Vergilius’ flutwerk

EEN CLASSICUS die afgeeft op Vergilius, dat is een blinde die kankert op Braille. Al vele malen heb ik getracht een genuanceerd stuk over Vergilius te schrijven, de dichter die - godbeter’t - als Vater des Abendlandes te boek staat, maar even zovele malen werd ik tijdens het schrijven door woede en ergernis overmand. Nu er een nieuwe vertaling van enkele boeken uit de Aeneis is verschenen, ontkom ik er niet aan eindelijk eens te formuleren waarom ik tijdens de lectuur van de op een na populairste dichter aller tijden (bovenaan staat natuurlijk God) een vieze smaak in de mond krijg. Geen nuances dus. Wie Vergilius hoog heeft zitten, doet er goed aan de krant terzijde te leggen.

In 1782 publiceerde Rhijnvis Feith een Verhandeling over het Heldendicht, waarin hij, nog onkundig van het feit dat daarna nooit meer enig epos van betekenis zou worden geschreven - Bilderdijks De ondergang der eerste wereld (1820) is onvoltooid gebleven - een synthese biedt van de belangrijkste theorieen over het genre. Het boek is weinig origineel, maar geeft een betrouwbare indruk van wat men eeuwenlang als de vereisten van het heldendicht had beschouwd. Dit is zijn definitie: ‘Het Heldendicht is het verhaal van een, groot, geheel, waarschijnlijk bedrijf, eener doorluchtige Personaadje in deftige versen.’ Feith benadrukt al in zijn eerste hoofdstuk dat de lezer vanaf het begin belang moet stellen in het verhaal en de personages. Voorts wijst hij erop dat het erg prettig is indien de lezer het wereldbeeld van de auteur deelt. Mocht dit niet het geval zijn, dan moet het werk in ieder geval psychologisch zo goed in elkaar zitten dat men de politieke of godsdienstige denkbeelden voor lief neemt.
Ik zal achtereenvolgens pogen uit te leggen waarom ik geen belang stel in het verhaal, hetgeen samenhangt met de politieke en wereldbeschouwelijke denkbeelden van de auteur, die ik niet voor lief neem; wat me tegenstaat in de voornaamste personages; dat het verhaal onwaarschijnlijk is, en waarom dat erg is; en hoe het komt dat Vergilius’ 'deftige versen’ op den duur op mijn zenuwen werken. Ten slotte wordt over Schrijvers’ vertaling de staf gebroken.
MAAR EERST EVEN het verhaaltje. De Trojaan Aeneas ontvlucht met zijn vader Anchises, zijn zoontje Ascanius en een aantal makkers zijn stad op het moment dat die door de Grieken wordt ingenomen. Zijn moeder Venus heeft hem te kennen gegeven dat hij ergens in het westen een nieuw Troje moet stichten. Onderweg beleeft hij vele avonturen waarvan de auteur ons wil laten geloven dat ze bloedstollend zijn. Zo komt Aeneas na een storm aan in Carthago, waar koningin Dido op hem verliefd wordt. Na Dido wanhopig te hebben achtergelaten, daalt Aeneas in de onderwereld af. Daar toont zijn inmiddels overleden vader hem de zielen die later een belangrijke rol in Rome gaan spelen. Nu beseft Aeneas pas goed waarom het zo belangrijk is dat hij zich in Latium vestigt.
Wanneer hij, halverwege het epos, bij de Tiber is aangekomen, biedt de inheemse koning Latinus hem zijn dochter Lavinia aan. De Rutulier Turnus, die ervan over tuigd was dat Lavinia zijn vrouw zou worden, ontsteekt in blinde woede, en een oorlog is het gevolg. De Aeneis eindigt met de dood van Turnus, maar voor de lezers is dan al duidelijk dat Aeneas nu rustig in Latium kan neerstrijken, en dat de Trojanen samen met de autochtone bevolking de stamvaders van de Romeinen zullen worden.
