Verheven sneden

Als er grote belangstelling voor kunst opleeft, dan is dat altijd vanwege een calamiteit: een diefstal, een schending van de zeden, een mislukte restauratie of een slechte museumdirecteur. En niet te vergeten: een beschadiging.

Momenteel doen sommige kunstbeschouwers hun best een tijdgeest te vinden die de recente aanslagen op abstracte kunst begrijpelijk zou maken. Het publiek zou zich vervreemd voelen van de moderne kunst die de musea bevolkt. Voeg daarbij nog het elitaire museumbeleid en gewelddadigheid is niet meer dan logisch.
In werkelijkheid laten zulke acties zich niet onder één noemer brengen. Er zijn simpelweg te weinig gevallen en hun achtergrond is te verschillend. Het cultureel veralgemenen van de zeldzame agressie zegt dan ook meer over de gezapigheid van de tegenwoordige kunstdiscussie dan over die agressie zelf.
Deze vaststelling geldt eens te meer ten aanzien van de woordentwist die is losgebarsten rond de beschadiging van Cathedra. De recente vernielzucht van Van B. jegens Barnett Newmans schilderij laat zich eerst en vooral vergelijken met die van Van B. zelf. In plaats van zijn verregaande ontremmingsverschijnselen te verklaren uit een crisis in de kunst, kunnen we ook proberen een patroon in die verschijnselen te ontdekken.
Want het is de tweede keer dat de cultuur met Van B. te maken krijgt. Tweemaal Stedelijk Museum in Amsterdam, tweemaal een bijzaal, tweemaal Newman, tweemaal horizontale kerven over het hele vlak, tweemaal een snelle vrijlating, tweemaal een publieke discussie over de betekenis van de daad en de behandeling van de dader, tweemaal een voorgenomen restauratie. Het enige verschil met zijn daad in 1986 is de bagage van Van B.. Deze keer droeg hij geen boekje van Carel Willink onder zijn arm en was hij niet in het bezit van een aardappelschilmes, doch van een stanleymes.
Vergeleken bij de overeenkomsten lijken deze details verwaarloosbaar. Het is voor Amsterdam te hopen dat het verhaal niet tot het eind hetzelfde verloopt, want de enige die nu nog in het rijtje ontbreekt is restaurateur Goldreyer, en dat kan beter zo blijven.
De enige? Nee, daar is ook nog de Vlaamse kunstenaar Roland van den Berghe die in 1991 met een opmerkelijke theorie kwam. Volgens hem was de zegetocht die Who is Afraid in het Stedelijk maakte, een gevolg van de geheime coalitie tussen de katholieke directeur Edy de Wilde en de joodse schilder Newman. Toen Wim Beeren aantrad, verbande hij het schilderij naar een naburig zaaltje, waarmee hij deze Heilige Alliantie corrumpeerde. Van B. was een gezondene…
De aangerichte schade was gens Van den Berghe geen toeval. Van alle mogelijke krassen koos Van B. uitgerekend voor een lange horizontale haal. Het schilderij van Newman heeft deel aan een hiërarchische gedachte waarin de horizontaal staat voor het aardse, voor Moeder Aarde. De verticaal is dan natuurlijk God de Vader. Het schilderij vertoont alleen verticalen. Daarbij komt dat in dit idealistische denkraam het schilderij moet worden gezien als voorhang waarachter de diepere waarheid heerst. Zoals Mondriaan, over wie het schilderij gaat, zei: ‘Als ik door het doek kijk, als ik door een muur kijk, wat zal ik zien op het doek?’ Dit schilderij was beelding in haar zuiverste vorm, het was een iconoclastische oproep tot contemplatie en meditatie om het laagtij van het verhevene in de moderne tijd te keren.
Komt daar Beeren het even in een bijzaaltje hangen.
Komt daar Van B., met een boekje over Willink onder zijn arm, het doek tot object maken. Na de incisie van Van B., door Van den Berghe tot betekenisvolle daad herleid, is het transparante venster op het universum plotseling gewoon een dingetje. En dat alles in naam van het Magisch Realisme. Realistisch is het zeker, reëel ook. Het ding moet plotseling zijn rol van gezang in kleur opgeven voor een doodordinaire reparatie.