevoorschijn. Een Van Wouten heeft er nooit gewoond. Wel een zekere Wilhelmus Johannes Maria van Houten, net als W.J. van Wouten geboren op 6 november 1956 te Baarn. Beroep: verpleegkundige. Uit het document blijkt dat Van Houten alias Van Wouten in 1989 het huis verkocht. Brief doen uitgaan naar de gemeente Weesp. W.J.M. van Houten blijkt verhuisd naar Maarssen. Brief doen uitgaan naar de gemeente Maarssen. W.J.M. van Houten blijkt verhuisd naar Gouda. Vriendelijke Goudse ambtenaar is bereid de ingezetene per post mijn coördinaten over te brengen. En op een ochtend gaat de telefoon: «Met Van Wouten, ik begrijp van de gemeente dat u naar mij op zoek bent.» Op een donderdagmiddag afgesproken in de stationshal van Gouda.

Het voelt als een stok waarmee iemand vanachter tegen mijn arm tikt. Het is een blindenstok. «Kom mee», roept W.J. van Wouten en sleurt zijn afspraak door de schuifdeuren het schelle zonlicht in. Blind is hij in het geheel niet. Van Wouten draagt een bruinleren jack, een gebloemde blouse waar borsthaar uit stulpt, een spijkerbroek en bergschoenen. Groot hoofd, kort haar, brede kaken, diepliggende ogen. Hij zegt meteen per se niet op de foto te willen. Later zal hij bij wijze van compromis een kiekje van een bordje «verboden toegang» overhandigen. We gaan, schuin tegenover het station, een copyshop binnen. Hij keert zijn rugzak om. Onder tevoorschijn gekomen paperrassen bevindt zich het CJP-tijdschrift Plug, aflevering mei 1977. Daarin debuteerde hij als Willem van Wouten op 21-jarige leeftijd, met het gedicht «Draai een sigaret en doe». Als volgt vangt het aan: «— zet de ponser aan (Toets EIN indrukken)/ draag zorg voor wat je nu leest». Hij schreef het in de tijd van de eerste generatie computers. Je kocht ze in een doos en moest ze zelf in elkaar zetten. Het gedicht gaat ook over het aanzetten van een computer. Met het vers werd in W.J.M. van Houten de dichter W.J. van Wouten als een Frankenstein tot leven gewekt. Eronder staat een korte biografische schets: «Willem van Wouten is 21 en woonachtig te Eemnes. Hij is momenteel arbeider in een vers-vlees-verwerkend bedrijf en schrijft in zijn vrije tijd zoveel hij kan.»

De beginregels van een Raster-publicatie uit 1979 schallen door de copyshop. De taal in dit gedicht, «Een morgue voor poëzie» getiteld, verkeert in verre staat van ontbinding. Slechts af en toe is een flard van een mededeling te ontwaren. Hij pakt Raster 14 uit 1980 van de stapel. «Onopgelost in te nemen», heet het gedicht van zijn hand dat hierin afgedrukt staat. Regels als: «door de storm kruipt een tor» en: «merk je hoe er/ er in merk is». Van Wouten legt uit dat het bij dit gedicht de bedoeling is «alle banden met de buitentalige werkelijkheid te doorklieven». Raster 17 uit 1981 gaat onder de kopieerklep. «Grondtrekken van een jacht» heet het vers dat het apparaat pagina’s lang uitspuwt. Het gaat over waarom de waarheid niet is te beschrijven. Dat is omdat, en hij leest voor: «een potlood niet op het eigen hout kan schrijven. Omdat geen kwast zijn eigen varkensharen verft». Mensen, legt Van Wouten uit, zijn beperkte wezens. «Omdat ze woorden gebruiken. Woordgebruik is iets —» en hij slaat aan het citeren: «— dat in verschijning en smaak overeenkomt/ met het bekende zonder de werkzaamheid van het bekende». We kopiëren nog een publicatie uit Op komst, een speciale uitgave van het door Jos Knipscheer geredigeerde tijdschrift Mandala. «weiger te lezen» heet het vers. Hardop leest Van Wouten zijn regels voor, een baliemedewerker als gehoor: «dit moet zwemen naar dat het niet gelezen hoeft/ het eerste gezicht wat begrip betreft eender is/ één of geen spiegel staand aan de regeleinden/ die daar het onbeschreven zijnde vlak opkloppen».

