Wie schrijft die blijft (13)

Vergeten dichters Michael Deak en Wim van der Molen

Ze ontmoetten elkaar in de oorlog en werden vrienden voor het leven. Ze verdwenen in het experimentele geweld van de Vijftigers. De een ging zich toeleggen op haiku’s; de ander bleef voorgoed van inspiratie verstoken. «Straks ben ik er niet meer en gaat het met de vuilnis mee.» Deel dertien in de serie over vergeten dichters.

Donkere metten

Twee bruine vogels nestelen op het hart

van Zwarte Lientje met de blanke tanden:

dat zijn de wilde vogels van de schande,

dat zijn de stille vogels van de smart.

’k Weet een verscholen fjord tussen het zwart

van haar klein oerwoud. — Wie er eenmaal landde

keert er steeds weer, en vangt met warme handen

de bruine vogels op haar brandend hart. —

Wij hebben voor elkaar geen vreemde namen

en geen verhalen voor elkaar bedacht, —

wij zijn alleen maar teder en tezamen.

Eet van het brood dat ik je heb gebracht

en zing je liederen van Suriname

en laat mijn bloemen in je haar vannacht.

Voor Zwarte Lientje

Michael Deak

uit: Aphroditis (1950)


Souterrain

Het leven stokt mij in de keel;

ik kan alleen de dood nog horen

met de verbindingen der oren,

waartussen ik mijzelf verdeel.

Hij doet de buitendeuren open,

hangend aan de draad van een spin

valt hij het zwarte trapgat in;

ik hoor op de portalen lopen.

Mijn trommelvlies ligt opgebold

tegen de grond van het gehoor,

waaraan geen trilling meer ontkomt.

Ik schuif onder de stoelen door

en sta in gordijnen gerold,

met een hand voor iedere mond.

W.J. van der Molen

uit: Sous-terrain (1950)

Tachtig jaar is Simon Kapteijn alias Michael Deak, maar nog heel kwiek hupt hij op station Beilen de intercity uit. Hagel slaat tegen zijn bril, om zijn benen fladdert een net gesteven pantalon. In de beschutting van een kaartjesautomaat wacht Wim van der Molen (77). Zijn West-Friese gelaat krijgt een vriendelijke uitdrukking als hij de gekromde gestalte van zijn makker ontwaart. Langdurig omhelzen ze elkaar. Van der Molen gaat voor naar een Peugeotje, dat hij een ogenblik later, diep over het stuur gebogen, een smalle weg opstuurt. Voorbij Orvelte kronkelen we een sparrenwoud door. «Hier hebben we gewandeld», roept Kapteijn uit. Van der Molen knikt. Toen hij hier pas woonde, was de hele club bij hem langsgekomen: J.W. Schulte Nordholt, Harriet Laurey, Jan Wit, Inez van Dullemen, noem ze maar op. Natuurlijk was ook Ad den Bes ten van de partij. Aan deze literator had de traditioneel ingestelde dichtersschare veel te danken. Binnen het vijandige literaire landschap van na de oorlog — experimentdriftige Vijftigers bewaakten streng het territorium — bleef Den Besten ze met zijn Windroos-reeks publicatiemogelijkheden bieden.

Na het bos doemt een boerderij op. Als we het erf betreden wuift mevrouw Van der Molen vanachter een raam met openstaande luiken. Binnen, weggezonken in diepe fauteuils en voorzien van koffie met appelgebak, komt direct een vijandige bespreking van Van der Molens tweede bundel ter sprake. «In zijn werk doet hij zich in elk geval kennen als een loodzware humorloze dominee», schreef Remco Campert destijds in Braak, een periodiek waarmee de Vijftigers hun revolutionaire weg plaveiden.

Van der Molen weet het nog goed. «Campert heb ik altijd een vervelende jongen gevonden», zegt hij. «Ik vond hem ook een beetje viezig.» Kapteijn bladert door een boek met foto’s van de Vijftigers. Hij toont een foto van een stapel boeken, waar een dikke streep doorheen is getrokken. Lucebert, Bert Schierbeek, Gerrit Kouwenaar en Jan Elburg staan er grijnzend omheen. «Er is een lyriek die wij afschaffen», staat er boven. «Als je goed kijkt», zegt Kapteijn, «zie je daar bovenop mijn debuutbundel liggen.»