Van meet af aan wordt ons ingewreven dat Aeneas een grootse missie te vervullen heeft, en dat de moeilijkheden die hij moet overwinnen bijna onmenselijk zijn. Nu valt het met die moeilijkheden in zoverre wel mee dat Aeneas een goddelijke moeder aan zijn kant heeft, die hem op haar beurt verzekert dat ook Iuppiter hem steunt, maar inderdaad zwerft de 'plichtsgetrouwe’ held jarenlang rond. 'Tantae molis erat Romanam condere gentem’ ('zoveel voeten had het in de aarde het Romeinse volk te stichten’), verzucht de verteller in zijn inleiding. Dat is het eerste moment waarop ik denk: als het zo'n gedoe is, doe het dan niet. Is het zo erg als het Romeinse rijk niet tot stand komt? Persoonlijk lig ik er niet wakker van.
IN HET VIERDE BOEK merkt Aeneas op dat het een groot onrecht zou zijn Ascanius niet in de gelegenheid te stellen koning te worden. Hoezo? Er zijn toch wel meer zonen die geen koninkrijk krijgen? Ik begrijp best dat een Romeinse lezer uit de tijd van Vergilius daar anders over dacht, maar het feit dat de stichting van Rome zonder een spoor van onderbouwing als het belangrijkste project ter wereld wordt gepre senteerd, doet mij de wenkbrauwen fronsen. Of, om met Feith te spreken, het belang ontgaat me.
En dat fronsen gaat niet over. Meermalen wordt Aeneas asiel aangeboden, maar steeds vertrekt hij omdat hij van zijn moeder zo nodig naar het westen moet. Pas in het zesde boek, wanneer Anchises hem alvast een blik op de toekomstige Romeinse geschiedenis heeft gegund, wordt ook de lezer ingeprent waarin de Romeinen zich van de rest van de wereld zullen onderscheiden: 'Anderen zullen het brons met groter bezieling vervullen,/ denk ik, en levensechter hoofden uit marmer houwen,/ zij zullen beter het woord kunnen voeren of met hun passer/ hemelbanen beschrijven en rijzende sterren benoemen./ Jij, Romein, moet bedenken: jij bent tot heerser geboren;/ dit zal je specifieke talent zijn: vrede opleggen,/ onderworpenen sparen, neerslaan wie zich verzetten.’ Ja, u leest het goed. Kunsten en wetenschappen worden overgelaten aan Grieken en ander sukkels - de Romeinen vormen een Herrenvolk.
Het is een bekende denkfout de uitspraken van personages toe te schijven aan de auteur. Heeft Aad Nuis zich zo niet eens vreselijk vergaloppeerd aan Kellendonks Mystiek lichaam? Maar niet alleen Anchises, ook de verteller laat voortdurend doorschemeren dat wat hem betreft de hele wereld mag doodvallen, als Rome er maar komt. Ik vind dat abject. Er zijn meer boeken geschreven waarin de meest verschrikkelijke levensbeschouwingen zich aan de lezer opdringen. Wat de protagonist van Be zorgde ouders allemaal over negertjes, godloochenende suikerzieken en katholieke dieren te berde brengt, is bepaald niet fris. Daar staat tegenover dat het boek zo geestig is dat men een onverbeterlijke zuurpruim moet zijn om boos te worden over Reves op hol geslagen fantasieen. Ook het wereldbeeld van Celine mag niet op sympathie rekenen, zodat geen fatsoenlijke liefhebber van diens proza het uit zijn hoofd zal laten expliciet onderscheid te maken tussen een literair en een moreel oordeel.
Kan dat dan niet bij Vergilius? De Aeneis kent wel degelijk passages waarin de schaduwzijde van al dat oorlogsbedrijf aan de orde komt, reden waarom pacifistische lezers pogingen hebben ondernomen het werk als antimilitaristisch manifest te duiden. Het probleem is echter dat de dichter er, overal waar het er echt op aankomt, geen doekjes om windt dat hij oorlog onvermijdelijk acht. Koste wat het kost zal het Noodlot zijn gerechtvaardigde imperialistische doelstellingen realiseren. Dat Vergilius ondertussen de indruk wekt een wijze humanist te zijn die o zo veel oog heeft voor de tragiek van ons bestaan op aarde, maakt het alleen maar erger. Stabiliteit, vrede, law and order, plichtsgetrouwheid jegens je familie, je vaderland en de goden: allemaal prachtige waarden die de basis van onze beschaving vormen en ons, kinderen van de Verlichting, onderscheiden van barbaarse Hutu’s en Tutsi’s. Nee, wij slachten elkaar niet af. Wij zijn geabonneerd op een intellectueel weekblad en drinken whisky van tachtig gulden, zoals de Romeinen Plato lazen en, in tegenstelling tot de gerstenat slempende Germaanse en Gallische horden, van hun door tienduizenden allochtone slaven geproduceerde Falernische wijn nipten.
