Toneel

‘Verhef mijn hart opdat ik ’t uwe raak’

Toneel Maria Stuart (1)

Het is een moment van zinderende spanning. Elisabeth, koningin van Engeland, in rood jachtkostuum met een witte kraag die als een zon haar gelaat omspant, loopt langzaam af op haar rivale, Maria Stuart, de onttroonde en door Elisabeth gegijzelde koningin van Schotland. Maria heeft zichzelf vernederd tot op het bot, tot in het merg. Op het voortoneel ligt ze ineengekrompen als een afgeranselde hond: ‘Mijn heil mijn hele levenslot hangt af/ van ’t slagen van mijn woorden van mijn tranen/ Verhef míjn hart opdat ik ’t uwe raak’ (vertaling van Barber van der Pol, hier wordt die van Gerrit Kouwenaar gebruikt, die ik niet bij de hand heb). Elisabeth lijkt een gebaar van verzoening en mededogen te overwegen, een tedere hand die naar haar rivale reikt. En dan, plotseling, bevriest die hand, verkilt haar blik, Elisabeth herpakt zich, schril zoekt ze de hoge tonen van haar woede terug – en enkele minuten later zijn de beide vorstinnen verder van elkaar verwijderd dan ooit. Het is een mooi moment: eerst een sprankje zonlicht laten zien, hoop misschien, of vergeving. Daarna volgt de onvermijdelijke val in de afgrond van de haat.

Als Friedrich Schiller ooit de ambitie moet hebben gehad de ‘Duitse Shakespeare’ te worden, dan is hij daar in Maria Stuart (1801) het verst in gekomen. Het is qua compositie en textuur een geniaal koninginnendrama.

Schiller laat zijn stuk beginnen op het moment dat Maria Stuart door een Engelse rechtbank ter dood is veroordeeld, vanwege een moordcomplot tegen Elisabeth I, dat later gebaseerd blijkt op valse getuigenissen. De auteur gooit zijn personages (en zijn publiek) meteen midden in het conflict. Alle handelingen staan vanaf de eerste minuut op scherp. Een van de biografen van Maria Stuart, de Duitse schrijver Stefan Zweig, vat de kracht van dat moment treffend samen: de rollen zijn omgedraaid. Zweig: ‘Maria Stuart is minder bang om te sterven dan Elisabeth om haar te doden. Deze kalme serene rust van de veroordeelde vormt een indrukwekkende tegenstelling met de onzekerheid, de razende nervositeit, de wilde en woedende radeloosheid van Elisabeth. Nooit heeft ze zozeer onder haar tegenstandster Maria Stuart geleden als nu, nu ze haar geheel in handen heeft. Elisabeth komt in deze weken niet meer aan haar nachtrust toe.’

De ontmoeting tussen de twee vorstinnen heeft in werkelijkheid nooit plaatsgehad. Elisabeth en Maria hebben elkaar niet ontmoet. Schiller in een brief, geciteerd in het programmaboek: ‘De situatie is op zich onmogelijk, ook in moreel opzicht. Ik ben benieuwd of het mij toch gelukt is haar aanvaardbaar te maken.’

Of de confrontatie moreel aanvaardbaar is, daar ben ik geen deskundige in. Maar keelsnoerend toneel levert de scène (derde acte, vierde toneel) wél op. Het is toneelmuziek, van diminuendo naar crescendo en terug en weer terug. Het dodelijke vonnis komt van Elisabeth: ‘U zult nu niemand meer/ verleiden. Andere zorg heeft nu de wereld/ Niemand verlangt Uw vierde man te worden/ Want U vermoordt Uw vrijers zoals U/ Uw mannen doodt.’ Bekvechterij op het niveau van de viskar.

Will van Kralingen (Elisabeth) en Mirjam Stolwijk (Maria) strijden hier in de regie van Erik Vos tot bloedens toe. Zo fysiek, zo fel, zo ordinair is deze ontmoeting bij mijn weten nog niet gespeeld. Ik moest aan de vechtende zigeunervrouwen denken uit de Bond-film From Russia with Love. Kijvende wijven die de grens van wat oorbaar is ver voorbij zijn. En we kijken dan nog maar naar de derde acte van het stuk. Het ergste moet nog komen. En dat ergste gaat komen! (wordt vervolgd)

Het Nationale Toneel, Maria Stuart_, tot en met 13 januari, www.hnt.nl_