Over de Kleiweg gaat het, richting Markt. «Ik wantrouw jou, jij komt uit de maatschappij», zegt Van Wouten telkens. Hij steekt zijn blindenstok in de lucht en loopt zonder aarzelen een drukke kruising over. Hij zegt de stok te dragen omdat hij zich altijd afvraag of je met zo'n stok in de buurt van een bloemenkiosk beter bloemen ruikt. De onderkant van de stok is zwart. Heeft hij expres gedaan. De titel van de tweede afdeling van zijn bundel luidt: «een in inkt gestoken blindenstok», vandaar. Aan de Markt gaan we een etablissement binnen. Van Wouten laat zijn koffie koud worden. Van Wouten raakt zijn sandwich niet aan.

Een groot wit volume lees je niet zomaar even. Op de flap staat dat we hier te maken hebben met een «werkboek». In afdeling 1 («wat blanco was wordt wit») grijpt de dichter zijn lezer bij de hand. Eerst moet de lezer een taalontwenningskuur ondergaan. De dichter brengt hem «een groot leeg landhuis van papier» binnen. In een wit vertrek worden «kussens» bevestigd «aan de wanden» en worden «de negentig graden tussen muur-plafond/ vloer-muur en muur-muur» opgevuld met «witte stof». Dan is een «kubus zonder hoeken gemaakt», «om cijfers te laten rollen» doch «zonder rond te zijn». De taal, de dichter mag het vergelijken met een orkest, is nu uitgebeend en kaal: «het orkest dat ons tot in dit huis trok/ heeft zich uit korset getornd». De lezer raakt onthecht. «op dit moment hoef je geen letter te kennen», spreekt de dichter tot hem. Pas nu, in deze losgeweekte blanco biotoop, is waarlijke interactie tussen dichter en lezer mogelijk. Zichtbaar wordt «de glazen weerkaatsende pot waarin de werker/ de trommel met trommelen duidelijk maakt».

In de daarop volgende rest titelloze gedichten haalt de dichter warrige trucs uit met de ras doldraaiende lezer: «een tekening van een kogel/ tegen een wit bewolkte lucht (…) zoveel snelheid zit er niet in/ hij ligt roerloos op tafel». Misschien, zegt de dichter, is dit veeleer «een tekening van de lucht/ met daarin afgebeeld een kogel/ overgetekend van een die op tafel ligt…» Of misschien is dit helemaal «geen tekening van een kogel» maar is dit «de beschrijving van wat er niet is». En daar is het Van Wouten om te doen, beschrijven wat er niet is. Aan de hand van «iets» het «niets» laten zien. Poëzie is volgens hem niets anders dan «het beschrijven van een gat in het papier». En zo'n gat beschrijf je als volgt: «een gat in het schrijfpapier/ daaromheen/ het schrijfpapier verwijderd». Met zo'n gat manifesteert zich het niets dat als «het lege in een zak» «zonder zak» «een bel onder water» zou zijn.

