Rosita Steenbeek, schrijfster en columniste, woont in Rome © EO

Geen passender dag voor een confessionele omroep om een documentair vierluik over vluchtelingenproblematiek te beginnen dan Eerste Kerstdag met zijn volle herberg; geen beroerder dag waarschijnlijk ook als het om kijkcijferkansen gaat. Daarom een aanbeveling, extra nodig omdat een nieuwe, wanhopige vluchtelingenstroom uit ‘Siberisch’ Oekraïne verwacht wordt, die op zijn beurt, begrijpelijk maar betreurenswaardig, eerdere en andersoortige vluchtelingstromen niet alleen publicitair overschaduwt, maar de bereidheid daarmee op humanitaire wijze om te gaan nog weer verkleint. ‘Nog weer’, want de situatie en kansen van Afrikaanse en Aziatische vluchtelingen zijn al sinds Syrië 2015 sterk verslechterd. ‘Vergeten massa’s’ binnen en aan de randen van Europa. ‘We leven alleen om niet dood te gaan’, zegt een Afghaanse in een Grieks vluchtelingenkamp, ver van de bewoonde wereld, in de tweede aflevering van Viva l’umanità (EO, onderafdeling voormalig IKON). Kernachtig, want er is dak noch werk noch inkomen noch (taal)onderwijs noch essentiële gezondheidszorg noch uitzicht op status. Voor volwassenen de hel, voor kinderen automatisch ook en tegelijk garantie voor continuering daarvan in hun toekomst. Overigens geldt een deel van deze problemen allang ook binnen onze eigen grenzen, deels door onvermogen en onwil.

De opzet van de serie heeft iets merkwaardigs. De ondertitel luidt ‘Rosita Steenbeek geeft menselijkheid een gezicht’, maar in de eerste twee afleveringen die ik kon zien is haar rol als verteller klein en lijkt dat te veel eer. Het gezicht wordt getoond door regisseur Wilberry Jakobs en haar team. Even denk ik dat Steenbeeks naam vooral als trekker moet fungeren, maar dan blijkt uit het EO-persbericht dat ze in een te verschijnen reisboek, met de verhelderende titel Droomland Italië: Van Aleppo naar Turijn, juist over de behandeling van vluchtelingen in Italië schrijft. Wat haar functie hier rechtvaardigt. En doet vermoeden dat ze de film ook aan gezichten heeft geholpen.

Iedereen beseft dat de serie onvermijdelijk wanhoop, uitzichtloosheid en onrecht zal tonen. Maar er is tegenwicht in de vorm van indrukwekkende initiatieven, waarvan een deel kerkelijk, die de menselijkheid uit de titel waar trachten te maken. Deels gedragen door lokale Italianen (deel 1) en Grieken (deel 2); deels door vluchtelingen zelf, van wie uiteraard een deel murw geslagen en passief is, maar anderen over ongebroken veerkracht, uitmondend in activisme, beschikken. Waarvoor die particuliere Europese hulp uiteraard belangrijke steun in de rug is.

© EO

Eerste bezochte locatie is de gemeente Camini in Calabrië, in het uiterste puntje van Italië’s laars, dicht bij de oostkust aan de Ionische Zee. We zijn getuige van een feestelijke gebeurtenis waarin twee demografische tendensen elkaar ontmoeten: leegloop van landelijke gebieden en binnenkomst van migranten. Trots brengt de burgemeester een Pakistaanse familie naar hun nieuwe, eigen huis. Ze hebben ‘een proces van gastvrijheid’ doorgemaakt, zegt hij, dat hiermee wordt bekroond. De puberdochter bedankt hem en de dorpsgemeenschap in vloeiend Italiaans namens haar ouders – die dat zelf nooit zouden kunnen. Ze moeten er dus al flinke tijd zijn: ‘We hebben hier een geweldige jeugd gehad, Italië is ons tweede land, we konden altijd bij jullie terecht.’ Het klinkt en is oprecht. De burgemeester straalt wanneer moeder het lint doorknipt. Straalt ook in het besef dat andere dorpen in de streek vergrijsd zijn en langzaam uitdoven. Stikjaloers zijn die, volgens een bejaard Calabrees echtpaar, dat blij is met nieuw leven, scholen, voortbestaan van hun dorp. ‘Het zijn goede mensen’, zeggen ze. Er zullen, na de komst van de eerste migrant in 2011, geheid ook andere geluiden zijn geweest (waar niet?), maar deze opening stemt blij.

