Onrechtvaardig Wmo-‘maatwerk’

Verhuizen om wél hulp te krijgen?

Hulp en zorg die via de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt geregeld, verschilt per gemeente. En als je postcode bepaalt dat je geen hulpmiddel of voorziening krijgt, neemt de druk op mantelzorg ook nog toe.

In Amsterdam-Noord opent Wilma de achterdeuren van haar gele Peugeot-bestelauto en schuift twee lange planken uit de achterbak. Die zet ze met een schroefje vast aan een zelf gemonteerd plateau. Met de planken omlaag kan ze nu de rolstoel van haar dochter Francina (13) omhoogduwen. Ze wankelt onder het gewicht van de ongeveer vijftig kilo. Vanuit de rolstoel hijst Francina zichzelf op de bijrijdersstoel. Op armkracht, want haar benen werken niet meer. Onder aan de deuropening heeft Wilma twee stukken schuimrubber vastgeschroefd. ‘Ze is verlamd’, legt ze uit. ‘Dus ze voelt het niet. Maar het is natuurlijk keihard voor haar benen.’ Deze manier van transporteren houdt ze niet lang meer vol, vreest Wilma, want Francina wordt steeds zwaarder. De ggz-psycholoog schrijft in een brief dat ‘in de auto tillen onverantwoord is voor zowel moeder als kind’. Met een rolstoelbus zou dat niet meer hoeven, dus vorig jaar april vroeg ze zo’n bus aan bij de gemeente. De aanvraag werd afgewezen.

‘Maatwerk’ was het toverwoord van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) die in 2015 werd ingevoerd. Onder deze wet vallen onder meer huishoudelijke hulp, individuele begeleiding dagbesteding, hulpmiddelen zoals rolstoelen, woningaanpassingen en ook vervoer. De uitvoering werd gedecentraliseerd naar de gemeenten. Zij werden verantwoordelijk voor de ondersteuning van ruim één miljoen ouderen en mensen met een beperking of chronische ziekte. Lokale overheden staan dichter bij de burgers, zo was het idee, en kunnen daardoor betere zorg leveren. Dat is efficiënter én goedkoper.

Via de wet moeten gemeenten maatwerk leveren, zelfredzaamheid bevorderen en zorgen dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Dat laatste is niet alleen de wens van veel hulpbehoevenden en hun familie, maar bespaart ook op dure opnames in zorginstellingen.

Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico onderzocht samen met De Groene Amsterdammer, dagblad Trouw en radioprogramma Argos wat er is terechtgekomen van alle beloften. Vier jaar na de decentralisatie blijkt dat er grote verschillen zijn ontstaan in de uitvoering van de wet omdat elke gemeente het beleid zelf bepaalt – ook al denkt de rechter daar vaak anders over. Dat leidt tot willekeur, rechtsongelijkheid en chaos. Of burgers wel of geen gepaste zorg krijgen, is afhankelijk geworden van hun postcode. Terwijl maatwerk wordt beoogd, is soms onrechtvaardigheid het resultaat.

Wilma zorgt bijna dag en nacht voor Francina. Elke drie uur moet zij haar ‘katheteriseren’, de blaas leegmaken. Ze moet acht verschillende soorten medicijnen, zalfjes en poeders toedienen. Naast haar lichamelijke beperkingen heeft Francina een stoornis in het autistisch spectrum en epilepsie. Als ze een aanval krijgt moet ze met spoed naar het ziekenhuis. Francina gedijt het best bij strikte regelmaat en krijgt dan ook minder aanvallen. Vroeger ging ze met het collectieve leerlingenvervoer naar school. Maar door het wachten en de drukte raakte ze van streek. ‘Het was een drama met zoveel kinderen in de spits’, zegt Wilma. De gemeente besloot individueel vervoer toe te wijzen van een rolstoeltaxibedrijf ‘zonder wachttijden’. ‘Maar elke ochtend kwam ze een half uur, drie kwartier te laat op school, terwijl structuur voor haar zo belangrijk is.’ Tot overmaat van ramp verloor Francina haar beenfunctie na complicaties bij een stoma-operatie. Daarom sloeg Wilma aan het knutselen om haar eigen auto om te bouwen tot provisorische rolstoelbus.

