Verhuizen

Op Prinsjesdag ben ik verhuisd.
Na jaren in het centrum van Amsterdam te hebben gewoond (zes jaar op de vijfde verdieping en het afgelopen jaar op de begane grond) steek ik het IJ over en strijk ik neer in een buurtje in Amsterdam-Noord.

‚Je hebt hier ALLES en de mensen zijn SUPERVRIENDELIJK!’ houdt iemand die al lang voor mij de oversteek heeft gewaagd me voor.
‚Het is hier ECHT leuk!’
Ik knik.
We zullen zien, denk ik bij mezelf.

Op de dag van mijn verhuizing staat mijn onderbuurman glimlachend in zijn deuropening. Ik zet een verhuisdoos in de hal, veeg m’n handen af en stel me aan hem voor.
‘Wel traphekjes plaatsen hè! Anders maakt die kleine man van je straks een doodsmak!’
‘Zo, u bent goed op de hoogte!’
De vorige huurders blijken hem verteld te hebben dat ik een zoontje van twee heb.
‘Komt goed hoor’, antwoord ik. ‘En anders moet-ie maar zo snel mogelijk leren traplopen!’ grap ik er achteraan.
Een bulderlach.
Dit korte gesprek met mijn nieuwe buurman duurt nu al veel langer dan alle gesprekken die ik het afgelopen jaar met mijn buren in het centrum heb gehad. Ik woonde in een kleine studio van veertig vierkante meter en het pand waar die studio in zat bestond voor het grootste gedeelte uit Airbnb-adresjes. Met die tijdelijke buren ben ik nooit verder gekomen dan een ‘Excuse me’ of een ‘Could you please keep the noise down?’
‘Wat is dat voor naam eigenlijk, Andretti?’ vraagt de nieuwe onderbuurman, ‘Italiaans?’
‘Nee, helaas, het is Sadettin, en dat is weer Turks.’
‘O, maar dat is helemaal niet erg hoor!’
Nu is het mijn beurt om te bulderlachen.
Hij wijst me vervolgens het park aan, dat pal tegenover ons huis ligt.
‘Kun je lekker de eendjes voeren met die kleine man.’
‘O mooi, dan gaat hij het hier wel leuk vinden!’
Mijn buurman buigt zich naar me toe, alsof hij me een geheim gaat influisteren:
‘Ja, nou, ik kan je zeggen, het is hier ook echt leuk!’
Ik knik.
We zullen zien, denk ik bij mezelf.
Ik wil weer verder sjouwen, maar hij wil me snel nog iets laten zien en wijst naar de boom in zijn tuin. De takken houden aardig wat licht tegen, vertelt hij me, maar als ik wil kan ik ze gewoon laten weghalen. Alleen is dat misschien weer zielig voor de vogels die in die boom nestelen. Hij noemt een aantal vogelsoorten die hij al in de tuin heeft gehad (mussen, duiven, koolmezen, een roodborstje, merels, spreeuwen, kraaien, ja, zelfs een aantal exotische soorten die tijdens de vogeltrek in zijn tuin waren gestrand maar als vanzelfsprekend konden rekenen op hulp en steun om, nadat ze op krachten waren gekomen, de heen- of terugreis te vervolgen), geeft me nogmaals een hand en wenst me veel woonplezier.

