Wie schrijft die blijft (16)

Vergeten dichters Pierre van Vollenhoven & Wim de Vries

Eerlijke werkers en boze bazen, daarover dichtten in de jaren zeventig de proletarische poëten Pierre van Vollenhoven en wijlen Wim de Vries. «Het heeft me zestien werkgevers gekost.» Deel zestien in de serie over vergeten dichters.

ACHMED

Op zijn droef gelaat

komt nooit een lach

wanneer wij schaften gaan

want hij zag

hoe wij lachten

toen een traan

uit een ooghoek kwam

omdat hij in gedachten

thuis aan het eten was

en in vervoering zijn handen

naar de hemel stak.

Pierre van Vollenhoven

Uit: M'n woord een wapen tot verweer (1972)

Als de dag openbreekt komen

ze uit hun holen en

bezetten straten fabrieken

en werkplaatsen als een

leger mieren ijverig maar

minder georganiseerd

en als de avond de huizen

geluidloos inpakt vluchten

zij in koude kamers om bij

schaars lamplicht wat

romantiek te zoeken in

de hoofdfilm op het

eerste net.

Wim de Vries

Uit: M'n woord een wapen tot verweer (1972)

De Rotterdamse aanleunwoning van Pierre van Vollenhoven. Puffend komt de arbeider-dichter omhoog uit een fauteuil aan het raam. Buiten raast verkeer door Kralingen. Een slingerklok slaat twaalf. Met een rolator ploegt hij het tapijt over, zet de televisie zacht. De kamer is spaarzaam gemeubileerd; eettafel, salontafel, stoelen, kastjes. Aan de muur ter decoratie een blaasbalg en een setje tinnen lepels. Afgezien van een paar bandjes op de salontafel nergens boeken. «In de gangkast heb ik een stuk of honderd boeken staan», beweegt zijn witte baard. «Ik ben niet iemand die voor de status zo veel mogelijk uitstalt.» Het was hem een doorn in het oog toen Wim de Vries — zijn overleden collega in de arbeiderspoëzie — zijn lectuur in hoge kasten uitstalde. «Die boeken zijn allemaal nieuw, zei ik, die heb jij geeneens gelezen. Vergeet niet dat je een arbeider bent.»

Eind jaren zestig leerden ze elkaar kennen. Bij een cursus creatief schrijven, aangeboden door de Rotterdamse Kunststichting. Van Vollen hoven: «Met een groepje van twaalf zaten we daar. Wij, de enige arbeiders. We onderhielden een goede band, hoewel ik voelde dat hij ernaar streefde om geaccepteerd te worden door de intellectuelen. Had ik maar gestudeerd, zei hij telkens.» Beiden schreven toen reeds poëzie. De Vries had gedichten gepubliceerd weten te krijgen in Het Vrije Volk, De Nieuwe Stem en Yang. Beider poëzie ging erg over het werk. Over goudeerlijke arbeiders en boze bazen.

wim de Vries kwam in 1923 in Puttershoek ter wereld. Vlak voor zijn dood — vrouw Annie was al begraven — zou hij er terugkeren. Niemand bleek hem nog te kennen. Hij was de zoveelste zoon in een arm proletarisch gezin. Na de lagere school ging hij werken in de suikerfabriek, van zes tot zes, een knaak loon per week. Zomers verdiende hij bij met bietendunnen en aard ap pelrooien. Op zijn zeventiende brak de oorlog uit. De Vries werd tewerk gesteld in Kassel, maak te bombardementen en executies mee. Na de oorlog ging hij bij Fokker in Papendrecht aan de slag. Als pijpenbuiger, tot aan zijn pensionering.

