OPERATIE IRAAKSE VRIJHEID

Vergeten na te denken

Vijf jaar na de aanvang van de Irakoorlog is er geen consensus in westerse landen over het nut, succes en zelfs maar de werkelijkheid van het conflict. Maar over de gevolgen valt wel iets te zeggen. Een balans van de oorlog in Irak en het Amerikaanse leiderschap in de wereld.

Vijf jaar geleden begon Operatie Iraakse Vrijheid, met een gericht bombardement op Saddam Hoessein en de belangrijkste personen in zijn regime. Zonder de elite, hoopten de Verenigde Staten, zou Saddams bewind wel eens geruisloos in elkaar kunnen zakken en zou Irak met een minimum aan slachtoffers in Amerikaanse handen komen. Maar vijf jaar later is de lijst slachtoffers van de oorlog juist oneindig veel groter dan destijds in het Witte Huis werd gedacht.

Tot de minder besproken slachtoffers van de oorlog in Irak hoort het State Department, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Een korte voorgeschiedenis.

Op 11 september 2001 werd het State Department beheerd door minister Colin Powell, die in de eerste oorlog tegen Saddam Hoessein, in 1991, als voorzitter van de chefs van staven zijn sporen had verdiend. Opperbevelhebber van de coalitietroepen waren toen generaal Norman Schwarzkopf en minister van Buitenlandse Zaken James Baker.

Nadat in 1990 Koeweit door het Iraakse leger was veroverd, verklaarde president George Bush sr. dat deze inbreuk op de internationale rechtsorde ongedaan zou worden gemaakt. Op 11 september van dat jaar hield hij een rede voor het Congres waarin hij verklaarde dat er een ‘ogenblik van zeldzame betekenis’ was aangebroken: ‘Uit het tumult van deze crisis kan een nieuw doel verrijzen: een Nieuwe Wereldorde.’ De daarop volgende maanden werden door zijn regering gebruikt om een coalitie te vormen, niet die van de willing, maar een bondgenootschap.

Saddam Hoessein zwichtte niet voor de toenemende internationale druk. Hij dreigde met de ‘moeder van alle veldslagen’. Op 17 januari begon de luchtoorlog. De daarop volgende landoorlog heeft vier dagen geduurd, met een minimum aan slachtoffers van de coalitie. Koeweit werd bevrijd, Saddam was verslagen, maar de internationale gemeenschap toonde zich niet ontvankelijk voor de Nieuwe Wereldorde. De nieuwe internationale vrede was ontdekt, de Roaring Twenties waren opnieuw begonnen.

Sommige pessimisten maakten zich zorgen. Na het verdwijnen van de Sovjet-Unie zou, bij gebrek aan een nieuw ‘vijandbeeld’, de westelijke eenheid desintegreren. Met de groeiende economie en onweerstaanbare opmars van internet was het tijdperk van de eeuwig groeiende welvaart en de fundamentele, mondiale democratisering begonnen.
Dat was de overheersende stemming in ons deel van de wereld. De Joegoslavische burgeroorlogen konden het optimisme niet bederven. Dat er ten slotte door Amerikaans ingrijpen een einde aan werd gemaakt, werd beschouwd als een soort natuurgegeven.

In 2000 werd George Bush jr. president. In feite benoemd door het Hooggerechtshof, tegen de meerderheid van de popular vote, de meerderheid van de kiezers. Al vlug, met het opzeggen van het verdrag van Kyoto, werd duidelijk dat Washington een nieuwe, naar het unilaterale neigende koers zou gaan varen. America first, en de rest moest het zelf maar uitzoeken, was de essentie van de boodschap. In de onbedreigde wereldvrede die toen leek te heersen, was dat niet eens zo bedreigend.

Was daarmee het Atlantisch bondgenootschap achterhaald? Dat bleek op 11 september 2001. De beste samenvatting daarvan is gegeven in het hoofdartikel van Le Monde de dag erna: ‘Nous sommes tous des Américains’. Al vlug werd duidelijk dat deze solidariteit door Washington werd genegeerd. De Amerikaanse regering gaf er de voorkeur aan het nieuwe unilaterale beleid voort te zetten. Dat was tegen de in 1917 begonnen traditie, tegen het initiatief van president Woodrow Wilson tot oprichting van de Volkenbond, in 1919. Toch keurden de Europeanen het goed dat de Verenigde Staten in Afghanistan zonder bondgenootschappelijke steun met de Taliban afrekenden.