Het is Vergilius’ hypocriete humaniteit waarvan ik zo misselijk word. Vaak zijn het ogenschijnlijke minieme details die ons zijn ware gezicht tonen. Wanneer Dido Aeneas haar voorgeschiedenis vertelt, merkt zij bijvoorbeeld terloops op, alsof het iets doodgewoons is: 'Belus, mijn vader, verwoestte/ toen het vruchtbare Cyprus en hield het onder zijn toezicht.’ En Anchises, die vriendelijke opa, wijst Aeneas op de zielen die later de veroveraars van Griekenland zullen worden: 'Daar is de held die na de triomf op het Griekse Corinthe/ naar de top van het Capitool in zijn wagen zal rijden;/ hij zal Argos verdelgen en ook Agamemnons Mycene.’
Ja maar, zal men mij tegenwerpen, voor een Trojaan als Aeneas zijn Grieken toch vijanden? Inderdaad. Maar ik vermag niet in te zien waarom zo'n wraakactie na duizend jaar daarom minder weerzinwekkend zou zijn. En als het nu nog een literair spelletje was - maar het is puur ideologische mythomanie, poetisch verpakte propaganda om het van bloed druipend bewind van keizer Augustus te legitimeren. Zoasl gezegd, voor nuances hoeft u vandaag niet bij mij aan te kloppen.
EN DAN DE 'doorluchtige Personaadjes’. Aeneas is, en dat kan hij ook niet helpen, een marionet in de handen van het Noodlot, dat zich van de goden bedient om hem zijn heilige opdracht te laten volbrengen.
Dit betekent echter niet dat hij geen vrije wil zou hebben - in ieder geval denkt hij zelf dat er wat te kiezen valt. Ook hier zijn het de details die ons zijn karakter doen kennen. Als hij zijn Trojaanse huis verlaat, neemt hij trouwhartig zijn vader op zijn nek en laat hij Ascanius naast zich lopen. Wel beveelt hij, zonder opgaaf van redenen, zijn vrouw Creusa op afstand te volgen. Tijdens de tocht let hij niet op of zij er nog is. Eerst wanneer ze veilig zijn, bemerkt hij haar afwezigheid. Je zult maar zo'n man hebben!
Wanneer onze held bij Carthago is gestrand, gaat hij op verkenning uit, want hij mist nog een aantal reisgenoten. Zijn moeder hult hem voor de veiligheid in een onzichtbaar makende nevel. Zo bereikt hij de stad en ziet hij de vorstin haar bevelen geven. En warempel, daar komen juist zijn doodgewaande kameraden aanlopen! Springt Aeneas enthousiast op hen af? Welnee, hij wil eerst even kijken hoe zijn vrienden worden ontvangen. Terwijl hij angstvallig in zijn wolk verscholen blijft, laat hij een ander de kastanjes uit het vuur halen. Pas wanneer die hartelijk welkom wordt geheten, doorbreekt hij zijn onzichtbaarheid.
Waar Aeneas Dido vertelt dat hij haar moet verlaten omdat de goden hem dat opdragen, vertaalt Schrijvers zijn laatste woorden als: 'bevel is bevel’. Dat lijkt me een treffende typering van Aeneas’ houding. Iemand met zo'n karakter kan geen tragische rol spelen, want geen mens zal zich met hem identificeren. De dichter schrijft hem weliswaar gevoelens toe, maar die blijken nooit uit zijn daden. Pas helemaal aan het eind, op de laatste bladzijde, wordt Aeneas een - overigens buitengewoon onsympathiek - mens van vlees en bloed, waar hij in een opwelling van wraakzucht Turnus meedogenloos aan zijn zwaard rijgt. Maar verder is Aeneas de grootste loser uit de wereldliteratuur.