Pierre van Vollenhoven werd in 1927 in Haar lem geboren. Zijn vader, naaste familie van dé Pieter, was een vermogend vastgoed bezitter. Als kind moest Pierre achterstallige huur op halen bij de armen. Keerde tot woede van vader zonder centen huiswaarts. Aardde naar zijn moeder, die afkomstig was uit de arbeidersklasse. Er was een grote badkamer in het weelderige huis, maar als Pierre in bad moest, haalde moeder een teil uit de schuur. Liever dan zijn opleiding aan de gegoede Bloemendaalse school leerde hij bij grootvader beitels slijpen. Toen de oorlog uitbrak, trad hij aan bij de binnenlandse strijdkrachten, maakte antiparachutegranaten onklaar, verloste met een mes een stervende Duitser uit zijn lijden. Vocht na de oorlog als dienstplichtige in Indonesië. Vertrok daarop naar Australië en Nieuw-Zeeland, en ging midden jaren vijftig in Rotterdam als bouwvakker aan de slag. Van vader geërfde kapitalen schonk hij aan familie.

In 1971 had je het Vara-televisieprogramma Van onderen. Het ging daarin om «authentieke uitingen van mensen over hun werk- en leef milieu, zoals die in het openbaar zelden of nooit te horen zijn». De Vries en Van Vollenhoven, ontdekt op de schrijfcursus, mochten voor de camera hun poëzie voorlezen. «Ik las de felste gedichten voor», weet Van Vollen hoven nog. «Over hoe er in de bouw gewerkt werd en hoe er met arbeiders omgesprongen werd. Het heeft me zestien werkgevers gekost.» Vanwege zijn betonspecialisatie kon hij het zich permitteren. In Australië had hij een techniek geleerd die niemand hier kende.

Uitgever Rob van Gennep had de uitzendingen met belangstelling bekeken. In 1972 drukte hij de bundel M'n woord een wapen tot verweer, gedichten uit de arbeidswereld. Vijftien gedichten van Van Vollenhoven, dertien van De Vries. In Van Vollenhovens afdeling titels als «Bouwvak», «Weer werkeloos», «Fabrieks bezetting» en «Achmed». Regels als: «Ik gooide mijn gereedschap neer/ liep naar de mooi geschilderde uitvoerderskeet/ en schreeuwde luid,/ ellendeling, kom die rotte keet eens uit.» En: «De steiger is leeg/ en om het kapitaal te pesten/ heb ik mijn specie laten staan.» In De Vries’ afdeling titels als «Zondagavond of de ballade van een stervend weekend» en «Opgedragen aan alle collega’s die nood gedwongen gebruik maken van het overzetveer Dordt-Papendrecht». Regels als: «Er is nog hoop de voetbalpool/ de loterij een oude oom waarvan iets valt/ te erven maar de sirene van de zaak/ blaast ook die droom aan scherven.» Van Gennep liet achterin de bundel een correspondentie tussen de twee afdrukken. «Beste Pierre», noteert De Vries op 1 september 1972. «Je schrijft dat de verhouding arbeider-dichter steeds moeilijker wordt. Het hangt er helemaal vanaf in welke zin. Je bedoelt waarschijnlijk dat er onder je collegaas weinig of geen belangstelling voor poëzie bestaat. Dat ervaar ik ook. (…) Nee Pierre, de opbrengst van de offers die wij altijd weer moeten brengen, zit nu in de zakken van de heren met het tweede en het derde huis. Zij rijden in een mercedes en jij in een gammele volkswagen.» In zijn antwoord («Waarde kunstbroeder») schrijft Van Vollenhoven over collega Henk: «Na 20 jaar trouwe dienst als klootzak van een stel materialistische schijnintellectuelen, ligt hij 3 hoog te bekomen van een hartinfarct. In zijn gesprekken komt hij steeds terug op het feit dat er van de zijde van de directie geen belangstelling wordt getoond. Ik zag hem voor het eerst met schone handen. (…) Ik heb hem boeken aangeboden, maar hij leest alleen Donald Duck en sportnieuws.» In een ant woord probeert De Vries zijn bedrukte vriend op te beuren: «Je bent ergens mee bezig. Met een pen bereik je meer dan met een geweer. Je bent geen nul, Pierre. Voor mij ben je meer waard dan de klootzak die uitmaakt wat jij mag verdienen en hoe lang je moet werken.»