Gelukkig zijn er ook mensen die haar bijstaan, vertelt Wilma, zoals de thuiszorg en haar advocaat Matthijs Vermaat. Samen met hem maakte ze bezwaar tegen de afwijzing van de gemeente, maar ook dat werd afgewezen. Nu twijfelt ze over een rechtszaak. ‘Dat kost vijftienhonderd euro en ik geloof er niet meer in.’ Op school ziet ze andere ouders die wel succes hebben met hun aanvraag. ‘Je kunt niet in iemands dossier kijken, maar zij hebben een grote Mercedes-bus gekregen. En hun kind kan gewoon lópen! Ik begrijp het beleid niet.’

De gemeente Amsterdam wil niet op individuele zaken ingaan. ‘Maar bij elke Wmo-aanvraag staat de ondersteuningsvraag van de cliënt centraal.’ Als een voorziening niet voldoet, kan de gemeente de vraag opnieuw beoordelen. Bij zo’n aanvraag wordt niet alleen gekeken naar een ‘maatgerichte oplossing’, maar ook naar de kosten. Als er de keuze is tussen twee voorzieningen die voldoen dan mag de gemeente kiezen voor de goedkoopste.

Technisch gezien klopt het wat de gemeente zegt, reageert advocaat Vermaat. ‘Er is geen medisch bezwaar tegen individueel taxivervoer.’ Een bus kost ongeveer zestigduizend euro. ‘Maar het kind is zo autistisch…’ Als Francina lang op vervoer moet wachten, bevestigt de ggz-psycholoog in een brief, raakt ze gestrest en wordt ze druk en ongeremd. ‘Die vrouw moet je op je knieën danken dat ze dit allemaal doet’, vindt Vermaat, ‘want als ze morgen dat kind bij de brievenbus van de zorgverzekeraar zet, dan gaat ze een tehuis in en dan kost het tonnen. Daar kan ik echt nijdig over worden.’

Samen met zijn collega Renske Imkamp behandelt Vermaat ruim driehonderd Wmo-zaken per jaar, verspreid over heel Nederland. ‘Met een stuk of dertig gemeenten hebben we structureel ruzie.’ Vaak gaat het om het aantal uur begeleiding of huishoudelijke hulp dat mensen krijgen of de vraag welke hulpmiddelen nodig zijn. Ook zijn er meningsverschillen over tarieven, bijvoorbeeld over een professional die ingehuurd wordt voor veertig euro per uur terwijl de gemeente maar dertig euro per uur betaalt. ‘Moet iemand dan zelf die tien euro bijleggen?’

Mensen kennen anderen in een vergelijkbare situatie, bijvoorbeeld via Facebook, die wél hulp krijgen, weet collega Imkamp. ‘Het is extra wrang als je dicht bij de gemeentegrens woont en je dat andere adres waar het wel lukt met eigen ogen kunt zien. Dat wordt als heel oneerlijk ervaren.’

Een belangrijk twistpunt is de zorg van mantelzorgers. Je familie verzorgen is normaal, stelt de wet. ‘Maar is het normaal dat je je dochter van 23 jaar met spina bifida (open rug) overal naartoe brengt, of dat je je demente Turkse vader twee keer per dag naar het koffiehuis brengt?’ vraagt Vermaat. Als de hulp ‘bovengebruikelijk’ is, kan een naaste betaald worden uit het persoonsgebonden budget. Maar wat precies ‘bovengebruikelijk’ is, blijft veelal onduidelijk, omdat gemeenten dit niet definiëren.