Nogal wat lezers hebben zich wel in Dido kunnen verplaatsen. Het arme prinsesje wordt verliefd op bovengenoemde dienstklopper, die haar overigens al bij hun eerste samenzijn meedeelt dat hij naar Latium op weg is. Ingepakt door zijn huilerig relaas geeft ze zich volledig aan hem over. Hij laat het zich een beetje aanleunen, totdat de goden hem opdragen nu eindelijk eens te vertrekken. Het is zonder meer waar dat Aeneas hier - wederom - geen fraaie rol speelt, maar de reactie van Dido lijkt me ronduit hysterisch. Dat ze boos en verdrietig is, ligt voor de hand. Dat ze een eind aan haar leven maakt, onderstreept nog eens hoe labiel haar persoonlijkheid is. Maar dat ze haar landgenoten oproept het toekomstige Rome te vernietigen, gaat een stap te ver. Dat gelooft toch niemand!
IS DE PLOT VAN de Aeneis een 'waarschijnlijk bedrijf’? En zo niet, waarom zou dat eigenlijk moeten? We kunnen ermee leven dat de plots van Samuel Beckett niet uitblinken door waarschijnlijkheid, en Reves stelling dat zijn inkomen begon te stijgen toen hij katholiek werd, duiden we symbolisch of als grap. Welnu, de Aeneis pretendeert de stichting van een wereldrijk mythologisch en metafysisch te funderen. Dat men er behoefte aan had in goddelijke voorbeschikking te geloven, is begrijpelijk; maar dan kun je niet met slappe verhaaltjes aankomen. Wat Vergilius zijn lezers aan theologische verklaringen voorschotelt, is echter te kinderachtig om serieus te nemen.
Ik geef slechts een voorbeeld. De motor achter het verhaal is de gekrenkte trots van de godin Iuno, die het niet kan hebben dat Venus veel mooier is dan zij. Geen tijdgenoot van de dichter kan dit traditionele gegeven letterlijk hebben geloofd. Maar hoe je het symbolisch zou kunnen opvatten is mij een raadsel. Iuno’s kleinzielige irritaties zijn trouwens zo menselijk beschreven, dat de lezer wel gedwongen wordt zich deze onredelijke tante voor te stellen als een iets te zwaar opgemaakte trut in de overgang. Dat had grappig kunnen zijn, maar in een verder bloedserieus gedicht detoneert het als keyboards in een cantate van Bach. De vermenging van realisme en mythologie komt mij zo gekunsteld voor, dat ik het werk hoogstens als postmoderne collage zou kunnen waarderen, ware het niet dat de Aeneis iets meer pretenties heeft.
MET AL ZIJN bewonderaars ben ik het eens dat Vergilius’ taal prachtig is. Men zou zich de dactylische hexameter kunnen voorstellen als een akkoordenschema van telkens zes maten. In vijf van de zes maten kan de solist of een lange en twee korte noten blazen, of twee lange. Vergilius is een meester in het uitbuiten van alle ritmische mogelijkheden die dit stramien hem biedt. Daarbij lopen zijn melodielijnen - de volzinnen - door subtiele enjambementen vaak niet parallel met het strakke schema. Maar het is allemaal zo monumentaal, zo evenwichtig, en vooral zo humorloos, dat ik na een paar bladzijden snak naar iets vreemds, iets raars, iets heftigs. De doodenkele keer dat Vergilius een grapje maakt, is het domweg niet leuk. En waar hij de vermeende emoties van Aeneas noemt, hoor ik slechts opdringerig aanzwellende vioolmuziek.