Pas in de loop van 2002 is het Europa geleidelijk duidelijk geworden dat de traditionele buitenlandse politiek van dit Washington was opgeheven. In de loop van dat jaar begon het in Europa te dagen dat Bush en de neoconservatieven Saddam Hoessein als wereldvijand nummer 1 beschouwden en dat een nieuwe oorlog onvermijdelijk was. Het voorspel bestond uit een mengsel van leugens, vergissingen en idealistische waandenkbeelden. Daarmee zijn het Amerikaanse publiek en de Europese geestverwanten en goedgelovigen oorlogsrijp gemaakt. Het resultaat is een catastrofe, die nu als zodanig door de grote meerderheid van de Amerikaanse kiezers en het bezorgde buitenland wordt erkend. Dit werkt in laatste instantie in het nadeel van alle partijen, omdat het wat nog altijd de grootste macht ter wereld is in een toestand van isolement en onzekerheid heeft gebracht.

Door het moeras van Irak en Afghanistan hebben in de afgelopen vijf jaar de Amerikaanse politiek, de diplomatie en de krijgskundige inzichten hun geloofwaardigheid verloren. En er zijn geen vervangende machten die in dit mondiale hiaat kunnen voorzien. Het gaat nu niet over de vraag wie daarvan de schuld dragen. Het is een politiek feit van wereldbelang dat vijf jaar na het begin van de oorlog in Irak er geen partij is die een oplossing biedt voor de problemen in Irak en Afghanistan, en dat het Westen zijn samenhang heeft verloren. En dat is een historische ramp.

Het verlies aan samenhang in het Westen is pijnlijk zichtbaar waar het de Irakoorlog betreft. Zelfs jaren na de aanvang ervan ontstaat er maar geen globale consensus in westerse landen over het nut, succes en zelfs maar de werkelijkheid van het conflict.

Een voorbeeld is de verdeeldheid over The Surge. 2007 was het jaar van de tijdelijke toename van de Amerikaanse troepen in Irak met bijna dertigduizend man. Het was een zeer omstreden operatie, die na jaren van wegglijdende steun voor de war of choice van president George Bush het historische oordeel over de inname van Irak kon gaan bepalen.

De doelen waren hooggestemd. Kort voor The Surge in juni afgelopen jaar begon, vatte de huidige stafchef van de Amerikaanse strijdkrachten het doel van de operatie samen. ‘Veiligheid is essentieel om de regering van Irak een adempauze te geven die zij nodig heeft om naar nationale politieke verzoening en economische groei toe te werken’, aldus admiraal Michael Mullen. ‘Zonder die zaken zal geen enkele hoeveelheid militairen in Irak iets kunnen betekenen, hoe lang zij ook blijven.’

Ook voor de regering-Bush was het doel van The Surge niet militair succes, maar het bereiken van politieke verzoening en economische groei. Om die doelen concreet en meetbaar te maken, stelde het Witte Huis achttien benchmarks op: concrete punten waarop verbetering zichtbaar moest zijn. Al in juli waarschuwde de onafhankelijke Government Accountability Office (goa), de Amerikaanse Rekenkamer, dat de meeste benchmarks niet zouden worden gehaald. Maar het Witte Huis bleef optimistisch. Eind augustus, even voordat de goa zijn eindrapport zou publiceren, verklaarde Bush de operatie een succes. ‘Door heel Irak zien burgers dat hun lokale en provinciale overheden weer beginnen te werken’, aldus de Amerikaanse president.

Een paar dagen later haalde de goa die claim hard onderuit: van de achttien benchmarks had de Iraakse regering er drie gehaald. Bij belangrijke punten als een eerlijker verdeling van olie-inkomsten, garanderen van eerlijke rechtshandhaving door Iraakse veiligheidsdiensten en bestrijden van sektarisme in en politiek misbruik van die veiligheidsdiensten, plaatste de goa een dikke min.

Maar hoe duidelijk het oordeel ook was, hiermee was het pleit allerminst beslecht. Het Witte Huis hield simpelweg vast aan zijn eigen visie. Tegenstanders bleven wapperen met het goa-rapport, waardoor dat vanzelf een politieke bijsmaak kreeg. Sindsdien heten de benchmarks bij conservatief Amerika ‘onrealistische doelen’ en een ‘excuus voor capitulatie’.

Ongeacht wie er nu politiek baat bij had en wie niet, de benchmarks en het rapport van de Government Accountability Office daarover vatten de problemen waar Irak mee kampt nauwkeurig samen. In een notendop is dat: de veiligheidssituatie verbeterde in 2007 en op sommige economische en politieke terreinen werd vooruitgang geboekt. Maar de voortekenen wijzen erop dat die verbeteringen slechts tijdelijk zullen zijn. Wezenlijke economische en politieke samenwerking tussen de verschillende groepen in Irak blijft uit, en als de VS deze zomer hun soldaten beginnen terug te trekken, zullen de zaken in Irak meer en meer op scherp komen te staan.