Een mantelzorger die deze hulp vrijwillig wil verlenen, hóeft niet betaald te worden. Een gemeente mag iemand echter niet dwingen om vrijwillig mantelzorger te zijn, zo oordeelde de hoogste rechter, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), begin 2017. Het ging hierbij om een uitwonende dochter die een persoonsgebonden budget ontving om bij haar moeder schoon te maken.

Toch worden mensen vaak onder druk gezet om die niet normale zorg wel gratis te leveren, zegt Jacqueline Gomes van Per Saldo, de vereniging van mensen met een persoonsgebonden budget. ‘Dan vraagt de gemeente bijvoorbeeld: wat doe je als we niet betalen? Ik zou mensen bijna gaan adviseren om ongeacht de vraag “nee” te blijven zeggen.’

‘A ls er iemand is die alle hoeken en gaten van de wetten, loketten en argumenten kent om tot goede ondersteuning te komen, zou ik dat moeten zijn’, zegt Illya Soffer, directeur van Ieder(in), de koepelorganisatie voor mensen met een beperking of chronische ziekte. Maar zelf kreeg zij het na de decentralisatie niet voor elkaar om passende zorg te krijgen voor haar twee zonen. ‘De gemeente vond eerst dat drie uur ondersteuning per week genoeg was. Twee jaar later bleek uit onafhankelijk onderzoek dat het dertig uur had moeten zijn. Als ik de weg al niet kan vinden, hoe moeten andere mensen dat dan doen?’ Een passende oplossing vraagt uithoudingsvermogen: brieven sturen, bellen, in bezwaar gaan, en in beroep. ‘En als het dan nog niet lukt, moet je tot het gaatje willen gaan om het goed te krijgen. Dat is wel een heel pijnlijke vraag aan mensen die het kwetsbaarst zijn in de samenleving.’

‘Het rijk gooide een schoenendoos over de muur van: hier heb je het. Met minder geld en zoek het verder maar uit. Als je je maar aan deze regels houdt. Dat voelt respectloos. Empathieloos’

Dat elke gemeente het beleid zelf kan invullen is te begrijpen, vindt Soffer. ‘Een rolstoel in Kerkrade moet een berg op kunnen rijden, een rolstoel in Almere niet. Maar de vrijheid heeft geleid tot een lappendeken van uitvoering, waardoor men in de ene gemeente wel een hulpmiddel of voorziening krijgt en in de andere niet.’ Haar organisatie heeft een lange lijst met verschillen: in wachttijden; het al of niet aanbieden van vervangende zorg voor mantelzorgers; voor hoelang je een voorziening toegewezen krijgt; in consulenten die al of niet deskundig zijn.

Sinds 2015 is het aantal persoonsgebonden budgetten uit de Wmo bovendien afgenomen met ruim dertig procent, blijkt uit cijfers van de Sociale Verzekeringsbank (svb). Volgens Soffer omdat er gemeenten zijn die mensen ontmoedigen om met dat budget zelf een zorgaanbieder te kiezen. ‘Er zijn gemeenten die altijd heel laag inzetten en als mensen dan gaan piepen, wordt er eventueel nog wat verhoogd.’

‘Iedereen had het gevoel onderdeel te zijn van het plan. Dat werkte goed.’ Yolan Koster, zelf in een rolstoel, ontwikkelde als wethouder in de gemeente Woerden samen met de inwoners lokaal beleid. Er zijn dan ook vrijwel geen rechtszaken over de Wmo in Woerden. In mei 2018 verruilde ze Woerden voor Bergen (NH). ‘Dit is een gemeente waar mensen relatief oud zijn. Dan is het logisch dat je arrangementen maakt die passen bij die demografie.’

Koster gelooft in het systeem van dichter bij de burger, passende zorg leveren. Maar hoe zit dat dan met de willekeur? ‘Wat is er mis met ongelijkheid?’ werpt ze tegen. ‘Het moet wel rechtvaardig zijn. Maar verschillen zijn onvermijdelijk als je het leven van mensen als uitgangspunt neemt.’

