Vergis je niet

Op een dag zal iemand afstuderen op het gebruik van humor in het werk van Merijn de Boer. Het is geen vanzelfsprekende humor, de humor maakt geen logisch deel uit van het repertoire van zijn personages (doorgaans buitengewoon serieuze mensen).

In zijn eerste roman, De nacht (2013), was zijn verteller zo saai en dagelijks dat het op den duur hilarisch werd. Een volkomen oninteressante anekdote van hem over de adoptie van een wezel werd afgesloten met de opmerking: ‘Men moet weten dat er in de Pythagorasstraat, dus vlak bij De Nieuwe Ooster, een uitstekende dierenspeciaalzaak zit, gespecialiseerd in marterachtigen en korenwolven.’

Met teruglezende kracht was die wezel-anekdote inderdaad overdreven gortdroog, en De Boer wist dat heel goed. De anekdote was in feite een vingerwijzing – een instructie aan de lezer: eigenlijk spoort deze verteller niet. Pas honderd bladzijden verder snapte je hoezeer zijn dagelijksheid een maskerade voor zijn gekte was, en daarmee de inzet van de hele roman.

In De Boers nieuwe roman ’t Jagthuys lijkt humor op dezelfde manier te worden ingezet. Het begint allemaal simpel genoeg, met een vlotte pas afgestudeerde Amsterdamse, Vera, die aan de kost komt door mannen te ‘ontknapen’ – een aparte categorie binnen het sekswerken. Op een dag komt ze in een wat vervallen villa aan de Vecht, waar ze toch wel erg gecharmeerd raakt van de jongen die ze moet ontmaagden, Binnert. Alles wordt realistisch verteld, in doodnormaal, kalm proza dat soms wat tegen het ouwelijke aanleunt (De Boer gebruikt woorden als ‘dikwijls’). Geen vuiltje aan de lucht. Tot Vera een date beschrijft, met een tandarts die in zijn vrije tijd liever romans schrijft: ‘“In totaal zijn er vijf vertellers”, vertelde hij ernstig, “een zwerver, een kanarie, een lesbische loodgieter, een romantische bankier die verliefd wordt op de loodgieter en een adamantische, nouvelle-vagueachtige figuur, een anachronistische troubadour die de wereld van nu niet meer begrijpt. En terecht”, zei hij er met een knipoog bij. “Onze maatschappij is hartstikke verknipt als je er goed over nadenkt. Het is in de kern een oerpolitieke roman. Maar dat zie je pas bij vijfde of misschien zesde lezing.”’

Medium boer 2c 20merijn 20
Pardon? Wat is hier aan de hand? De spot is zo bizar, het vloekt volledig met de realistische verteltoon

Een bladzijde later zegt deze tandarts over Reve’s De avonden: ‘Hoe hij naoorlogs Nederland heeft weten neer te zetten in een genadeloze avondschemering, in een periode die een minder kritische denker als een ochtend zou hebben beschreven, dat is werkelijk subliem gedaan.’ Pardon? Wat is hier aan hand? De spot is zo bizar, zo over the top, het vloekt volledig met de realistische verteltoon. Opnieuw geeft Merijn de Boer je hier dus een vingerwijzing: vergis je niet, deze roman is een stuk grotesker dan de stijl verraadt, let op, we zijn hier in sprookjesland. In het sprookje wordt de rol van prinses-in-de-toren in dit geval vervuld door Binnert, die 35 jaar oud is en nog nooit van het erf af is geweest; de boze heks is zijn moeder, die hem heeft wijsgemaakt dat de wereld eng en naargeestig is; de koene ridder is Vera, die voor Binnert valt en besluit hem bij zijn moeder weg te lokken. Haar typering van Binnert is er een die rechtstreeks van een datingsite lijkt te komen: ‘Hij heeft het verstand van een professor en het lichaam van een bouwvakker.’ Hij speelt trouwens zo goed harp dat zijn lerares ooit tegen zijn moeder uitviel dat het een schandaal was de wereld van zijn talent te onthouden.

Deze premisse voelt soms meer aan als iets voor een kort verhaal, maar Merijn de Boer spint van hetzelfde garen een hele roman – misschien dat de stof daarom soms net iets te dun aanvoelt. Er wordt wel heel veel hetzelfde gezegd en gedacht, maar wat je lezende houdt is dat de personages steeds van rol lijken te veranderen. De moeder is niet de kwade genius als verondersteld, Binnerts gevangenschap is misschien zo erg nog niet, Vera lijkt minder de voice of reason dan je verwacht en heeft haar eigen verlangens over relaties die misschien niet zo heel veel afwijken van die van de moeder – je vraagt je af wie nu precies wie wil redden.

Er is nog iets met de premisse van het verhaal: De Boer lijkt de mogelijkheden die de moeder, de zoon en de vervallen villa geven – een incestueus drama? Een gothic horrorverhaal? – links te laten liggen. Heel bewust. NRC beschreef De Boer als een getalenteerde voetballer die een paar verdedigers uitspeelt, en daarna liever de bal in de tribune schiet dan in het doel. Iets soortgelijks had ik bij het lezen van ’t Jagthuys: het gevoel dat hij vanuit een eigen literair program werkt. Hij zoekt anticlimaxen op, maakt afwisselend het vreemde normaal en het normale vreemd – soms lijkt het ene hoofdstuk een correctie op het vorige. Er wordt een hoofdstuk aan een soort amateurdetective besteed die een moordzaak op ’t Jagthuys vermoedt, maar de Boer weet niet hoe snel hij dat plotlijntje weer moet laten vallen. Het is een interessant spel, eentje dat mij op het puntje van mijn stoel hield, verbaasd, soms totaal geamuseerd, soms wild geïrriteerd, maar nooit onverschillig.

Als je er een program in leest, dan zou je denken dat De Boer zich wil verzetten tegen door de plot gedreven romans met personages die hun lessen leren en gelouterd het einde halen. Vanuit literair oogpunt kun je daar alleen maar respect voor hebben, het is origineel, het verraadt ambitie. Maar de vraag blijft open wat De Boer daar tegenover zet. Wat heeft hij willen schrijven: een ontsnappingsroman, een binnenblijfroman? Welk onderwerp of thema heeft hij willen uitdiepen? Welke emotie heeft hij willen onderzoeken, of oproepen? ’t Jagthuys roept meer vragen op dan de auteur wil beantwoorden.

foto: Bart Koetsier