In dat opzicht vormde Basra, de tweede stad van Irak, het afgelopen jaar een sombere testcase. Tussen september 2006 en maart 2007 trachtte de Britse bezettingsmacht de milities in de stad te verslaan en overdracht van de stad aan de Iraakse autoriteiten mogelijk te maken. Operatie Sindbad verminderde het geweld enigszins, maar direct erna begonnen de Britten zich terug te trekken en sinds december hebben ze de stad verlaten. Al in de vorige lente begonnen de berichten over bendeoorlogen, ontvoeringen en gruwelijke moorden op tientallen vrouwen die zich ‘onislamitisch’ hadden gekleed naar buiten te stromen, tot ook Iraakse journalisten hun werk niet meer konden doen.

De grote vraag die rest betreft de gevolgen van de oorlog op lange termijn. Voorspellingen zijn er genoeg geweest, maar die zaten er doorgaans naast. De grootste miskleun kwam op naam van de neoconservatieve ideologen die de grootste voorstanders van de oorlog waren. Geen juichende massa’s, geen fonkelende, welvarende democratie die de Arabieren de schellen van de ogen rukt. Anderzijds is de wereld (nog) niet door de rampen bezocht die sommigen voorspelden door de enorme schade die was toegebracht aan het Amerikaanse leiderschap in internationale zaken.

Wat dat leiderschap betreft hebben de VS een bijzonder merkwaardige vijf jaar achter de rug. Om te beginnen door enorme polarisatie in eigen land. ‘Iedereen die de oorlog niet steunt, zou in een ander land moeten gaan wonen. Misschien zullen ze daar dan dankbaar zijn voor waar wij voor staan en waar onze troepen voor vechten’, luidde een typische ingezonden boodschap op de website van cnn in maart 2003. Zelfs de media – zo moesten zijzelf na afloop tot hun schaamte vaststellen – bogen met de storm van hypernationalisme mee.

De afgelopen vijf jaar vormden in dat opzicht een herinnering aan de Amerikanen zelf en het buitenland hoezeer het nationalisme in ’s werelds belangrijkste democratie kan worden opgeklopt en gestuurd naar politieke doeleinden. Het verschijnsel werd dan ook veelvuldig geanalyseerd. Een interessante visie kwam van de aan de Carnegie-denktank verbonden Chinees Minxin Pei. Amerikaans nationalisme is niet gebaseerd op etniciteit, maar op een geloof in de superioriteit van Amerikaanse idealen. Daarom vinden Amerikanen hun vaderlandgevoel superieur aan ‘etnisch’ nationalisme. En dat creëert twee onfortuinlijke paradoxen in de Amerikaanse beleving, schreef Pei in het blad Foreign Policy. Ten eerste zijn Amerikanen zeer nationalistisch, maar zien ze zichzelf niet zo: ze zien hun vaderlandsliefde als logische aanbidding van het beste land ter wereld. Ten tweede leidt hun minachting voor ander nationalisme dan hun eigen er telkens toe dat zij het nationalisme in andere landen onderschatten. In de landen die zij uitkiezen voor messianistische projecten, bijvoorbeeld, van Vietnam tot Somalië tot Irak.

De Irakoorlog past wel op meer manieren in de Amerikaanse geschiedenis. Vergelijk de bittere lessen die achteraf uit de inval in Irak werden getrokken bijvoorbeeld met wat historicus Russel Weighly schreef in zijn standaardwerk The American Way of War, dat uitkwam in 1973. Volgens Weighly draait de Amerikaanse benadering van oorlog rond het verlangen een crushing victory te behalen op de tegenstander, en reiken de gedachten zelden verder dan dat. Hoe die militaire overwinning moet worden vertaald in een blijvend strategisch succes is iets waar Amerikaanse oorlogsleiders telkens over vergaten na te denken, door de hele geschiedenis van de VS heen. Het zijn woorden die je 35 jaar na hun publicatie met verbazing terugleest.

Ook het prepareren van de Amerikaanse publieke opinie voor de oorlog, de gezochte aanleiding voor de inval in Irak en de slechte diplomatie vooraf zijn geen noviteiten. De VS zijn zelden een oorlog ingestapt zonder een dubieus startpunt. Een greep uit de Amerikaanse geschiedenis levert een schermutseling bij een hacienda op (Amerikaans-Mexicaanse oorlog), een nooit opgehelderde explosie op een voor anker liggend marineschip (Spaans-Amerikaanse oorlog), een aangekondigde aanval op een passagiersschip dat niettemin werd volgeladen met passagiers (Eerste Wereldoorlog) een onduidelijk schietincident (Vietnamoorlog) en twee blunderuitspraken van Amerikaanse diplomaten (Golfoorlog en Korea-oorlog). En ook bij eerdere oorlogen werden wreedheden verzonnen of uitvergroot, reclamebedrijven ingehuurd voor bewerking van het publiek en allerlei variaties van het argument ‘God is on our side’ gebruikt.