Als mensen in dezelfde situatie in de ene gemeente wel ondersteuning krijgen en in de andere niet, dan is dat het gevolg van beleid, vindt Koster. ‘Vastgesteld door de gemeenteraad, waar jij voor hebt gestemd.’ En als je dan geen passende hulp kunt krijgen, moet je dan verhuizen? ‘Ja, ik denk dat ik het serieus zou overwegen. Ik kan het niet anders maken.’

Toch is ze niet te spreken over de uitvoering van de decentralisatie. ‘Het rijk gooide een schoenendoos over de muur van: hier heb je het. Met minder geld en zoek het verder maar uit. Als je je maar aan deze regels houdt.’ Hoe dat voelt? ‘Respectloos, naar inwoners, van de ene overheidslaag naar de andere. Empathieloos.’ Er was ook amper tijd om beleid te ontwikkelen. ‘Terwijl de verbouwing gaande was, was de winkel al open. Het was moeilijk om te begroten. Je bent eigenlijk een hele tijd gewoon maar aan het doen, zonder te denken. Dat is heel onverstandig.’

In 2015 kregen gemeenten met de extra taken ook nog een bezuiniging van dertig procent, vertelt Maarten Allers, hoogleraar Economie van decentrale overheden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Maar het budget van de Wmo is moeilijk te beheersen. Om efficiënter te werken, stelden sommige gemeenten bijvoorbeeld wijkteams in. Maar het Centraal Planbureau (cpb) constateerde onlangs dat die wijkteams juist méér Wmo-zorg toekennen. ‘Er is niet één recept dat in Amsterdam én op Ameland werkt’, zegt Allers.

Vlak na de decentralisatie hielden de meeste gemeenten geld over; deels omdat zorgaanbieders hun facturen te laat opstuurden, maar hoogstwaarschijnlijk ook omdat gemeenten de hand op de knip hielden. Vanaf 2016 stegen de begrotingen en uitgaven echter weer, waarna sommige gemeenten nog steeds flink overhielden en andere over hun begroting heen gingen.

Rijke gemeenten kunnen zich meer veroorloven dan arme gemeenten. ‘Maar gemeenten hebben een zorgplicht; je kunt inwoners niet in de kou laten staan’, zegt Allers. Gemeenten moeten ondersteuning bieden als iemand niet zelfredzaam is of kan participeren. Als er ineens veel inwoners aan de lokaal vastgestelde criteria voor recht op ondersteuning voldoen, lopen gemeenten risico om flink over hun budget heen te gaan. Dat risico is nu verhoogd door het nieuw ingevoerde abonnementstarief. Vanaf januari 2019 betaalt een hulpbehoevende slechts 17,50 euro aan eigen bijdrage voor huishoudelijke hulp per vier weken, onafhankelijk van het inkomen. Gemeenten vrezen nu een toename van aanvragen van de midden- en hogere inkomens. Ze zijn verplicht om hulp te betalen als een burger die nodig heeft om thuis te kunnen blijven wonen. ‘Gemeenten hebben niet de vrijheid daar zelf op te sturen, maar ze moeten wel de rekening betalen’, zegt Allers.

‘De gemeente erkent dat ik hulp nodig heb , maar ze kunnen niets geven door hun eigen stomme beleid!’ In het gemeentehuis van Eindhoven zitten acht ouderen aan tafel druk te discussiëren. ‘Maar Wevers lost die zaken gelukkig op’, zegt een van hen. Advocaat Kevin Wevers staat hen bij tijdens de hoorzitting over hun ingediende bezwaren. Vandaag zijn er 44 zittingen gepland, normaal zijn dat er maximaal drie of vier per dag. Maar omdat de gemeente ruim driekwart jaar wachtte met reageren en er boetes dreigen vanwege de overschrijding van juridische deadlines, moet alles nu op één dag.