Niet meegerekend de Prisma Lectuurvoorziening, een beknopte samenvatting ten behoeve van het bibliotheekwezen, verschenen slechts twee inhoudelijke reacties op de bundel. Eentje van Wiel Kusters in NRC Handelsblad van 24 juni 1983. Ondanks zijn hermetische gezindte wees Kusters de bundel van de hand: Een groot wit volume wordt volgens hem «gekenmerkt door een hoge graad van abstractie (…)». De teksten «lijken meer op protocollen van gedachtenexperimenten dan op gedichten. Ik hoop dat hij ons nog eens iets anders laat lezen dan dit pretentieuze ‹werkboek› (…).» Enthousiast daarentegen was Peter de Boer in Bzzletin 109: «Van Wouten gaat te werk met een intelligentie, speelsheid en prettig gestoorde flair die zijn weerga niet kent en die haaks staat op de loden ernst waaronder poëzie uit de taalexperimentele hoek doorgaans gebukt gaat.» Volgens De Boer hebben we aan deze «dichtende nazaat van Fred Kaps en Harry Houdini» een prachtige «verzameling blinde vlekken» te danken. Wel vroeg De Boer zich af hoe het nu verder moest: «Over het niets heeft Van Wouten inmiddels alles gezegd. Hij kan nu twee dingen doen: of stoppen met schrijven, of nieuwe thema’s en vormen verzinnen om daarmee als het ware opnieuw te debuteren.»

Een tweede kop koffie koelt af. «Het manuscript was kwijt geraakt of gemaakt», zegt Van Wouten. «Ik vrees dat het in heel wat kamers is geweest, daar in die ivoren torens. Het zou achter een kapstok zijn gevallen. Mysjkin weet wel beter. Voor mij is het net Kafka geweest. Ik had toen al voorzichtiger moeten zijn. Ik had moeten weten hoe compact de drift is die erin zit. Van Beusekom was tenminste een fijne vent. Had aan een half woord genoeg.»

Herinneringen aan de presentatie van zijn bundel. «Ik kwam te laat. Ik moest gewoon werken. Ik werkte in de psychiatrie. Toen is er ook gezegd… ik kan daar niet over praten. Vrienden zeggen dat ik gek ben als ik hierover vertel. Maar de dichter W.J. van Wouten ís gek!»

Jules Deelder debuteerde in die tijd ook. «Wordt er weer zaad op de rotsen gespoten, zei hij over mijn bundel. Is er een foto van hem? Waar is de reclameman? Maar ik wilde helemaal geen reclame. Zoals ik ook niet al die tenten en borrels wilde aflopen. Liever zat ik thuis. Liever schreef ik één woord om het weer door te strepen dan dat ik een avond tussen die mensen doorbracht.»

Geen idee hoe zijn poëzie in Raster belandde. «We hebben het hier over ware poëzie die zich laat vinden, altijd. Als iemand het dan leest en ook herkent, dan houd ik van die man en die man houdt ook van mij. Van mijn en zijn neutrale stem, de onbesmette babystem die nog geen politieke of maatschappelijke machinaties heeft ondergaan. Met hulp van mijn bundel of met hulp van Hans Faverey of Jan Campert kun je je neutrale stem hervinden. Iedereen kan het zinken kwartje van Lipinski vinden.» Van Wouten refereert aan het gedicht «Meneer Lipinski» uit Favereys bundel Chrysanten, roeiers. In dat vers krijgt de dichter een «zinken kwartje» overhandigd, met als jaartal 1942. «Dat is het jaar dat Jan Campert door de Duitsers gepakt werd! Zie je het verband? Mijn zwager was antiquair. Van hem kocht ik Campert. Voor een kwartje! Dat las ik in Faverey terug! Wees bevrijd van de verneukeratieve krachten van links of rechts die je tot keuzes dwingen, die je knechten en neerdrukken. De meeste mensen zijn bang voor de neutrale stem. Die mensen wilden mij het zwijgen opleggen.»

Van Wouten zegt door die mensen bedreigd te zijn. «Die middag was een krachtenspel gaande tussen losgeslagen volk, gevoed met pillen en pils, en literaire bonzen en culturele pausen. Tussen de platgetrapte romantische paden van Rogi Wieg en het valse modernisme van Joost Zwagerman. Ik ben bedreigd. Niet door Zwagerman en Wieg zelf. Door hun vazallen. Albert Hagenaars kwam zich verontschuldigen bij mij. Het was een voordrachtmiddag in de Nes in Amsterdam. Vraag het Meindert Inderwisch. Ik heb bij zijn moeder moeten schuilen. Zij zei, kom maar hier zitten, want ze gaan je te lijf. Ik zei, ik ben niet bang hoor, echt niet. Ik heb met beroemde psychopaten gewerkt. Heel wat keertjes met levensgevaarlijke mensen gevochten toen ik in de forensische psychiatrie zat.»