Toch ligt het, gezien alleen al het slot van dezelfde aflevering, complexer. Ook een Afghaanse familie krijgt er een huis. Vader, die gewerkt heeft voor Italianen en zijn leven dus niet zeker was na terugkeer van de Taliban, beschrijft de hel op het vliegveld van Kabul. Zijn gezin kwam uiteindelijk weg, veel anderen niet. Ze belandden in Camini. Voor mijn vrouw is het heel moeilijk, zegt hij: ze is ongeletterd, wat Italiaans leren nog complexer maakt. Ja, bevestigt ze, want mijn vader was heel anders dan mijn man: die vond onderwijs voor meisjes overbodig en ‘toen de terroristen kwamen’ bestond die mogelijkheid al helemaal niet meer. Het was extra reden, ook voor haar, te willen vluchten: bang dat haar dochters ook niet naar school mochten. En nu krijgen ze dus taalles van vrijwilligers (zo niet de meeste dan toch wel veel mensen deugen) en gaan de jongste kinderen naar school. Maar die vragen aan hun ouders om dezelfde dingen die Italiaanse kinderen meekrijgen: sapjes, koekjes, snacks en het soort kleren dat veel kost. ‘Lastig’, zegt vader, want hij zoekt werk maar vond nog geen baan. Thuis had hij drie huizen en een auto, en woonde de grootfamilie bij elkaar in de buurt. Hier moeten ze, alleen, vanaf nul beginnen. ‘Migreren is moeilijk’, zegt hij. Sapjes etc. – het mag triviaal lijken, maar ze staan natuurlijk voor iets veel groters en zwaarders: de totale condition réfugiante.

© EO
‘Goede journalistiek kan niet zonder activisme’

Tussen de Camini-passages zijn we in Rosarno geweest, een uur rijden richting de Tyrreense kust in het Westen. Daar ligt een haven waar nu door de N’drangheta vooral wapens en coke gesmokkeld worden. De omringende vruchtbare grond wordt nog maar deels bewerkt, mede door leegloop. Oogsten doen vooral Afrikanen uit de Sub-Sahara. Schandalig betaald, want aan werkvergunningen en daarbij horende arbeidscontracten is nauwelijks te komen. Vakbonden zijn er niet. Werkgevers vinden het prima zo (niet alle mensen deugen). Van deze slecht gehuisveste, onderbetaalde of werkloze losse arbeiders uit meerdere Afrikaanse landen horen we gruwelverhalen over de reizen hierheen. Met smokkelaars van wier open vrachtwagens menig kameraad gevallen en in de woestijn achtergelaten is. Met andere smokkelaars die hen op levensgevaarlijke boten zetten, wat menigeen ook niet overleefde (‘de Middellandse Zee is de dodelijkste ter wereld’). Libië blijkt voor degenen die dat land overleefden synoniem voor de hel: ‘Ze zien ons daar niet als mensen. Wij zijn moslim, net als zij, maar ze vragen: “Waarom bidden jullie? Jullie gaan toch naar de hel”.’ Racisme in de puurste vorm. ‘De kinderen waren het ergst. Die vielen je aan en als je iets terugdeed, ging je de gevangenis in. Elke dag geslagen daar, met stokken, geweren.’ En als dat niet nieuw is, het kan niet vaak genoeg worden gezegd. Europa betaalt om Afrikanen daar te houden.

Nemen we een positiever beeld. De kustwacht heeft vluchtelingen van een wankele boot gehaald en brengt ze aan land. Je ziet de overwegend jonge mannen juichen. Niet gek na doodsangst en bereiken van bestemming Europa waar zoveel geld en ontbering mee gemoeid waren. Maar dan? Je mag hopen dat je door toeval of hulp stuit op ‘mensen die deugen’. Die vluchtelingen opvangen en/of zich inzetten voor projecten die hun een levenswaardiger lot bezorgen. Huisvesting in een fatsoenlijke hostel bij voorbeeld. Of werken bij een ideële coöperatie die niet uitbuit. De aflevering biedt een aantal voorbeelden, waaronder eentje van de Waldenzen, protestanten die historisch al te goed weten wat vervolging en vlucht betekenen. Een deel van die initiatieven startte nadat in 2010 een opstand van migranten begon tegen racistisch geweld, prompt uitmondend in een ware Afrikanenjacht waarin de maffia voorop ging. Het werd een internationaal schandaal, waarop Brussel met geld kwam voor betere huisvesting. En er zijn nu inderdaad goede, lage flatgebouwen, bedoeld voor Afrikaanse arbeiders. Beetje afgelegen, maar toch. Maar ze staan leeg: ‘Als je hier mensen in stopt, zou dat een oorlog tussen de armen onderling betekenen’, zegt een betrokkene die het goed met de Afrikanen voor heeft. Ik had daar wel wat meer over willen horen. ‘Nee, we gaan de wereld niet redden en het kapitalisme niet vernietigen’, zegt de man van de zuidvruchtcoöperatie met fatsoenlijke lonen, onderdak en behandeling, ‘maar je kunt een vorm van sociale rechtvaardigheid creëren: dit kleine ding werkt’. ‘Il faut cultiver son jardin’, eindigt Voltaire zijn Candide. Maar dit Italiaanse tuintje annex boomgaard wordt beheerd met oog op gans de wereld. Eén druppel wijn in de zee, maar een druppel.