Simon Kapteijn had eigenlijk priester willen worden. Maar op het Warmondse seminarie kwam hij erachter dat hij een ongelovige was. De celibaatsverplichtingen zaten hem nogal in de weg. Door middel van poëzie zocht zijn libido een uitweg: «En sidderen straks je spiegelborsten even,/ op vingertoppen uit hun kleed gelicht,/ dan is ’t van zonden, allereerst bedreven,/ die je mij schenken zou om dit gedicht.» En: «Je dijen lagen blonder/ tegen een raadseldriehoek schaduw aan,/ verzegeld ebde en rees een dubbelwonder,/ je bronnenborsten morgenster en maan…»

Hij besloot zijn verzen in te sturen. Criterium en Roeping gingen tot publicatie over. Omdat hij voor dit soort poëzie nooit de vereiste klerikale toestemming zou krijgen, had hij een pseudoniem aangenomen: Michael Deak. Zo kreeg niemand op het seminarie er lucht van. Op een dag bleken er boeken uit zijn kast te zijn genomen, waaronder biografieën van Charles Baudelaire en Paul Verlaine. Bij directeur Niekel vroeg Kapteijn om opheldering. «Bedoel je deze», sprak Niekel terwijl hij een krant oplichtte. De boeken moest hij in de vakantie maar thuis laten. Toen hem verzocht werd het te lange haar te laten trimmen, was voor Kapteijn de maat vol. Dat priesterschap hoefde niet langer, dichter zou hij voortaan zijn. In Ballade van den verlopen student schrijft hij: «ik ruilde een rijk voor een berooid gebied,/ de wijze les voor het onwisse lied.»

En zo zat hij weer bij zijn roomse ouders thuis in Alkmaar. Het was 1942 en volop oorlog. Om niet gedeporteerd te worden was het zaak een baan te vinden. Bij het Bedrijfschap voor Vee en Vlees kwam een administratieve plek vrij. Hij meldde zich aan. Het kantoor herinnert aan deze periode: «Mijn doodkist, dit verdoemelijk plankier/ waar ik verslijm van ’s morgensvroeg half negen/ tot ’s avonds zes, nóg lijfstijf ingeregen/ in een corset van cijfers en papier.»

Van der Molen presenteert zijn vriend een sigaartje. In kringetjes blaast Kapteijn uit. Van zolder heeft hij zijn vrouw een autobiografisch geschrift laten halen. «Ik sleet mijn jonge jaren in een protestants dorpje van koolbouwers boven Alkmaar», leest Van der Molen voor. «Ik woonde er vredig met mijn ouders in een ruim huis dat op aandrang van mijn vader Done nobis pacem was genoemd, en als mijn vriendjes en ik uit de School met de Bijbel kwamen, voetbalden we, en hengelden en zwommen we, of vierden koninginnedag. Bij de kapper maakte ik me steels meester van De Lach, met altijd foto’s van meisjes in badpak en soms ook een stiekem grapje, waar ik rode koontjes van kreeg.»

Als Van der Molen voorleest over zijn Alkmaarse hbs-jaren, valt Kapteijn hem in de rede. «Ik weet nog dat ik ’s ochtends in alle vroegte naar het Bedrijfschap fietste. Dan zag ik jou in de richting van de hbs wandelen. Je droeg een loden jas, een enorme bos krullen had je. Je las terwijl je liep.»

Het moet in de winter van 1943 zijn geweest dat Kapteijn tijdens een schaatstocht «bij de molen van Piet» in gesprek raakte met Jan Grootenboers, een jongeman die ook literaire ambities koesterde. «Grootenboers was onder de indruk van mijn publicaties in Roeping en Criterium», zegt Kapteijn. «Ik heb hem toen gevraagd wie jij eigenlijk was. Ook een dichter, zei Grootenboers. Hij zei dat je heel pathetisch schreef, als Bilderdijk.»

Inderdaad stonden Van der Molens verzen in die tijd krom van sentiment: «Door elke vrouw geronseld en verraden,/ door elke vriend verlaten en geschuwd,/ en door zichzelf verleid tot vuile daden,/ een eenzame, waarop de wereld spuwt…» Geert van Oorschot vond ze wel goed. In ’46 bracht hij een keur aan dit soort sonnetten uit onder de titel Gered voor vannacht. Ad den Besten zou Van der Molen deze jeugdzonde later niet vergeven. «Hier hangt iemand op een soms ondraaglijk tweedehandse manier de poète maudit uit», zou hij in 1954 schrijven in het standaardwerk Stroomgebied, een inleiding tot de poëzie van de na-oorlogse dichtergeneratie.

