Cesare Pavese

Verhalen over een lange illusie

Acht romans van Cesare Pavese bijeengebracht in een roman fleuve. Het is een misverstand om zijn werk te lezen als het zoeken van een verloren jeugd. Het gaat om een gemis, om heimwee naar iets dat nog komen moet en maar beter niet kan komen.

Alle acht romans van Cesare Pavese (1908-1950) bij elkaar, een unieke gelegenheid om ze achter elkaar te lezen, als een roman fleuve, een tijdsdocument in afleveringen. Twee ervan werden vrij vroeg vertaald: de eerste, Jouw land, in 1959, en de laatste, De maan en het vuur, in 1968; de andere pas in de jaren negentig. Roman fleuve ook in de overdrachtelijke zin dat alle personages zich door de stroom van het ouder worden voelen meegevoerd, het einde van de adolescentie komt in zicht of de grens van de volwassenheid blijkt gepasseerd, en daar houdt voor Pavese alles op. «Wat voor Svevo aftakeling is, komt mij voor als adolescentie», noteert hij al in 1938, of omgekeerd: met de adolescentie begint het einde. In zes romans vertelt iemand in de ik-vorm over vroegere gebeurtenissen; twee ervan zijn in de derde persoon geschreven, maar dat maakt geen verschil; het maakt niet eens verschil dat in twee romans een vrouw hoofdpersoon is. In de herbeleving wordt de vroegere ik een derde persoon. En die verschillende hoofdpersonen voegen zich aaneen tot één man, die in de romans soms een naam en soms geen naam krijgt. Naast de bundel romans verschenen ook alle gedichten in één boek — De dood zal komen en jouw ogen hebben — en daar treedt hij op als L'uomo solo, «de man alleen».

Net als Virginia Woolf en Kafka is de schrijver Pavese bij sommigen vooral bekend door zijn dagboek, Leven als ambacht. Men kent hem dan als de man die leven moeilijk vond, vooral leven met vrouwen, en toen hij het een beetje kon er een eind aan maakte. Maar zo eenvoudig is er bij Pavese juist niets. Neem de woorden die voor hem sleutelwoorden werden, zoals eenzaamheid, gevangenschap, ballingschap, adolescentie, zomer. Ze hebben allemaal een dubbele en vaak tegenstrijdige betekenis. Eenzaamheid, vooral als zelfgekozen situatie, hoort bij de stad. «Een dorp wil zeggen dat je niet alleen bent, dat je weet dat er iets van jou is in de mensen, in de planten, in de aarde, dat er op je wordt gewacht ook als je er niet bent.»

Deze zin vat samen wat het leven op het land in de romans vóór heeft op de stad. Als ijverig communist koos Pavese natuurlijk voor volk en gemeenschap, en moest hij alleen-willen-zijn wel afkeuren, zoals meer van zijn eigen wensen. Nadrukkelijk wordt in de romans soms over «ware eenzaamheid» en «werkelijk alleen» gesproken. Dat houdt dan net zo'n verschuiving van betekenis in als wanneer in Het huis op de heuvel, op het moment dat Mussolini ten val wordt gebracht, door de verteller tegen anderen wordt gezegd: «De oorlog begint pas», «Nu begint de oorlog pas, de echte, die van de radelozen.»

De modeontwerpster in Vriendinnen, een geslaagde vrouw die na zeventien jaar terugkeert uit Rome naar haar geboorteplaats Turijn, noemt alleen-willen-zijn haar geheime ondeugd. De vervelende keerzijde van het geheime is dat niemand het verschil ziet tussen de rondfladderende meisjes die alles in de schoot geworpen hebben gekregen en haar die er altijd hard voor heeft moeten werken. Het meisje Gina in De mooie zomer beseft dat ze op het punt staat vrouw te worden. Zij heeft nog niet geleerd alleen te zijn, maar ze weet al wel dat zij zo'n zomer nooit meer zal meemaken; ze weet dus ook dat ze nu nog niet kan genieten van iets dat er daarna, als ze het wel kan, niet meer zal zijn.

Adolescentie is bij Pavese de tijd van het niet-meer en het nog-niet. Alle personages, zelfs de eenvoudige Gina, schijnen al te voorvoelen dat volwassenheid geen vervulling van jeugdige verlangens zal zijn, integendeel: wanneer ze gevonden hebben wat ze zochten, blijkt het vervlogen.

Net als Clelia in Vriendinnen is de hoofdpersoon in Paveses laatste roman, De maan en het vuur, al jong weggegaan, gevlucht, met als doel ooit terug te komen om erkenning te vinden als iemand die het gemaakt heeft. Maar na zoveel jaar herkent niemand in de rijke man de jonge bastaard van vroeger. In het dorp is vrijwel alles hetzelfde gebleven, de man is een ander geworden.

