Verhalen van Ton Rozeman en Peer Wittenbols

Verhalen en zinnen

Ton Rozeman

Misschien maar beter ook. Short story’s

L.J. Veen, 157 blz., € 14,95

Peer Wittenbols

Eerste bloei. Verhalen

De Arbeiderspers, 157 blz., € 14,95

Je hebt verhalen en je hebt verhalen. De verhalen die Ton Rozeman — drie jaar geleden gedebuteerd met de bundel Intiemer dan seks — schrijft, zijn modelverhalen. Je kunt willekeurig een bladzijde opslaan en een zin prikken (daad bij het woord gevoegd, uitgekomen op bladzijde 51, eerste zin onder de eerste witregel: «Toen ik op de wc mijn broek losknoopte had ik een beginnende stijve»), en je voelt de typische hogedrukspanning die het vertellen van een verhaal vereist: we gaan van a naar b en we gaan vooral niet te lang zitten dralen, want we hebben niet eeuwig de tijd. Toevallig blijkt deze zin te staan in een van de beste verhalen in deze bundel, Brazilië getiteld. Het telt slechts acht pagina’s, is aan de oppervlakte van een drentelige eenvoud, maar gaat op een geheimzinnige manier over verlangen en teleurstelling. Het is een van de beste ver halen, omdat het hele drama van verwachting en deceptie zo prachtig banaal wordt verteld, maar eigenlijk zijn alle verhalen gewoon goed.

De short story’s van Rozeman die met hun dirty realism geheel passen in de lijn van grootmeester verhalenschrijver Raymond Carver, laten zich een stuk eenvoudiger consumeren dan de verhalen waarmee dichter/toneelschrijver Peer Wittenbols debuteert als prozaïst. Ook Wittenbols situeert zijn kleine drama’s van kleine mensen in de trein, de kroeg en de huiskamer, maar zijn hoekige en gemaniëreerde manier van vertellen geeft een vervreemdend tintje aan alledaags geworstel. Anders dan Rozeman lijkt Wittenbols niet uit op afgeronde vertellingen. Uit de verantwoording achterin blijkt dat een aantal «teksten» geschreven is als op te voeren monoloog. Een van de meest geslaagde, en ook lange, verhalen is het titelverhaal, dat de beklemmende dagboekaantekeningen bevat van een pubermeisje dat wacht op de terugkeer van haar vriend. Van gewone verliefdheid («Ik die treur om het weggaan van een jongen») gaat het naar een obsessieve ondertoon («Hoor je me? Voel je me? Merk je me?») om te ontaarden in zelfverminking («ik doof zo dadelijk mijn laatste sigaret in de handpalm waarmee ik je nu nog schrijf»). Sommige andere verhalen lijken stijloefeningen, of sfeerimpressies, te kort en te ijl om er echt «in» te komen, eindigend op een al te vaag moment, maar stilistisch zo geladen dat je het liefst een dikke roman van Wittenbols zou lezen. Niet voor niets was een van de geestigste en aangrijpendste toneelstukken van het afgelopen seizoen van zijn hand: Zullen we het liefde noemen, vertolkt door Toneelgroep Oostpool.

Nogmaals: je hebt verhalen en je hebt verhalen. De verhalen van Wittenbols lees je om de zinnen, die van Rozeman om het verhaal as such. Beiden schrijven over zogenaamd gewone mensen, maar bij Wittenbols krijgt het gewone groteske vormen. Hij schrijft zinnen die je nergens anders zult tegenkomen: «Je moet je mooi maken als je je man verlaat.» En: «Hij zweet; drinken is werken geworden.» Bij Rozeman blijft alles in het banale: «Toen ze pas in Antwerpen woonde voelde ze aan alles dat ze in Den Haag thuishoorde, nu is ze daar niet meer zo zeker van.» Hij heeft ook van die klassieke openingszinnen om de lezer naar binnen te trekken: «Nadat ik bij haar was weggegaan, belde ik haar iedere avond, meestal om zeven uur.» Vergelijk Raymond Carver, openingszin van Fat: «I am sitting over coffee and cigarettes at my friend Rita’s and I am telling her about it.» Niet altijd is de drang tot doorlezen zo letterlijk tot een raadsel in de eerste zin te herleiden, maar dan toch zeker wel in de tweede, of de derde. Wittenbols is minder aardig voor zijn lezers, zou je kunnen zeggen. De drama’s waarvan hij rept, zijn onbestemder, raarder.

Met goed of minder goed heeft dit allemaal niet zoveel te maken. Peer Wittenbols is een schrijver die zich vooralsnog niet voor één genre laat vangen. Ton Rozeman is zich duidelijk aan het bekwamen als verhalen verteller. Vergeleken met zijn debuutbundel is hij gegroeid; zijn verhalen hebben gewonnen aan diepte en eigenheid, en aan naarheid. Nog even en er is genoeg materiaal voor een Nederlandse Short Cuts, de prachtige film die Robert Altman zo’n tien jaar geleden maakte op basis van verhalen van Carver.