Verglijdend licht

Al decennia onderzoekt Jan Dibbets de essentie van kleur. En er gebeuren telkens onvoorstelbare dingen. Op reis door de kleuren van de kunst!

Medium fuchs2

Bij dageraad wordt alles op aarde lichter en ontwaken de kleuren. In de nacht waren de bomen nog duistere schimmen, in het licht worden ze langzaam groen en dan ook vele tinten groen tegelijkertijd. Ook tegelijkertijd, als ook de lucht steeds lichter begint te stralen, ontluiken de andere kleuren. Net uit de koude duisternis van de Hel gekomen, ziet Dante dat eerste licht zo: ‘De lucht had van oosters saffier de zoete/ en klare tint.’ Ik citeer de prachtige vertaling van Ike Cialona en Peter Verstegen. Uit hun commentaar maak ik op dat het hier gaat over het eerste morgenlicht en de transparante helderheid daarvan in de lucht (een teer blauw dat blauwer wordt) voordat de dageraad de eerste kleuren zacht ontvouwt. Iets verderop, aan het begin van de tweede canto van Louteringsberg, ziet de dichter in zijn fijnzinnige verbeelding dan de mooie Aurora, ‘wier wangen eerst nog blank en roze waren/ verkleuren tot oranje’. Wat Dante zag en kende was Italiaanse dageraad, natuurlijk, waarin de zon stralend opgaat zodat het licht warmer wordt: dat is wat dat oranje wil zeggen.

Alles eigenlijk wat ik met dit gemijmer wil uitdrukken is hoe sprakeloos ik sta tegenover een nieuw groot, ruimhartig werk van Jan Dibbets: twee slanke fotografische panelen met een smalle tussenruimte – links een soort grijs maar ook met een huig van olijfgroen, en rechts een droog en grijzig geel dat lijkt op graan dat voorbij zijn rijpheid is en al dor en stoffig wordt. Met andere woorden: ik kijk naar kleuren die onbeschrijflijk zijn. Nog vreemder is hun effect omdat ze zo bevallig naast elkaar ook doen denken aan twee woorden die rijmen – hoewel ik rijm eerder proef dan erbij denk. Net zo kan ik deze twee kleuren proeven maar ik kan er geen woorden voor vinden: zo te zien lijken ze nergens op. Het is beeldende kunst buiten de greep van de taal.

Medium fuchs1
Dat geelgrijze paneel vond hij mooi, want als je langer kijkt begint er, onzichtbaar, een schimmige vlek in te bewegen

Al eerder, medio jaren zeventig, had Dibbets wat hij toen noemde colour studies gemaakt: kleuren (drie of vier naast elkaar: een seriële conceptie) die gedrukt waren van vierkante negatieven, strakke foto’s van stukken autocarrosserie. Het zijn opnamen dus van glimmend gekleurde en gepoetste lak die er kunstmatig uitziet. Vanwege hun vierkantigheid leken de strakke foto’s nog meer te verstrakken. Zo zijn de colour studies van toen allereerst vierkante en abstracte blokken kleur – zo onverbiddelijk abstract als de kubische constructies van Sol LeWitt. In die omgeving van minimal art zijn ze ook ontstaan.

Dat is nu veertig jaar geleden. Inmiddels heeft Dibbets de negatieven van toen weer ter hand genomen. Hij wist dat de oude strakke kleuren lak, door manipulatie met computers, van hun oorspronkelijke materialiteit kunnen worden losgemaakt. Ze werden daardoor vloeibaar – en zo kon de nieuwe techniek de kunstenaar een grenzeloze hoeveelheid kleuren voor ogen toveren. Daar kijk je dan naar: onvoorstelbare kleuren. Er was ook nog iets anders gebeurd. In de jaren negentig kreeg Dibbets een opdracht voor meer dan dertig nieuwe glas-in-loodramen in de kathedraal van Blois. Die waren klaar in 2000. Het werk daaraan heeft hem kennis laten maken met de luister van kleuren waar het licht doorheen straalt en klatert. Op de oude foto’s zie je duidelijk hoe het licht op de kleur schijnt. Ik bedenk dit want ook zie ik in de digitale kleuren, zoals dat getemperde grijs en dat bevende geel, een fragiel soort doorzichtigheid. Dit moet samenhangen met de productie van de panelen. De kleur wordt er, lijkt me, op geprojecteerd en niet afgedrukt via een negatief op papier. Het mat glanzende oppervlak van deze gekleurde panelen is ook in substantie opvallend licht. Nog lichter zijn ze vanwege hun slanke formaat dat zo smal is als een gotisch kerkraam. Zo lijken de kleuren te zweven. Het zijn stemmingen van kleuren. Ze verschijnen, teder als het roze op de wangen van Aurora, als plekken zonlicht die hoekig door ramen binnen op de muur vallen. Zulke plekken kruipen onmerkbaar, met uiterste lichtheid, langzaam met het bewegen van de zon mee. Over zulke verglijdende vormen licht/schaduw heeft Jan Dibbets begin jaren zeventig ook nog werken gemaakt, toen op de koele manier van minimal art. Uiteindelijk valt alles samen. Laatst spraken wij over de nieuwe kleuren. Dat geelgrijze paneel vond hij mooi, zei hij, want als je langer kijkt begint er, onzichtbaar, een schimmige vlek in te bewegen. Ik wil maar zeggen: in reizen door de kleuren van de kunst, vooral de abstracte, is er nog veel te beleven. Dan hebben we het nog niet eens gehad over wat wolken in de lucht allemaal voor grilligs laten zien.


PS Zie verder over Jan Dibbets het boek van Erik Verhagen: Jan Dibbets: The Photographic Work, een uitgave van Leuven University Press


Beeld: (1) Jan Dibbets: Zonder titel_, 2015. Fotopapier op paneel, 2 panelen, grootte per paneel 125 x 250 cm. (Atelier Kunstenaar). (2)_ Colorstudy C1, C2, C3, C4_, 1976. kleurenfoto, (4x) 84,5 x 84,5 cm (Peter Cox, Eindhoven Collectie van Abbemuseum)._