Vergrepen aan Dickinson

JOYCE CAROL OATES
WILD NIGHTS! STORIES ABOUT THE LAST DAYS OF POE, DICKINSON, TWAIN, JAMES AND HEMINGWAY
Harper Collins, 235 blz., € 24,99

Sinds 1963 zijn er meer dan dertig verhalenbundels van Joyce Carol Oates verschenen. Tel daarbij op een dozijn toneelstukken, poëziebundels, kinderboeken, essays, novelles en vrijwel elk jaar een roman; weinig schrijvers in Amerika – of wat dat betreft: in de wereld – zullen een bibliografie hebben met een lengte als de hare. In een interview met The Paris Review zei ze ooit dat elke schrijver uiteindelijk alleen onthouden wordt voor zijn beste boek, en om tot dat beste boek te komen zal hij er zo veel moeten schrijven als menselijk mogelijk is. Het is een gekmakende aanjager, het idee dat het beste alleen zichtbaar wordt door destillatie van het eigen schrijven.
Precies die schrijfobsessie is de onderstroom in Oates’ nieuwe verhalenbundel, Wild Nights! Stories about the Last Days of Poe, Dickinson, Twain, James and Hemingway. In datzelfde interview zei Oates dat ze ziek, zwak en misselijk wordt als ze een week niet kan schrijven, dat het haar mentaal kraakt. Zoals de ondertitel vermeldt gaat Wild Nights! over de laatste levensdagen van Edgar Allan Poe, Emily Dickinson, Mark Twain, Henry James en Ernest Hemingway. Stuk voor stuk weliswaar goed gedocumenteerde, maar ook tragische levens, precies waar een romancier eer aan kan behalen.
In eerste instantie leest Wild Nights! als een schrijfoefening; in elk verhaal heeft Oates zich de stijl aangemeten van de geportretteerde auteur, en daarin slaagt ze prachtig. Het verhaal over Mark Twain heeft een gemoedelijke grootvader-vertelt-sfeer, met southern slang; de laatste levensdagen van Edgar Allan Poe voltrekken zich in een gotisch horrorverhaal; Henry James, die zichzelf graag laat aanspreken met ‘de Meester’, heeft de kenmerkende snobistische toon. Oates in de jas van Hemingway heeft hetzelfde hypnotiserende ritme, dezelfde woordherhaling en staccato zinnen, waarmee je het verhaal in wordt getrokken, recht het hoofd in van de getourmenteerde schrijver.
Maar de Poe’s en Hemingways en Twains van Oates zijn geen papieren exercities, ze zijn levende personages uit hun eigen boeken. Behoudens Dickinson meten de stervende schrijvers hun vitaliteit aan hun seksdrive. Twain zoekt het flirterige gezelschap op van een jong meisje, nodigt haar uit om lid te worden van zijn Angelfish Club (waarvan hij het enige volwassen lid is), om vervolgens gefrustreerd te raken als ze ouder blijkt te zijn dan ze zich voordoet, en daarmee niet onschuldig. De levenslang seksueel verstopte Henry James verlekkert zich aan de wonden en ontstekingen van de gewonde mannen in het lazaret waar hij in de Eerste Wereldoorlog vrijwilligerswerk doet. Hemingway kijkt naar zijn geslacht – slap, incontinent – en weet dat het leven hem voorgoed verlaten heeft.
Zoals de schrijvers seksueel droog staan, zo staan ze ook droog in hun schrijverschap, precies wat Joyce Carol Oates (inmiddels ook zeventig) als haar eigen grootste angst noemde. Henry James heeft de puf niet meer om te schrijven en zet zwarte en rode kruisjes in zijn agenda om te noteren of het een slechte of goede dag was; Twain houdt zich bezig met het meisje omdat hij diep in zijn hart weet dat hij het magnum opus dat hij voor ogen heeft niet van de grond krijgt.
Het meest schrijnend is het verhaal Hemingway, Papa at Ketchum, 1961. ‘Mornings when work does not come are long mornings’, verzucht hij. Hij is aan zijn bed gebonden en wordt door zijn overbezorgde vrouw weggehouden van zijn typemachine. Als hij eenmaal met zijn dubbelloops jachtgeweer, zijn zelfmoordwapen, in de badkamer zit, fantaseert hij dat als zijn vrouw onverhoeds binnenkomt hij het wapen eerst op haar zal richten.
Schrijvers worden onthouden voor hun beste werk. Toch speelt Oates in Wild Nights! met de wetenschap dat je nooit kunt weten hoe je onthouden wordt, dat je als schrijver nooit greep hebt op je postume roem. Dit thema bewaart ze voor de enige vrouw in het gezelschap, Emily Dickinson, in misschien wel het meest originele verhaal, EDickinsonRepliLuxe. In de nabije toekomst koopt een rijk, kinderloos echtpaar na enig afwegen een geprogrammeerde mannequin, gemodelleerd naar een bekende kunstenaar, als toevoeging aan hun huishouden. Walt Whitman valt af (homo), Sylvia Plath is te somber (zelfmoord), dus valt het oog op de EDickinsonRepliLuxe, een mannequin van Emily Dickinson, deze maand met twintig procent korting. In plaats van een hartsvriendin die de vrouw kan helpen met haar eigen poëzie, is deze Dickinson een vogelachtig vrouwtje dat spreekt in humhummerige, amper verstaanbare zinnen, en zich vooral schuilhoudt op haar kamer – haar aanwezigheid wordt vooral merkbaar door een plots nauwkeurig opgeruimde keuken, of de verschijning van vers gebakken taarten als het echtpaar even buiten de deur is. Het echtpaar kijkt ernaar uit dat ze opnieuw gedichten zal schrijven – Een echt Dickinson-gedicht! In ons huis! – maar haar schrijverschap kan blijkbaar niet opnieuw tot leven worden gewekt. Veel meer dan een paar verdwaalde zinnen zet ze niet op papier.
Uiteindelijk vergrijpt de man zich aan Dickinson, gefrustreerd om haar ontoegankelijke poëzie, haar ongrijpbare karakter. Hij valt haar aan – zoals vele biografen en academici hebben gedaan; zie hier de parabel – om met lege handen te eindigen. Als Oates met Wild Nights! de vitaliteit van haar schrijven, vandaag en over honderd jaar, heeft willen bezweren, dan moet dat voortreffelijk gelukt zijn.