Eindhoven heeft in 2017 aan de Wmo 24 miljoen euro meer uitgegeven dan begroot. Er was veel meer vraag naar ondersteuning dan de gemeente had gedacht, geeft de gemeentewoordvoerder als verklaring. Vanaf januari 2018 geeft de gemeente daarom niet meer aan hoeveel uur huishoudelijke hulp iemand krijgt, maar dat het resultaat ‘een schoon en leefbaar huis’ moet zijn. In de praktijk betekent dit zogeheten ‘resultaatgericht indiceren’ dat veel mensen flink worden gekort op hun uren huishoudelijke hulp. ‘Soms wel van acht naar anderhalf uur per week’, zegt Wevers. Hij zette vorig jaar februari, samen met vakbond fnv, een actie op touw om burgers te helpen bezwaar te maken tegen de gemeente. Op dit moment begeleidt hij honderdvijftig bezwaarmakers.

Tineke IJntema is slechtziend en zit in een rolstoel, haar partner heeft MS. Het tweetal werd van 5,5 uur per week naar twee gekort op de huishoudelijke hulp. Inmiddels is dat omhooggeschroefd naar drie uur, nog 2,5 uur minder per week dan voorheen. De zaak speelt nu al zo lang, vertelt ze in tranen na afloop van de hoorzitting, dat ‘er nu echt dingen gaan vervuilen’. ‘Tineke moet één of twee keer per dag het bed van haar man verschonen’, vertelt vriendin Trijnie Boekhoud ‘Het lijkt wel of de gemeente vooral zoekt naar waar het voordeliger kan. Zo werd aan haar gevraagd: “Kunt u de bedden van u en uw partner niet uit elkaar schuiven?”’

Omdat de gemeente zo traag besluiten neemt, komt het volgens Wevers vaak voor dat de ondersteuning alweer tekortschiet op het moment dat hij wordt toegezegd. ‘Regelmatig zitten bij ons cliënten huilend op kantoor.’

‘Zijn de verschillen wel te herleiden tot lokale keuzes, of zijn ze ontstaan door bijvoor­-beeld bureaucratische voorkeuren, of onder invloed van schimmige private zorgaanbieders met kapitaalbelangen?

Over de huishoudelijke hulp werd de gemeente in december 2018 door de rechter op de vingers getikt. Eindhoven moet niet alleen het resultaat, maar ook het aantal uren aangeven. Maar de gemeente staat nog steeds achter het resultaatgericht indiceren, dat is ingevoerd om professionals de ruimte te geven om over het aantal uren te beslissen en vanwege de tekorten. De Eindhovense wethouder Renate Richters vindt ook dat het indiceren met taken en de frequentie voldoende houvast biedt. ‘Als je wil kun je allemaal afvinken of dat gebeurt.’ ‘Ze proberen het gewoon en komen ermee weg’, reageert Wevers. Hij pleit voor een onafhankelijk instituut dat klachten behandelt en gemeenten boetes op kan leggen. ‘Alleen de gemeenteraad en minister hebben de bevoegdheden om gemeentebesturen aan te spreken. Maar dat gebeurt nauwelijks. De ombudsman mag slechts advies geven. Dit schiet niet op zo.’

Minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid schreef op 12 april in een Kamerbrief dat hij het resultaatgericht indiceren mogelijk wil blijven maken, zolang gemeenten maar controleren of het resultaat (‘een schoon huis’) behaald is. Advocaat Vermaat heeft hier ernstige twijfels over. ‘Als de rechter zegt dat iets niet kan, zou je het beter moeten gaan regelen. In plaats daarvan gaat minister De Jonge de wet proberen te veranderen. Alsof de rechtsonzekerheid daarmee verdwijnt.’ Naast Eindhoven komt het resultaatgericht indiceren ook voor in Rotterdam, Leeuwarden en een aantal Twentse gemeenten.

S ommige gemeenten vinden dat regels, welke regels dan ook, maatwerk in de weg staan, is de ervaring van Ingeborg Lunenburg, juridisch expert op het gebied van de Wmo. Ook de Vereniging Nederlandse Gemeenten (vng) is die mening toegedaan omdat het nou juist gaat om professionele ‘afwegingsruimte’.

