Verkade versus veronica

De een wil kalm wandelen in Verkadeplaatjes, de ander wil op survivaltocht in een Veronicawildernis. Maar beiden gaan ze ervan uit dat hun ideaal in Nederland te verwezenlijken valt. Alsof de natuur zich gedraagt zoals de beleidsmakers voorspellen. Tijd voor een postmoderne aanpak van ons landschap.
IN ZIJN MAGISTRALE BOEK Landscape and Memory stelt Simon Schama dat er altijd twee soorten Arcadie zijn geweest, het pastorale en het primitieve landschap, die hij allebei als vrucht van de stedelijke verbeelding beschouwt. Hiertussen bestaat vanouds een spanning die zich volgens Schama ook in de debatten binnen de natuurbescherming en de milieubeweging doet gevoelen. Het Nederlandse natuurbeleid vormt een goede illustratie van deze stelling. Dit beleid wordt namelijk al decennia lang heen en weer geslingerd tussen de pastorale en de primitieve verbeelding van het ideale landschap, wat maar al te vaak geleid heeft tot onevenwichtige en onaantrekkelijke compromissen. Kritiek op dit beleid viel tot voor kort slechts in kringen van de meest betrokken experts te beluisteren.

Daarin lijkt met de implementatie van het nationale Natuurbeleidsplan (1989) verandering te komen. Dit plan behelst de realisering van de zogenaamde ‘Ecologische Hoofdstructuur’, een netwerk bestaande uit enkele kerngebieden (zoals de Veluwe en de Biesbosch), een aantal kleinere natuurgebieden en de verbindingen daartussen. Deze structuur omvat een gebied dat zo groot is dat de 700.000 woningen die in het kader van het Vinex- beleid gepland zijn er samen met een uitgebreid Schiphol en een tweede Maasvlakte moeiteloos in zouden passen. Het betreft dan ook de grootste ruimtelijke ingreep die Nederland de komende jaren te wachten staat. De hoogste tijd dus voor een fundamentele discussie.
HET VADERLANDSE MODEL bij uitstek van de pastorale verbeelding wordt gevormd door het landschap van rond 1850, toen onze samenleving zich opmaakte voor grootschalige moderniseringsprocessen. De toenemende industrialisatie en urbanisatie leidden onder de stedelijke bevolking tot een hunkering naar het platteland als oord van verpozing. In deze behoefte kon weldra door het rijwiel en later door de auto worden voorzien. Door het zich snel uitbreidend wegennet werd een landschap ontsloten dat als gevolg van de mechanisatie van de landbouw en van de ontginning van woeste gronden gedoemd was te verdwijnen. Wie niet over voldoende middelen beschikte om dit verdwijnend landschap zelf in ogenschouw te nemen, kon zijn hart ophalen aan de tijdschriften die allerwegen uit de bodem schoten. Met name de beroemde Verkade-albums van Thijsse en Tienhoven brachten de pastorale idylle binnen het bereik van de kleine beurs.
Dank zij de sterk uiteenlopende vormen van grondgebruik bood het Nederlandse landschap omstreeks 1850 een afwisselende aanblik met een grote verscheidenheid aan planten en vogels. Dit landschap geldt vooral in kringen rond Natuurmonumenten nog steeds als het voorbeeld van een geslaagd samenspel van maatschappelijke gebruikspatronen en natuurlijke ontwikkelingsprocessen. Om dit cultuurhistorisch landschap, bestaande uit grienden, schraallanden, trilvenen, heidevelden en zandverstuivingen, in stand te houden, is menselijk ingrijpen onontbeerlijk. Het beheer van deze Verkade-natuur komt neer op een voortzetting van traditionele agrarische technieken, zoals maaien, plaggen en rietsnijden. Zo'n aanpak dreigt Nederland in een groot openluchtmuseum te veranderen. Gezien de toenemende verstedelijking leidt zo'n defensieve benadering bovendien onvermijdelijk tot versnippering, tot wat wel als 'bloempottenlandschap’ wordt aangeduid.