Sinds een recente hersenbloeding draait Van Vollenhoven zijn zware shag met een apparaatje. Drie weken lag hij in coma. Van de dokter mocht hij niet meer terugkeren in zijn oude krappe woninkje driehoog achter. Enkele maanden zit hij nu hier in bejaardenhuis Hoppestein. Hij rommelt in een kartonnen doos waarin zijn oeuvre sliep. Dichten doet hij nog steeds. ’s Nachts en immer over onrecht en kapitaal. Laatst heeft hij geschreven over stakend treinpersoneel. «De strijd van de machinisten tegen kapitalisten», brult hij door de kamer.

Wat moesten de critici aanvangen met M'n woord een wapen tot verweer? Doodzwijgen ging niet, daarvoor verliep de verkoop te spectaculair — uiteindelijk gingen liefst 6500 exemplaren over de toonbank. Arbeiderspoëzie was in Nederland een vrijwel onbekend fenomeen, in tegenstelling tot de toenmalige Sovjet-Unie en DDR, waar Proletkult op grote schaal bevorderd werd. Je had hier te lande natuurlijk socialistische verzenbakkers als Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst, en verder weg Isaäc da Costa en Willem Bilderdijk. Maar zij allen waren eerder politiek dan proletarisch geïnspireerd. Alleen in de jaren dertig was er rondom het Rotterdamse periodiek Links Richten — onder redactie van Jef Last, Nico Rost, Freek van Leeuwen, Frans Goedhart en de oude Gerard van het Reve — kortstondig sprake van geweest. Maar ook in Links Richten, dat verder kromde onder lappen Lenin en Gorki, ging het om verheffing van de arbeider, binnen een communistische heilstaat welteverstaan: «De vlag waait rood van den toren/ bij de nieuwe traktorenfabriek:/ de ronkende zang der motoren/ het drillend gesnor van de boren/ dat is onze Sowjet-lyriek», aldus een vers van Jef Last. In M'n woord een wapen tot verweer ging het dertig jaar later niet langer om verheffing, maar simpelweg om het in gedichten aantonen van «de als frustrerend ervaren werk- en leefsituatie van de arbeider», zoals Anton Korteweg het in Het Parool omschreef. «Deze poëzie moet dan ook eerder als document humain dan als pamflet, of als directe maatschappijkritiek, gelezen worden.» Indien zo gelezen konden volgens Korteweg zeker de verzen van De Vries er wel mee door. Kees Fens schreef in De Standaard dat «er schietgelegenheid te over» is wanneer de gedichten als gedichten beoordeeld en gelezen worden. Je kunt maar beter «de kritische fakulteit van de poëzielezer en -eiser» uitschakelen en kijken naar wat «de teksten inhoudelijk overbrengen». «Het klinkt hard, maar in feite is deze bundel sociologisch interessanter dan literair», aldus Fens.

Van Vollenhoven las geen besprekingen. Te druk als hij was met werk en schrijven. «Ik begon ’s ochtends om zes uur en ging door tot ’s avonds zes. Gaande de dag kwamen ideeën voor gedichten op, de wantoestanden lagen voor het opscheppen. ’s Nachts schreef ik het dan neer, op mijn kleine kamertje. Ondertussen riep mijn vrouw dat ik moest slapen, ze begreep geen snars van dat dichten.» Als hij ze de volgende dag hardop voorlas, herkenden alle collega’s zich erin. In de schaftkeet zat Van Vollenhoven altijd te lezen. Op een keer kwam een van de bazen binnen. «Hij vroeg of ik een seksboek las. Ik zei: van wat ik lees begrijp jij geen donder.»

De kranten drukten die dagen het ene interview na het andere af. Extra publiciteit ontstond toen het arbeidersduo in december 1973 onderscheiden werd met de prijs van de Culturele Raad van Zuid-Holland. «Het blijkt dat we nu ook in hogere kringen serieus worden genomen», zei De Vries tegen de Haagsche Courant. Uit het vraaggesprek blijkt dat hij in die dagen veel meer uit was op literaire erkenning dan Van Vollenhoven. «Arbeider-schrijver zijn betekent zo vaak dat je het alleen hebt over de verhouding werkgever-werknemer, over sociale misstanden en zo. Dat terrein is me te klein», aldus De Vries. Bij de Rotterdamse Kunststichting had hij toen al een vervolgbundel gepubliceerd: Zand, zeep en soda. Bovendien werkte hij aan een toneel stuk en had hij de Werkgroep voor Arbeidersliteratuur Rotterdam (WAR) mede opgericht. «Daarbij lees ik ontzettend veel», aldus De Vries tegenover de Haagsche Courant. «Een dichter als Hans Lodeizen, er gaat geen dag voorbij of ik lees zijn gedichten.» «Ik hoef niet zoveel te lezen», zei Van Vollenhoven tegen de interviewer. «Ik ben niet de man die goed gaat studeren om daarna de leer die ik net gelezen heb te gaan verkondigen. (…) Een persoon zoals ik heeft ruime kennis van de wereld der mensen en van de wereld der dingen, niet van de wereld der boeken.»