Lunenburg is het daarmee niet eens. Ze helpt gemeenten met het schrijven van hun regelgeving en geeft trainingen aan uitvoerders van de Wmo, waarin ze uitlegt hoe je de regels en maatwerk kunt toepassen. Medewerkers van gemeenten met weinig regels vinden het moeilijk om de wet uit te voeren, is haar ervaring. ‘Dan verschilt het resultaat dus afhankelijk van de consulent die je tegenkomt. Dat leidt tot willekeur; geen maatwerk.’

De wet zelf geeft volgens haar voldoende houvast om maatwerk te leveren. ‘Gemeenten moeten motiveren hoe ze naar de persoon hebben gekeken, en waarom ze iets wel of niet toekennen.’ Welke criteria ze daarbij gebruiken, moeten ze uitwerken in hun regelgeving. Bij de keuze tussen een woningaanpassing of moeten verhuizen, moet een gemeente bijvoorbeeld kijken naar de kosten van de aanpassing en de beschikbaarheid van andere woningen. Als een verhuizing goedkoper is, moet de gemeente ook kijken naar de gevolgen daarvan. Pas als alles is meegewogen, kan een objectief besluit worden genomen.

Gijsbert Vonk, hoogleraar socialezekerheidsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen, twijfelt of de lokale democratie wat betreft de Wmo goed werkt. ‘Zijn de verschillen wel te herleiden tot lokale keuzes, of ontstaan die toevallig? Door bureaucratische voorkeuren bijvoorbeeld, of onder invloed van schimmige private zorgaanbieders met kapitaalbelangen?’ Bovendien besteden wethouders en raadsleden volgens hem veel uit aan samenwerkingsverbanden tussen gemeenten en private zorgaanbieders. Dat betekent meer onduidelijkheid voor burgers, en voor de medewerkers in de zorg meer druk. ‘Gemeenten zijn geneigd om een deel van de eigen verantwoordelijkheid te lozen naar zorgaanbieders, waardoor de burger in feite te maken krijgt met een private partij in plaats van met de overheid.’

Over het onderzoek

Voor dit onderzoek naar de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning dompelden we ons onder in een wereld van aanvragen, bezwaarschriften en rechtsprocedures. Van mantelzorgmakelaars en advocaten tot beleidsmedewerkers en wethouders. Voor dit onderzoek bestudeerden wij rapporten, onderzoeken, (juridische) beleidsdocumenten, rechterlijke uitspraken en openbare (financiële) data van het cbs, scp en de svb. We interviewden zeventig hoogleraren, onderzoekers, vakbondsleden, (praktijk)experts, zorgverleners, mantelzorgmakelaars, advocaten, juristen, beleidsmedewerkers, wethouders en medewerkers van betrokken organisaties. We gingen op bezoek bij mantelzorgers en Wmo-aanvragers door heel Nederland en namen hun dossiers door.

Uit cijfers van de Raad voor de Rechtspraak blijkt dat er sinds de decentralisatie 6861 rechtszaken zijn gevoerd over de Wmo, waarvan er 1570 tot aan de hoogste rechter, de Centrale Raad van Beroep, zijn uitgevochten. Ruim een derde van de zaken wordt weer ingetrokken, wat kan betekenen dat de gemeente en burger bijvoorbeeld tot een schikking zijn gekomen of dat de periode waarover de zaak ging is afgelopen. In 41 procent van de Wmo-zaken die de eindstreep halen, krijgt de burger gelijk.

Dat er zoveel rechtszaken tegen gemeenten worden gewonnen, verbaast de hoogleraar niet. ‘Gemeenten dachten dat ze veel vrijheid hadden, maar juridisch gezien was dat niet zo. Ze bedachten het nodige waarmee ze bezuinigingen konden inboeken en krijgen vervolgens van de rechter te horen dat ze die vrijheid en bevoegdheden helemaal niet hebben. Maar inmiddels was de bezuiniging al ingeboekt.’