Toen het lot beide dichters in 1943 bijeendreef, was de oorlog betrekkelijk ongemerkt aan hen voorbijgegaan. «Wij waren wereldvreemde knapen», zegt Van der Molen. «We dachten alleen aan poëzie», zegt Kapteijn. Dat veranderde toen zij in de loop van 1943 vernamen dat Jan Campert door de Duitsers was gefusilleerd. Ze zouden eens een daad gaan stellen. Toen fascistische uitgeverij De Keurkamer, die onder leiding stond van George Kettmann, in 1944 een poëziewedstrijd uitschreef voor het beste fascistische gedicht, besloten de twee onder pseudoniem in te zenden. Van der Molen deponeerde de gefingeerde naam Arnoud van Leyden bij de Kultuurkamer. «Het ging heel eenvoudig», herinnert hij zich. «Je hoefde maar een formulier in te vullen. Ze waren natuurlijk allang blij dat iemand het deed.»

Intussen zwoegde Kapteijn op een sonnettencyclus waardoorheen hij op ingenieuze wijze een acrostichon weefde. «Gelouterd ondicht doodverft rotmoffen en hun hiellikkers genoegzaam onbevoegd», stond er te lezen als je de beginletters van elk van de negen sonnetten onder elkaar las. Als de oorlog voorbij was, zouden zij het voor de bezetter beledigende acrostichon onthullen. De kans uitverkoren te worden achtten zij groot, omdat de andere inzendingen afkomstig waren van lompe SS-auteurs als George de Sévooy, Nico de Haas en Henri Bruning.

Om het pseudoniem wat bekendheid te geven had Van der Molen in de maanden ervoor volkse lyriek naar het door de Duitsers geannexeerde literaire blad Groot Nederland gestuurd. «Achteraf bezien is het allemaal erg risicovol geweest», zegt Van der Molen. In die tijd kende zijn bravoure echter geen grenzen. Hij woonde zelfs een receptie van de Kultuurkamer bij. «Op zeker moment stond ik met zo’n hotemetoot bij de pisbak. Hij begon over de armzaligheid van het bestaan. Kennelijk mocht hij mij graag want hij gaf mij nog een adresje waar ik een baal suiker kon ophalen.»

Omdat Dolle Dinsdag uitbrak en Kettmann op de vlucht sloeg, is de Keurkamer-prijs nooit uitgereikt. Na de oorlog werden Kapteijn en Van der Molen door Adriaan Venema, die het acrostichon over het hoofd zag, nog beschuldigd van pro-Duitse gezindheid.

In het laatste oorlogsjaar drong Kapteijn in zijn eentje een verlaten Duitse bunker binnen. Hij sloeg het interieur kort en klein, en kwam daarbij ongelukkig ten val. Zijn ruggengraat raakte beschadigd. Later bleek dat de oorzaak van een tuberculeuze aandoening. Hij moest opgenomen worden in een katholiek sanatorium in Wijk aan Zee, waar hij tot lang na de bevrijding bed moest houden. Talloze verzen componeerde hij er, waaronder de Rondo voor Ria: «Verwen mij nu met bramen en frambozen,/ met vreemde vruchten, want vruchteloos fruit/ werd mij uw huid die ’k niet meer kan liefkozen/ omdat de houtworm al met tussenpozen/ in mijn gebeente een stille doodsklok luidt.»

Ria was een schalkse dame met wie Kapteijn tot aan zijn ongeval een stormachtige affaire had onderhouden. Zij was de huishoudster van een zekere Greetje, die getrouwd was met een aan het front liggende Wehrmacht-soldaat. Van der Molen had deze Greetje tot buitenechtelijke escapades weten te bewegen. Op een keer maakten ze gevieren in de Amsterdamse woning plezier, toen plotseling de Wehrmacht-soldaat thuiskwam. Hals over kop vluchtten Kapteijn en Van der Molen het huis uit en met bijeengeraapte kledij klommen zij de schutting over.