De Vries woonde in die dagen in Dordrecht boven een dierenasiel, waar hij in de weekenden als vrijwilliger hielp. Op een dag kwam de gevierde dichter Cees Buddingh’ met vrouw Stientje langs om een jong katje uit te zoeken. De Vries herkende Buddingh’ van de omslag foto’s op diens bundels die hij leende uit de bibliotheek. Hij vroeg Buddingh’ zijn verzen te lezen. Buddingh’, op dat moment conform de heersende Barbarber-opvattingen volledig in de ban van alledaagsheid in de poëzie, was zeer enthousiast over de verzen van deze doodgewone Jan met de pet. Hij noodde de dichter bij hem thuis. Vanaf dat moment kwam De Vries zaterdags steevast Duits voetbal kijken. Ook werd er, vaak in antiquariaat Oud Dor drecht, ernstig gepraat over literatuur. Buddingh’ hielp De Vries in 1975 zijn derde bundel Van 8 tot 5 bij Bruna gepubliceerd te krijgen. Tevens regelde hij een optreden voor de dichter op Poetry International. En Buddingh’ nam hem mee op een literair reisje langs de Rijn, met Remco Campert en Harry Mulisch. Een stipendium werd gearrangeerd, zodat De Vries minder tijd in de fabriek hoefde door te brengen. Bij het verschijnen van Zwaar bewolkt, enkele opklaringen, zijn vierde bundel, was De Vries literair geaccepteerd. J. Bernlef en Theun de Vries waren hem uitgebreid komen interviewen. Hans van de Waarsenburg stak in De Limburger de loftrompet. Gerrit Komrij nam in zijn bloemlezing een vers van hem op. Het leek of Rein Bloem in Vrij Nederland de enige was die de arbeiders poëet niet bewonderde: «Dat heeft niets te maken met een vooruitgeschoven intellektuele positie of een kapitalistisch vooroordeel, maar alles met een ingekankerd wantrouwen tegen enkelvoudige boodschappen en schamper klein grut.» Bij zijn dood in 1994 had De Vries nog twee bundels uitgebracht, Bekentenissen uit een vervlogen liefdeleven (1989) en Terug naar Kassel (1990), waarin hij al rijmende zijn dwangarbeiderservaringen onschadelijk maakte. «De begrafenisplechtigheid werd behalve door familieleden van de overledene bijgewoond door een schare vrienden uit de literaire wereld», schreef De Dordtenaar. De Vries werd postuum geëerd met een door Martin Mooij bezorgde keuze uit zijn nagelaten gedichten. Bovendien drukte de gemeente Rotterdam een dichtregel van De Vries af op een vuilniswagen: «De laatste traan zal als een/ bloesem opengaan».

«Ik had geen idee dat hij dood was», zegt Van Vollenhoven. Pas weken later kwam hij een obscure Rotterdamse dichter tegen die hem zei dat De Vries begraven was. Van Vollenhoven was ontsteld. Geen idee waarom hij niet in kennis was gesteld, hoewel er natuurlijk wel een kloof was gaan gapen. «Wim ging de artistieke kant op. Hij kwam niet langer op voor de problemen van zijn collega’s. We hebben er gesprekken over gehad. Zo moest het lopen, zei hij dan.» In het begin was Van Vollenhoven nog weleens mee geweest naar Buddingh’. «Ik herinner mij een studeerkamer met enorme leren clubfauteuils. Zat hij te zuipen als een gek. Ik las die gedichten van hem weleens. Allemaal bloemetje, roosje, noem maar op. Prima, maar hij schreef niet over de waarheid van het leven. Hij vond niet dat de poëzie in dienst moet staan van het verzet. We zijn ook eens bij een expositie van hem wezen kijken, allemaal luciferdoosjes met poppetjes of andere voorwerpen erin.»

