Vergeten helden

Nelson Mandela wordt wereldwijd vereerd als een apostel van de geweldloosheid samen met andere historische figuren: Mahatma Gandhi en Martin Luther King. In werkelijkheid stichtte en leidde Mandela de militaire tak van het ANC, Umkhonto we Sizwe (Speer van de Natie) die aanslagen pleegde op militaire doelen en politiebureaus. De terreur van het apartheidsregime had in 1960 zulke gewelddadige vormen aangenomen dat de strategie van geweldloos verzet moest worden verlaten. Met alle morele dilemma’s van dien. In een politiestaat is, anders dan in een rechtsstaat, geweld soms een legitieme uitoefening van het recht op verzet (dat na de oorlog terecht in de Duitse grondwet is vastgelegd).

Was Mandela een terrorist? Natuurlijk niet. De recente biopic van Jean van de Velde over Bram Fischer, die in 1964 Mandela en acht andere ANC-leiders als advocaat bijstond in het Rivonia-proces, laat indringend zien wat het verschil is tussen verzetsstrijders en terroristen. Bram Fischer was een joodse communist die alleen dankzij toeval niet zelf in de beklaagdenbank zat – ook hij maakte deel uit van Umkhonto we Sizwe. Hij slaagde erin Mandela en zijn medebeklaagden van de doodstraf te redden. In 1966 kreeg hij als ‘communistische terrorist’ levenslang. De omverwerping van de apartheid heeft hij niet mogen meemaken, hij stierf in 1975.

Tot de film uitkwam, was Bram Fischer een van de vergeten helden van de geschiedenis, ook al was er het nodige over hem geschreven. Wat dat betreft is er een parallel met de Nederlandse verzetsstrijder Gerrit Kastein. Ook over hem is veel gepubliceerd. Buck Goudriaan schreef de biografie Verzetsman Gerrit Kastein, 1910-1943. ‘Een communistische intellectueel van een vreeswekkende koelbloedigheid’, Rudi Harthoorn wijdt vele pagina’s aan Kastein in Vuile oorlog in Den Haag: Bestrijding van het communistisch verzet tijdens de Duitse bezetting – een boek dat de rol van de Nederlandse politie en inlichtingendienst aan de kaak stelt – en uiteraard besteedde ook Loe de Jong aandacht aan deze bijzondere figuur.

Hij was joods, communist, gepromoveerd neuroloog en psychiater, werkte tijdens de Spaanse Burgeroorlog als ambulance-arts aan het front en behoorde in mei 1940 tot de oprichters van de ondergrondse organisatie van de CPN in Den Haag. Toen de communisten besloten dat er ook gewapend verzet moest worden geboden, nam hij met Jan-Rik van Gilse en Gerben Wagenaar de leiding op zich van de communistische ‘mil(itaire)-groepen’. In die functie was hij betrokken bij sabotageacties en de liquidatie van de gepensioneerde Nederlandse generaal Seijffardt, NSB’er en commandant van het Vrijwilligerslegioen dat aan het oostfront ging vechten, en van de president van de Kultuurkamer, de rabiate nationaal-socialist Reydon, en diens echtgenote. De gelijkgeschakelde krant Het Vaderland schreef over ‘de communistische jood dr. Kastein’ die ‘met heel de harteloosheid van zijn ras jegens Arische mensen’ het echtpaar had omgebracht. Kastein was de auteur van het in 1938 verschenen boek Het rassenvraagstuk, waarin hij de stelling verdedigde dat racisme onvermijdelijk tot oorlog leidt.

Kastein wist wat hem te wachten stond in de kelder van het ­Binnenhof

Op 19 februari 1943 kregen de bezetters hem te pakken. Ze brachten hem over naar het Binnenhof, waar de Sicherheitsdienst zetelde. Kort tevoren was een groep ‘communistische terroristen’ opgepakt en gefusilleerd. Kastein wist wat hem te wachten stond in de martelkamer in de kelder van het parlementsgebouw en verkoos zelfmoord boven doorslaan. Tijdens een onderbreking van zijn verhoor zag hij kans tweehoog het raam uit te springen. De schoonzuster van Menno ter Braak was getuige. Zij kwam op het Binnenhof om te informeren naar haar man Wim ter Braak, die was gearresteerd omdat hij als psychiater in ziekenhuis Zuidwal had geweigerd joodse patiënten aan de nazi’s uit te leveren. Er sprong een geboeide man uit het bovenste raam voor onze voeten, noteerde zij in haar dagboek.

Eerder deze maand vond op initiatief van SGP-woordvoerder Menno de Bruyne in het gebouw van de Tweede Kamer een plechtigheid plaats om de nagedachtenis van Kastein te eren. Het kamertje op Binnenhof 7 van waaruit hij zijn dood tegemoet sprong en dat nu in gebruik is van de SGP heeft zijn naam gekregen. Tweede-Kamervoorzitter Khadija Arib sprak in aanwezigheid van nabestaanden van Kastein woorden die de tegenstelling tussen terrorisme en legitiem verzet eens te meer onderstrepen. ‘Door hem te eren, staan we stil bij de waarde van onze vrije democratie (…) die we altijd moeten verdedigen – in oorlogstijd én in tijden van vrede. Als een onrustig bezit waar we zuinig op moeten zijn. Kastein herinnert ons er bovendien aan dat het in een democratie niet alleen draait om de stem van de meerderheid. Maar ook om de bescherming van minderheden.’

Het verhaal van Gerrit Kastein, dat zo weinig mensen kenden, lijkt in veel opzichten op het verhaal van Bram Fischer.

Waar blijft de film?