Een goede graadmeter voor het politieke klimaat in de VS zijn doorgaans boeken die de nationale politieke missie voor de komende decennia schetsen. Bush’ internationale koers na de aanslagen van 11 september 2001 werd gesteund in boeken als Of Paradise and Power, waarin auteur Robert Kagan vaststelde dat de week geworden Europeanen ‘van Venus’ kwamen en geharde Amerikanen ‘van Mars’. Of in Surprise, Security, and the American Experience van de ooit kritische John Lewis Gaddis, die unilateralisme, hegemonie en preventieve aanvallen prees als Amerikaanse deugden die hun historische waarde voor de Vrijheid hadden bewezen.

Het mislukken van Bush’ missie in Irak genereerde een ander slag boeken. Een reeks gerenommeerde auteurs – Richard Haass, Andrew Bacevich, Anatol Lieven en de van zijn neoconservatieve geloof gevallen Fukuyama – pleitte voor een herleving van Realisme met hoofdletter: weg met idealisme en grootse projecten, en daarvoor in de plaats het sober nastreven van Amerikaans eigenbelang. Welke nieuwe president er ook komt, die teneur zal waarschijnlijk het buitenlands beleid van de VS gaan bepalen.

Voor het Midden-Oosten is dat wellicht een zegen. Een kritischer bondgenootschap met Israël, minder ideologische fixatie met Iran, een realistischer afweging van de situatie in Irak en meer afstand tot het Saoedische regime kunnen alleen maar goed uitpakken voor de VS zelf en het Midden-Oosten als geheel.

In het Midden-Oosten bestaat vaak een groot contrast tussen de stroom incidenten die de regio genereert en de onveranderlijkheid van de structuur eronder. Presidenten zitten er eindeloos op het pluche en veel problemen van de regio zijn al decennia dezelfde: de positie van Israël, het conservatisme en de leiderschapsambities van Iran en Saoedi-Arabië, de tikkende sociale problemen en de repressie van politieke pluraliteit.

In die eindeloos borrelende, maar zelden overkokende regio is Irak een nieuw en onvoorspelbaar risico geworden. Een extremistisch kalifaat dat de wereld overspoelt met geweld, zoals neoconservatieven het gevaar soms voorstelden, kan van de lijst met mogelijke uitkomsten worden geschrapt. De problemen van de regio blijven in hoofdzaak regionale problemen, hoe wrang dat na de mislukte westerse interventie ook is om vast te stellen.

Voor de wereld als geheel zou de Irakoorlog wel eens heel andere effecten kunnen hebben dan aanvankelijk voorspeld. De Amerikaanse politicoloog Michael Mandelbaum zette in 2006 de huidige situatie provocatief op een rijtje. In de huidige wereld zijn de VS een soort de facto wereldregering geworden, aldus Mandelbaum: ze verstrekken veiligheid en strafacties, commerciële regulering, financiële infrastructuur en de juridische standaard. De belangrijkste internationale organisaties – Navo, Wereldhandelsorganisatie, VN, G8 – zijn allemaal door de VS opgericht en hebben de wereld een Amerikaans managementmodel gegeven. Dat model diende in de eerste plaats Amerikaanse belangen, maar ook die van een reeks andere landen. Zolang de uitglijders van de VS in dat systeem incidenteel zijn – zoals Irak, of een stevige recessie – vergeven de anderen het, want er is geen beter alternatief.

Een probleem wordt het pas, stelt Mandelbaum, als het systeem niet meer goed werkt en de Verenigde Staten structureel hun taak beginnen te verzuimen. En daar komen steeds meer tekenen van. De afgelopen jaren saboteerden de VS de voortgang van internationaal recht en milieuafspraken, wakkerden zij hun structurele overconsumptie alleen maar verder aan en ondergroeven hun eigen economische betrouwbaarheid. Dat alles vertaalt zich in een afnemend vermogen om internationale steun te genereren. Maar een goed alternatief voor het Amerikaanse systeem ontbreekt vooralsnog, en de internationale betrekkingen zullen daarom niet snel een compleet nieuw gezicht krijgen.

Toch sluit de Irakoorlog een uitzonderlijke periode af. Meer dan een decennium waren de VS een supermacht die tegelijkertijd op militair, economisch, cultureel, politiek en moreel terrein de wereld domineerde. Na de aanslagen op 11 september 2001 kwam daar nog eens grote internationale solidariteit bij. Maar in de jaren sindsdien is het Amerikaanse leiderschap op al die terreinen danig afgenomen, en daarin had de impopulaire Irakoorlog een hoofdrol. De wereld naar Amerikaans model plús brede internationale instemming daarmee is afgesloten. Met een voor de VS en voor de wereld pover resultaat.