Het intensieve voorleesprogramma dat de twee af te werken hadden, was de vriendschap evenmin ten goede gekomen. «Moesten we weer met studenten in discussie. Op een keer zei er eentje iets over z'n moeder. Toen zei ik: als je dat probleem hebt moet je niet studeren, dan ga je werken om voor haar te kunnen zorgen. Dat viel niet in goede aarde. Na het voorlezen kreeg Wim honderd gulden aangeboden en ik niks. We waren met mijn auto. Op de terugweg zweeg Wim in alle talen.» De Vries was een keer op bezoek geweest en had zijn nieuwe kleurentelevisie met belangstelling bekeken. «Ik had dat ding op afbetaling. Tegen zijn literaire vrienden heeft hij toen gezegd dat ik dat toestel van mijn werkbeurs had gekocht.»

Van Vollenhoven vond zijn literaire kom panen niet in salons maar in Rotterdamse uitspanningen. Boven het borrelglas leerde hij Jules Deelder, Riekus Waskowsky, Frans Vogel, Cor Vaandrager en Manuel Kneepkens kennen. Bij café Anna aan de Binnenweg. «Ik werd niet echt geaccepteerd, was veel te veel een anarchist.»

Van Vollenhoven raakte stevig aan de drank. «De werking van de ingenomen tabletten met een hoeveelheid cognac voelde hij door zijn bonzende hoofd suizen als een vlucht in brand gestoken kakkerlakken», noteerde hij in een dagboek op zijn «22205ste levensdag». Een tijdlang sliep hij in portieken en bedelde om geld. «Van de tien aangesprokenen waren er hooguit maar vier die weigerden en het gebeurde maar zelden dat hij de tering werd gescholden», aldus het dagboek. Het gaf niets dat zijn vrouw stierf. Want «van sex wilde zij al jaren niks meer weten. Toen zij pas getrouwd waren mocht hij niet meer dan een keer per week met haar votsen».

Een beetje klaarte in de duisternis bracht vriend Rik Blok die uitgeverij Futile oprichtte. Daar kon Van Vollenhoven zijn revolutionaire hymnen kwijt. In 1980 en 1981 werden Epos van een arbeider respectievelijk Arbeider, gastarbeider, lastarbeider uitgegeven. Ook De Geus durfde in 1981 een bundel van hem aan: Jaag de vrede na.

Van Vollenhoven kon De Vries pas werkelijk vergeten toen hij kunstenaar-dichter Beb Hofland tegen het lijf liep. «Dat was tenminste een echte arbeider, in zijn verzen trouw aan zijn arbeidersverleden. Beb had een eigen tuin, met ezeltje en paard en konijnen. Zat in de beton.» Futile bracht in 1984 een gezamenlijke bundel uit, Samen over leven. Het werkje werd door het Brabants Nieuwsblad genadeloos gekraakt: «de invalshoek is een moedwillige links-communistische verdraaiing van de werkelijkheid van het grootste deel van de denkwereld van de geschetste bouwvakkers en metaalbewerkers. Van Vollenhoven heeft het ronduit over de smeulende revolutie, terwijl hij laat pleiten voor een Russische bezetting van ons land.»

Inmiddels is het contact met Beb Hofland verwaterd. Bij Uitgeverij Rotterdams Persagentschap wist Van Vollenhoven in 1990 nog een twintigtal rauwe «straatgedichten» gebundeld te krijgen. Toen was het gedaan met de proletarische poëzie in Nederland. In de loop der jaren liet Van Vollenhoven veel verzen ongepubliceerd in de kartonnen doos verdwijnen. «Het maakt me niet uit wat er verder mee gebeurt», zegt hij. «Neem het gerust mee. Gooi het weg of verbrand het.»