Aflevering 2 betreft dus Griekenland. Is er in 1 een evenwicht tussen aandacht voor migranten en ‘hulpverleners’, 2 is hoofdzakelijk een portret van de Nederlandse Ingeborg Beugel: journalist, programmamaker, activist, hulpverlener, sinds ijzeren tijden in Griekenland wonend en werkend. Ze verdient die aandacht met haar niet aflatende, luidkeelse strijd ten gunste van vluchtelingen en tegen Europa, regeringen, instanties, regelgeving, legale en illegale praktijken die, zacht uitgedrukt, ten nadele van die vluchtelingen werken. Publicitair culminerend in haar optreden tijdens een gemeenschappelijke persconferentie van Mitsotakis en Rutte. Deze voyante ‘dame met de rode hoed’ neemt de microfoon: ‘Premier Mitsotakis, wanneer stopt u met liegen over de pushbacks en de vluchtelingen hier? Er is overweldigend bewijs en u blijft ontkennen en liegen.’ Zo is de man nog nooit toegesproken. Woedend zegt hij dat ze hem niet in dit gebouw mag beledigen (waar wel?) en vraagt of ze op Samos is geweest. ‘Ja’. Uitmondend in welles-nietes. De beelden gaan de wereld over, maken haar tot heldin van verworpenen en tot haatobject van de Griekse overheid, voor wie ze kennelijk al luis in de pels was. Een lastercampagne in de ‘gesubsidieerde pers’ leidt tot een ‘online heksenverbranding’ – zo heftig, dat ze, ook fysiek bedreigd, (Gouden Dageraad mag als neonazistische, criminele organisatie verboden zijn, de aanhang loopt vrij rond) voor bijna twee maanden naar Nederland vlucht. In de film is ze terug in Athene en vecht ze haar Heilige Oorlog voor vluchtelingen, tegen racisme op elementair en structureel niveau. Hoofdlijn: het met een Grieks comité organiseren van een demonstratie door vluchtelingen – de meesten niet langer op eilanden maar op het vasteland weggestopt in verre kampen. Met bussen en spandoeken worden ze opgehaald om in Athene te protesteren tegen hun lot. Het is bewonderenswaardig en tegelijk bekruipt je twijfel over het effect. Maar als het alternatief niets doen is?

© EO

De prijs die ze betaalt is hoog: staatsvijand, afgeluisterd. De Afghaanse vluchteling die ze jaren in huis nam (prachtig onderwerp voor roddelcampagnes; zijn vluchtverhaal een gruwel) betaalt mee: als hij na ruim zes jaar een beschikking krijgt die een eind aan zijn illegaliteit maakt, verdwijnt dat document spoorloos uit het systeem, twee dagen na haar aanvaring met Mitsotakis. Beugels motto, ontleend aan Filipijnse Maria Ressa, Nobelprijswinnaar voor de Vrede: ‘Goede journalistiek kan niet zonder activisme’. Dat valt te nuanceren, maar Beugel bewerkt niet louter haar eigen tuintje.

Wilberry Jakobs (regie), Viva ‘l Umanità, EO, vier delen, zondags NPO 2, 22.40 uur
Deel 1: Italië, 25 december
Deel 2: Griekenland, 1 januari
Deel 3, over Syrische vluchtelingen in Libanon die daar weer weg moeten, 15 januari
Deel 4: Heeft de EU haar ziel verkocht?, over asielbeleid, hekken, muren en pushbacks, 22 januari