Nog in de oorlog had Kapteijn de literator Garmt Stuiveling, die voor uitgeverij A.A.M. Stols een poëziereeks redigeerde, het manuscript van Rederijk doen toekomen. Meulenhoff kreeg de beschikking over De vrouwenval. Pas in 1946 zagen beide uitgevers kans tot publicatie over te gaan. Kapteijn: «Ik lag op dat moment nog in het sanatorium, op een soort sjoelbak gebonden. Per post kreeg ik de bundels toegestuurd. Ze lagen op mijn nachtkastje. De rector van het sanatorium pakte ze en begon erin te bladeren. Hij was geschokt en eiste dat ik een herdruk zou verbieden. Er zou nooit een herdruk komen, maar ik liet mij dat niet zomaar zeggen. Daarop stuurde hij de bundels naar pater Jan van Heugten. Deze schreef terug dat de dichter die dit had geschreven met een molensteen om zijn hals in zee gestort moest worden. Aan het sacramentele leven mocht ik niet langer deelnemen.»

De pers trok ook fel tegen hem van leer. «De vrouwenval (…) behelst uitsluitend weemoedige erotica en brengt de verbeelding van den lezer zoo dicht mogelijk bij de voltrekking van de liefdedaad», aldus Anton van Duinkerken in De Tijd van 22 maart 1947. «Op zichzelf is dit afstootend en de bundel mag niet door jonge mensen worden gelezen. Hij is van een decadente wulpschheid, die de fantasie bederven kan.» Der Clercke Cronike had er evenmin goede woorden voor over: «peristaltische darmbewegingen (van onder naar boven) heeft het bij ondergetekende van elke objectieve aesthetische waardering gewonnen.»

Kapteijn liet zich niet ontmoedigen. Na ontslag uit het sanatorium werkte hij voort aan zijn derde en laatste bundel, die in 1950 in de Windroos-reeks onder de titel Aphroditis werd uitgebracht. Opnieuw sputterden confessionelen, maar het overgrote deel van de recensenten stak de loftrompet. «Een groot virtuoos», noemde H. A. Gomperts hem.

«Na Aphroditis is mijn inspiratie volledig weggevallen», zegt Kapteijn. «Ik heb het jammer gevonden dat het gestopt is. Ik wilde wel maar het kwam niet meer.» «Jij was op je best toen je opgesloten zat in dat seminarie en in dat sanatorium», zegt Van der Molen. Kapteijn knikt. «Uit gemis en gevangenschap zijn mijn beste gedichten ontstaan.» «Dus eigenlijk zouden we je weer moeten opsluiten», grapt Van der Molen. «Toch zou het object van gemis nu anders zijn. Ik geloof niet dat erotiek nog zo’n grote rol zou spelen.» Van der Molen priemt een vinger in de lucht. «Den Brabander zei het al: poëzie bloeit uit bloed en verliezen.»

Toen zijn vriend in het sanatorium lag, verhuisde Van der Molen naar Amsterdam, hoewel hij daar geen woning had. Hij probeerde onderdak te vinden bij vrouwen die hij ’s avonds in kroegen versierde. Enige tijd logeerde hij ook bij Adriaan Morriën, Chris van Geel, P.J. Meertens en H.P. van den Aardweg. Ook Jac. van Hattum was een optie, hoewel daar een homoseksuele spandienst tegenover kon te staan. Als het tegenzat, bracht hij de nacht door in het Amsterdamse Bos, waar ’s ochtends in ieder geval een verkwikkende duik in de Amstel genomen kon worden. Als het vroor, liet Van der Molen zich arresteren. Overdag werkte hij op een verzekeringskantoor, wat in de maand nog geen honderdvijftig gulden opleverde. Door drankrekeningen en een forse alimentatie vanwege een onwettig kind dat hij verwekt had, bleef er onvoldoende over om een kamer te huren. Als er even niets te doen was op kantoor schreef hij de regels op die hem tijdens zijn nachtelijke omzwervingen waren ingevallen. De benardheid van zijn situatie klonk in zijn poëzie door: «Het leven stokt mij in de keel;/ ik kan alleen de dood nog horen/ met de verbindingen der oren,/ waartussen ik mijzelf verdeel.»