De dagen daarna richt ik stap voor stap de woning in, volg ik met een schuin oog de Algemene Beschouwingen en verken ik de buurt.
Naast de deur een kleine tabakszaak. Er staat een bord van de Nederlandse Loterij voor het winkeltje, aan de gevel hangt een bordje van betaalservice Suri-Change en daar weer boven hangt een schotelantenne, gericht op het zuidoosten.
Aan de overkant het eerder genoemde park, een school, iets verder een Turkse groenteboer en nog verderop een bruin café met daarnaast een ijssalon. Bij die ijssalon eet ik op een van die dagen een ijsje met m’n zoontje. We zitten op het drukke terrasje, de zon schijnt (het is een van die laatste nazomerdagen), ik met mijn krantje, hij met zijn ijsje en om ons heen klinken gesprekken in het Nederlands, Turks, Arabisch, Sranang (denk ik) en zelfs eentje in het Spaans. Er stuiven kinderen tussen de tafels heen en weer, op de naastgelegen speelweide zie ik een Turkse familie barbecueën, op een ander stukje zie ik hoe een groep jongens een balletje gaat trappen, ze zetten hun fietsen (waarvan een aantal met kinderzitjes) keurig weg. Het naast de ijssalon gelegen bruin café heeft ook het terras buiten en ook daar is het druk: de pilsjes zijn zo te zien niet aan te slepen. Geen toeristen, geen bierfietsen of Nutella-zaakjes, maar mensen uit de buurt; het is alsof ik na lange tijd ineens weer in Nederland woon.
Best leuk, denk ik knikkend.

Inmiddels laat mijn zoontje zijn ijsje met opzet langs zijn handje op tafel lekken. Een mier die over het tafelblad zwerft vangt de geur van zijn aardbeienijsje op en komt erop af.
‘Kijk’, zeg ik, ‘die wil ook een ijsje.’
‘Nee! Mij ijsje!’
‘Jouw ijsje. Maar je mag delen als je wil.’
‘Ja, mag. Maar moet niet!’
Vervolgens wendt mijn zoontje zich naar de mier en en zegt dat ze ook samen ijs kunnen eten. Kijk, voegt hij toe, zo doe je dat. Hij laat zijn ijsje traag op tafel druppelen, de mier komt dichterbij.
Terwijl hij zo bezig is blader ik door mijn krantje dat bol staat met hoogtepunten uit de Algemene Beschouwingen. De zomer is echt voorbij, mompel ik tegen mezelf, nu komen de campagnes op gang en worden er vast in allerlei achterafkamertjes partijprogramma’s op bierviltjes – pardon, A4’tjes gekrabbeld.
Ik scan wat van de artikelen in de krant. Zorg, pensioen, wat Wilders nu weer heeft gezegd, veiligheid, inkomen, samenleving, ongelijkheid, kabinet: dat somt het allemaal wel een beetje op.
Ik weet niet, maar eigenlijk heb ik daar allemaal niet zo’n zin in, in dat het ‘weer gaat beginnen’. Veel liever zit ik hier op dat terrasje, met mijn zoontje en zijn ijsje dat hij met die mier deelt. Ik grinnik om hoeveel hij van zijn ijsje heeft willen delen, zijn handjes zitten inmiddels onder het ijs.
Ik leg de krant weg en begin zijn snoet en handen schoon te maken, maar hij wil eerst nog zijn lippen en vingers aflikken en voor ik het weet zijn we een spelletje aan het doen wie het snelst is, de doekjes of hij. Ook op het terras van het bruin café worden zijn capriolen gevolgd. Een ouder stel (hij een borrelglaasje, zij een biertje) ligt net niet in een deuk om mijn zoontje, die nu net naar het servetje in mijn handen hapt om me het poetsen te beletten.
‘Dat vind je leuk hè?’
‘Ja!’
We kijken elkaar even aan.
Dan vraag ik: ‘En vind je het híer ook leuk?’
Hij kijkt in het rond, naar de straat, naar het terras, naar de speelweide, naar de andere kinderen, alsof hij hier even over moet nadenken.
‘Nog meer ijs!’
Het echtpaar aan het andere tafeltje lacht nu hardop en terwijl ik mijn zoontje voor de volgende keer een ijsje beloof roept de vrouw: ‘Nou, zo te zien vindt die kleine piraat het heus wel leuk!’
Ik glimlach naar ze en begin op te ruimen.
De krant laat ik liggen.
Het moet wel leuk blijven, natuurlijk.