We lopen terug naar het station. Van Wouten zegt nog wel wat geschreven te hebben na zijn debuut. Drang om te publiceren was er niet meer. «Ik had mijn neutrale stem toch al hervonden.» We nemen afscheid. De voorleesmiddag waar Van Wouten over sprak blijkt plaats te hebben gehad op 25 april 1987. Aanleiding was een bloemlezing van tien jonge Nederlandse dichters die Albert Hagenaars voor het Vlaamse tijdschrift Deus ex Machina had samengesteld. Volgens Meindert Inderwisch is er die bewuste middag geen sprake geweest van bedreigingen. Van Wouten kan hij zich wel voor de geest halen. «Een vriendelijke man. Lang en blond.» Van zijn poëzie begreep Inderwisch geen snars. «Het zal wel een hiaat in mijn poëziekennis zijn, maar ik kon er niks mee.» Ook zijn moeder heeft geen weet van het door Van Wouten beleefde. «Ik acht het mogelijk dat die jongen uit angst naast mij is gaan zitten. Maar Joost en Rogi waren die middag juist heel vrolijk.»

Een week later opnieuw afgesproken. Van Wouten maakt een verwarde indruk. Op zijn voorhoofd glanst zweet. Als een bezetene verorbert hij appels. Hij haalt blanco papiertjes uit zijn zak en deelt ze uit aan passanten. Hij wil een bezoek brengen aan museum Het Catharina Gasthuis. Dagjesmensen schrikken op als de verhit orakelende dichter oprukt naar de kassa. «Waarom, meneer», roept Van Wouten tegen een senior achter het loket, «heeft u een paraplubak staan terwijl het niet regent en geen prullenbak voor iemand die van zijn klokhuis af wil?»

Hij wil weten waar de kerkers zijn. «Trap op rechts», zegt de senior. In rap tempo gaat het door oud-Hollandsche vertrekken met imposante Delftsblauwe vazen. «Dwaalt mee door het huis van de Nederlandse historie», brult Van Wouten. «Ik ken ook al die schilderijen niet, maar ik vind ze misschien wel aardig.» We gaan een trage schuifdeur door. Spiralen een wenteltrap af naar de kerkers. Bij een dwangbuis houdt hij halt. «Weet je dat dit voor de dollen was? Voor mensen die gekke dingen zeggen? Voor dichters als Jan Campert, Hans Faverey en ik.» Met geweld drukt hij een nooduitgang open. Een alarm gaat af. «Waar zijn we hier? Altijd is er nooduitgang. De werkelijkheid, dat is pas een martelgang! Je weet, ze maken je gek als je dichter bent.» We gaan een dolcel binnen, een afgesloten witte ruimte. Hij kalmeert. Maar dan steekt een bewaakster het hoofd om de hoek. Of wij de nooduitgang opengemaakt hebben. «Zal ik u een gulden geven? Nee beter, ik geef u het kwartje van Lipinski. In Faverey ligt de bron van het geheim, mevrouw. Niet hier in deze dolcel.» Of we zo vriendelijk willen zijn het museum te verlaten.

In overspannen toestand gaat het naar zijn woning. Er moet professionele hulp aan te pas komen. Later in de week belt hij op. «Jij hebt het kwartje aan het rollen gebracht. Ik ben uit het niets gewekt. Je gaat nu Remco Campert bellen om te vragen waar Lipinski is gebleven. Hij kent het werk van zijn vader. En dat van Faverey. Zeg maar dat je hier een gekke dichter hebt. Geef mij anders het nummer van de Bezige Bij.» Deze week, toen ik hem het artikel had laten lezen, ging het alweer een stuk beter met W.J. van Wouten.