Begin jaren vijftig bracht Ad den Besten, die hij in de oorlog via het clandestiene tijdschrift Parade der profeten had leren kennen, drie bundels van hem uit in de Windroos-reeks: Sous-terrain (1950), Voor dovemansoren (1951) en De onderkant van het licht (1954). Hoewel recensenten de «apocalyptische ondergangsstemmen» en de «existentiële wanhoop» prezen, vroegen velen zich af waarom hij zijn verzen met alle geweld liet rijmen en in strakke vormen goot.

Zelf begon Van der Molen zich dit ook af te vragen. Hij probeerde het rijm weg te laten en op z’n Cobra’s onnadenkend voor zich uit te kladderen. Hij zette zich zelfs aan een existentiële roman, Tien tenen en elf ribben. Hoewel het boek nog uitgegeven werd ook, wist hij zeker dat hij een doodlopende weg was ingeslagen. Ook het berijmen van psalmen, waarmee hij zich een tijdje onledig hield, leverde geen bekoring op. De Van der Hoogtprijs die hij in 1956 voor De onder kant van het licht kreeg, kon de twijfel aan het eigen kunnen niet wegnemen. Nog slechts één tot tevredenheid stemmend gedicht zou volgen. Hij schreef het in 1955 en won er een door de KLM uitgeloofde prijs mee. Er kwam vastigheid in zijn leven. Hij trouwde en vond een huis aan de Amstel. Voor de verzeke rings maatschappij kon hij buitenlandse reizen gaan maken. Hij verdiepte zich in foto gra fie.

Zo’n vijftien jaar zweeg Van der Molen. Eind jaren zestig werd hij nog wel gebeld door Ad den Besten. «Hij zei dat de Vijftigers zo’n beetje waren uitgewoed en dat hij een nieuwe reeks ging opzetten. Ik had nog wat oud werk in portefeuille, en dat heeft hij toen uitgebracht.» Over die bundel, Een zwaard van zand, is Van der Molen ontevreden. «Het was een soort comeback maar niemand is het opgevallen.» Hij praat liever over een nieuwe periode die vlak daarna aanbrak. «Begin jaren tachtig raakte ik in de ban van de haiku.»

Een lang vertoog volgt over hoe de haiku na de Japanse oorlogsnederlaag via Amerika naar Nederland kwam. «Flowerpower-mensen gingen er vervolgens mee aan de haal. Sandalenlopers die goedheid zochten en de haiku als brug naar een nieuwe mensheid zagen. Allemaal onzin.»

Vanaf dat moment begon Van der Molen als een razende raszuivere haiku’s te schrijven. Ter promotie van het genre gaf hij bovendien een speciaal haiku-tijdschrift uit. Serieuze uitgevershuizen wilden hun vingers niet aan die nieuwe publicaties branden, maar Wim Simons van de laagdrempelige uitgeefstichting De Beuk durfde het wel aan. Een aantal haiku-bundels gaf hij uit, waar onder Geeft ’t leven terug? (1982), Weg wij zers naar nergens (1983) en Op een grasstengel klimmen (1984). «Daarna wilde hij dat ik er voor ging betalen. Dat verdomde ik.»

Niemand moest iets hebben van zijn haiku’s. Zelfs het Noorder Dierenpark te Emmen niet. «Een tijdlang was ik iedere dag naar de dierentuin gegaan. Op het laatst was een complete bundel ontstaan. Met die bundel in je hand kon je de hele tuin door. Ik heb de directrice toen gevraagd of ze dat wilden uitgeven. Ik ben vroeger een bekend dichter geweest, zei ik. Nu schrijf ik een ander soort poëzie, makkelijk te bevatten voor meerdere mensen. Ik heb onderscheidingen gehad, zei ik er nog bij. Het is een prachtige bundel, helemaal toegespitst op uw tuin.» De dierentuindirectie weigerde.

De haiku-manuscripten hopen zich op in de Drentse boerderij. Van der Molen reikt zijn vriend zestien in ringmapjes gestoken bundels aan. «Het begint me onderhand wel dwars te zitten dat ze niet uitgegeven worden. Straks ben ik er niet meer en gaat het met de vuilnis mee.» Kapteijn reageert geschokt. Hij kondigt aan zich te ontfermen over de nalatenschap. Als de zon laag staat, start Van der Molen zijn Peugeotje. Een half uur later zwaait hij op station Beilen de intercity na.