De evenwichtige braafheid van Vergilius kan worden geillustreerd aan een beroemde en in het Latijn zeer muzikale passage, waarin Dido de slaap niet kan vatten: 'De nacht was gevallen, vermoeide mensen en dieren genoten/ op aarde een vredige slaap, in wouden en wilde zeeen/ heerste rust en sterren vergleden over hun wegen;/ heel het land is verstild, het vee en de kleurige vogels,/ die op het heldere vlak van de meren of in het ruige/ struikgewas wonen, sluimeren zacht in het nachtelijk zwijgen./ De arme Dido is niet tot slapen in staat’, et cetera. Maar hoe saai deze retorische antithese is, wordt duidelijk als we de aanmerkelijk levendiger bewoordingen van de Hellenistische dichter Apollonios van Rhodos ernaast leggen, die voor Vergilius’ vignet model hebben gestaan: 'Toen bracht nacht duisternis op aarde, en op zee/ tuurden schippers naar de Grote Beer en naar Orions sterren; menig reiziger/ en nachtportier snakte naar slaap; zelfs een moeder wier kinderen gestorven waren, werd door milde sluimering bedekt;/ noch hondegeblaf, noch luidruchtig rumoer was meer in de stad/ te horen, en stilte hield het zwarte donker vast./ Maar Medeia werd niet door zoete slaap gevangen.’
De weidse muzikaliteit van Vergilius’ 'deftige versen’ komt aanzienlijk beter tot haar recht in een gedicht dat ik wel als een meesterwerk beschouw: zijn Georgica, door Ida Gerhardt op niet te evenaren wijze vertaald onder de titel Het boerenbedrijf, dat onlangs opnieuw werd uitgegeven.
DAT BRENGT ONS bij Schrijvers’ vertaling. Wie zich aan Vergilius waagt, moet van goeden huize komen, want er bestaat onder andere al een voortreffelijke prozavertaling van M. A. Schwartz en een versie in vloeiende jamben van Anton van Wilderode. Verder heeft Gerard Koolschijn vorig jaar een prettig leesbare vertaling van het tweede boek gepubliceerd.
Schrijvers gaat er terecht van uit dat een poetische vertaling die de brede dactylische verzen in het Nederlands handhaaft, grote charme kan hebben. Maar het probleem van dactylen in onze taal is dat de eerste lettergreep van het vers beklemtoond moet zijn, wat, gezien onze behoefte aan lidwoorden en voorvoegsels als ge- en ver-, gauw geforceerd aandoet. Het is daarom een goed idee geweest die eis in de eerste versvoet te laten varen, maar de cadans van de hexameter verder zo veel mogelijk recht te doen. Dit zou ook betekenisloze enjambementen, waarbij een regel wordt afgesloten met woorden als van en de, kunnen voorkomen. Wat mij betreft had Schrijvers een grotere vrijheid mogen nemen, want nog steeds eindigen veel regels erg lullig.
Vervelender is dat de vertaling mank gaat aan een onnatuurlijk klinkende mengeling van misplaatste modernismen en rare archaismen, nog afgezien van enkele plaatsen waar nu gewoon nonsens staat. In een ironiserende vertaling kan men er uiteraard voor kiezen woorden als 'dakkapellen’ 'bootvluchtelingen’ en 'toegangsbewijs’ te gebruiken, al zou ik dat nooit doen. Maar dat Grieken 'een keel opzetten’ (dat doen toch alleen kleuters!), of dat een Schrikgodin (als een onderwijzer?) een 'donderpreek’ afsteekt, werkt onbedoeld hilarisch. En wat zou toch een 'echtbreuk’ zijn? Een soort wolkbreuk? 'Met man en muis verdrinken’, hoe doe je dat? Hoe kun je erachter komen dat een kalf onvruchtbaar is? Sinds wanneer is de Tartarus vrouwelijk? Om de haverklap valt ook het woord 'als’, in woordgroepen van het type 'Pyrrhus als zoon’, 'jij als beul’, 'Aeneas als meester’, wendingen die ik 'als leraar’ mijn leerlingen ten sterkste zou ontraden.
Deze opeenstapeling van enormiteiten, gevoegd bij het feit dat de selectie uit de Aeneis (alleen de boeken 1, 2, 4 en 6) verre van representatief is, en dat de annotatie zeker voor niet-classici veel te wensen overlaat, maakt Schrijvers’ boekje helaas tot een volslagen overbodige publikatie.
'Het hoofddoelwit van de Dichtkunst is om door de beweging onzer driften te vermaken’, zegt Feith. Aan driften heeft het mij tijdens de lectuur niet ontbroken. Maar wie van Vergilius wil genieten, kan beter Gerhardts Georgica aanschaffen.