Uit de evaluatie van de decentralisaties concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau dat gemeenten de continuïteit van de Wmo-ondersteuning na de decentralisatie gewaarborgd hebben en dat ontvangers van de ondersteuning positief zijn over de hulp. Maar uit datzelfde rapport blijkt ook dat de eenzaamheid onder Wmo-gebruikers sinds de decentralisatie is toegenomen. In 2017 voelde twintig procent van de mensen in de Wmo, onder wie voornamelijk ouderen, zich zeer eenzaam. Ook verwachten minder mensen dan voorheen een beroep te kunnen doen op hun netwerk.

Wijkteamleden en Wmo-consulenten krijgen de opdracht mee om zelfredzaamheid te bevorderen en te vragen of het netwerk méér kan doen. In de praktijk lukt dat meestal niet omdat er vaak al veel mantelzorg wordt gegeven, blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit van Humanistiek. Soms tonen consulenten dan ook ‘stil verzet’ tegen deze opdracht. Ze zeggen dan bijvoorbeeld dat ze zelfredzaamheid bevorderen, maar geven professionele zorg. Anderen protesteren soms openlijk tegen het ideaal van zelfredzaamheid.

Om mensen te helpen om in het complexe zorglandschap de weg te vinden, is een beroep ontstaan: mantelzorgmakelaar. Die heeft kennis over alle zorgwetten en helpt de burger onder andere om zorg aan te vragen. ‘Ik vergelijk het met een accountant’, zegt mantelzorgmakelaar Yvonne de Haan. ‘Die adviseert ook om de goede dingen te doen met je financiën.’ Om in de regels te kunnen navigeren heeft de makelaar zelf eerst een post-hbo-opleiding nodig. En gek genoeg wordt een mantelzorgmakelaar na die opleiding soms vergoed door verzekeraars en zelfs door een aantal gemeenten. Geld dat wordt besteed om de eigen formulieren te kunnen invullen.

‘Mantelzorgers zijn onmisbaar in het hele stelsel’, zegt De Haan. ‘Ze besparen de overheid tien procent van het hele begrotingsbudget voor zorg. Dan heb je het over 75 of 80 miljard zorgkosten, waarvan acht miljard door mantelzorgers wordt opgevangen.’ Als een mantelzorger uitvalt, verdubbelen de zorgkosten. ‘En wie moet die zorg dan gaan verlenen?’

De bereidheid om mantelzorg te geven neemt wel toe, concludeert MantelzorgNL, de belangenvereniging voor mantelzorgers, uit onderzoek uitgevoerd samen met EenVandaag. ‘Maar daar verstaan mensen vooral lichte hulp onder zoals boodschappen doen of een luisterend oor bieden’, verduidelijkt Liesbeth Hoogendijk, directeur van MantelzorgNL. ‘Voor langdurige intensieve zorg zoals aankleden of persoonlijke verzorging is de bereidheid minder. De vraag die nu vaak aan mantelzorgers wordt gesteld is: wat kun je zelf doen? Terwijl de vraag zou moeten zijn: hoe kunnen we jou helpen om te blijven mantelzorgen?’

Inmiddels zijn er drie erkende opleidingen voor mantelzorgmakelaar. De Haan, die afgelopen maart een opleiding is gestart, ziet een groeiende markt. Er zullen in de toekomst minder kinderen zijn die voor hun ouders kunnen zorgen. Tegenover iedere 85-plusser staan nu nog tien mogelijke mantelzorgers; over twintig jaar zijn er dat nog maar vier. En van de huidige 4,4 miljoen mantelzorgers in Nederland voelt 8,6 procent zich al zwaarbelast, blijkt uit een studie van het scp. ‘Dan praat je over bijna vierhonderdduizend mensen die allemaal een beroep zouden kunnen doen op de mantelzorgmakelaar. Ik zou zeggen dat er genoeg werk moet zijn.’


Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (fondsbjp.nl)