Wat een misverstand om dan Paveses werk te lezen als het zoeken van een verloren jeugd. Het gaat niet om een verlies, dat omschreven kan worden, maar meer om een gemis, heimwee naar iets dat nog komen moet en misschien maar beter niet kan komen. Wat in het begin van de roman Het huis op de heuvel als «verhaal over een lange illusie» wordt aangekondigd, was een passender verzameltitel voor de acht romans geweest dan Jouw land. De sleutelwoorden van Pavese lijken meer gesloten dan geopend te hebben, dat is wellicht dé tragiek van de complexe knoop van romans, gedichten en dagboek die hij met zijn zelfgekozen dood in 1950 doorhakte.

Cesare Pavese

Jouw land. Verzamelde romans

Uitg. De Bezige Bij, 861 blz., € 43,-

=====================

Antonio Lobo Antunes

Preek tot de krokodillen

Dat dit derde deel van een romancyclus van de Portugese schrijver Lobo Antunes (1942) tot een serie behoort, is niet onbelangrijk, omdat de flaptekst wel uitgebreid naar politieke toestanden verwijst — de verwarring na de Anjerrevolutie in 1974 — maar in de roman niet meer dan wat toespelingen voorkomen op samenzweringen, aanslagen, van gefrus treerd rechts vooral. Ombeurten komen in elk hoofdstuk vier vrouwen aan het woord over dezelfde periode in hun jeugd. De een was doof, de ander het mooie en rijke meisje, dus zagen de dingen er anders voor hen uit. Lobo Antunes heeft een eigen vertelvorm ontwikkeld met veel herhalingen en sprongen. Die methode is effectief als er vele stemmen en invalshoeken in het spel zijn, hier maakt ze de zaak ingewikkelder dan ze is. Het gaat om vier herinneringssporen die beter rechttoe, rechtaan gevolgd hadden kunnen worden dan in een zigzaggende litanievorm.

Uitg. Ambo, 355 blz., € 29,50

Alejo Carpentier

Het koninkrijk van deze wereld

De methode (1974) van de Cubaanse schrijver Alejo Carpentier (1904-1980) is een roman over een Zuid-Amerikaanse dictator die meestal in Parijs is. Eerder schreef hij een roman over een zwarte tiran, waarvan de vertaling van 1997 nu herdrukt is met een voorwoord uit de eerste uitgave (1949). Het eerste deel draait om een historische figuur, een verminkte slaaf, om wiens gedaanteveranderingen een mythologie met magische liederen is ontstaan. Het is in de nadagen van de Franse kolonie die later Haïti is gaan heten. De vreemde overheersing maakt plaats voor een lokale. Een slavernij waarbij negers door negers geslagen worden, heet in het boek erger dan de oude. Dat is het verhaal over de opkomst en neergang van de zwarte koning Henri Cristophe, een wrede monarch wiens lijk in cement verzinkt. Voor zo'n stof is Carpentiers barokke stijl geknipt.

Uitg. In de Knipscheer, 176 blz., € 11,50

Friedrich Glauser

De zaak Schlumpf

Een Zwitserse detective, dat doet aan Dürrenmatt denken. Die is dan ook op Glauser doorgegaan. Friedrich Glauser (1896-1938) schreef in de jaren dertig vijf romans rond de eigengereideBernse wachtmeester Studer. Zijn speurdersromans hebben met die van Sciascia gemeen dat onderzoek veel overhoop haalt dat anderen snel toedekken. Wat voor Sciascia de maffia is, is voor Glauser het provinciale gekonkel. Als in een Zwitsers dorp iets misdadigs gebeurt — in een bos wordt een vijftigjarige koopman doodgeschoten — blijkt iedereen iets te verbergen te hebben. De wachtmeester tilt een steen op en snel zoekt het ongedierte een veilig heenkomen. De provinciale setting staat in contrast tot het bewogen leven van de auteur, wiens tochten door de wereld steeds eindigden in een Zwitserse kliniek of gevangenis. De detectives schreef hij er voor het geld bij, maar ze werden populair, zeker als film. Van hem publiceerde uitgeverij IJzer eerder de verhalenbundel Gesprongen glas.

Uitg. De Geus, 222 blz., € 18,-

Joseph Mitchell

Het geheim van Joe Gould

De journalist Joseph Mitchell (1908-1996) heeft in The New Yorker twee keer een portret van de zwerver Joe Gould geschreven, die hij in Greenwich Village voor het eerst in 1932 ontmoette en van wie bekend was dat hij aan een kolossale «mondelinge geschiedenis van onze tijd» bezig was. Het eerste portret, dat Mitchell in 1942 van hem schreef, heette Professor Zeemeeuw. Het tweede, van 1964, zeven jaar na de dood van Gould, werd een anticlimax. Het geheim van Gould was dat hij al die jaren wel veel geschreven had, maar dat het allemaal variaties van een vijftal teksten waren. Mitchell zelf bleef door deze ontdekking lang met stomheid geslagen. Bij een Hochstapler is het griezelige vooral hoe lang allerlei mensen er intuinen. Ook de dichters e.e. cummings en Ezra Pound wachtten op het meesterwerk over de «intellectuele onderwereld» van deze straatschuimer.

Uitg. Atlas, 222 blz., € 18,11