Tegen deze uitwassen van de pastorale verbeelding verzet zich de primitieve verbeelding van het landschap. Zij is offensief van aard en wil nieuwe natuur ontwikkelen naar het model van de ongerepte wildernis. De voorstanders van zo'n natuurontwikkeling beschouwen 'boerennatuur’, ook die van rond 1850, als onttakelde, kwakkelende natuur die voortdurend onderhoud vergt, waarvan de kosten niet opwegen tegen de baten.
Terwijl de pastorale verbeelding van het Nederlandse landschap telkens weer tot behoud en bescherming van typische Verkade-natuur inspireert, richt de primitieve verbeelding zich momenteel op het ontwerpen en ontwikkelen van wat het best als Veronica-natuur kan worden aangemerkt. Het zijn namelijk de commerciele omroepen die zich met steun van het Wereld Natuur Fonds, de ANWB, de grindwinners en de baksteenindustrie hebben opgeworpen tot voornaamste propagandisten van woeste natuur. Zij willen het 'bloempottenlandschap’ omgetoverd zien in een 'avonturenlandschap’ waarin met name de randstedelijke recreanten hun stressbestendigheid op peil kunnen houden door zich aan spannende wilderniservaringen over te geven. En het is nu juist deze verbeelding van het landschap die het Nederlandse natuurbeleid momenteel lijkt te domineren.
Volgens de primitieven kan de mens de natuur niet verrijken, zoals de pastoralen menen; hij kan haar slechts verstoren. Niet verweving maar scheiding van functies luidt hun devies. Wanneer de natuur via een aantal technische ingrepen maar eenmaal van menselijk ingrijpen gevrijwaard kan worden, zo luidt hun enigszins paradoxale suggestie, dan kan zij verder op eigen kracht vooruit, hetgeen goedkoper zou zijn dan het klassieke natuurbeheer.
De primitieven verwerpen het landschap van rond 1850 als objectief criterium voor natuurbeleid en baseren zich in plaats daarvan op de zogenaamde 'Ecologische Referentie’. Die geeft aan wat er in Nederland op dit moment aan natuur zou zijn wanneer de mens er niet zou hebben huisgehouden. Zij orienteren zich daarbij op de situatie zoals die in het laatste interglaciale tijdperk bestaan zou hebben, omdat dit tijdperk klimatologisch gezien nog het meest overeenkomt met ons huidige tijdperk, maar vooral omdat de mens toen nog niet over afstandswapens beschikte en dus niet in staat was zijn natuurlijke vijanden aan zich te onderwerpen.
DE PRIMITIEVEN ZIJN allergisch voor zogenaamde 'exoten’, planten en dieren die hier eigenlijk - 'van nature’ - niet thuishoren. Werkelijk inheems zijn slechts die organismen die de Lage Landen na de laatste ijstijd geheel op eigen kracht bereikt zouden hebben. Schapen horen daar bijvoorbeeld niet toe, evenmin als fazanten, huismussen en huiszwaluwen. Doordat onze voorouders op ontstellende wijze met teeltmateriaal gesleurd hebben, blijken ook onze spaarzame bossen voornamelijk uit exoten te bestaan. Als gevolg van deze 'genetische vervuiling’ door uitheems materiaal is de vitaliteit van onze vaderlandse bossen sterk achteruitgegaan.
De primitieven streven naar de (her)introductie van soorten die hier door tussenkomst van de mens niet meer aanwezig zijn. Dat geldt met name voor de grote planteneters en roofdieren. Door de inzet van grote planteneters, van grazers (zoals runderen), snoeiers (reeen en elanden) en intermediate feeders (edelherten en wisenten), kan dichtgroeien van bossen worden voorkomen en ontwikkelt het landschap zich tot een mozaiek met afwisselend open en dichte plekken. Tenminste voor zover ook de (her)- introductie van grote roofdieren, zoals wolven en lynxen, voortvarend ter hand wordt genomen. Gebeurt dit niet, dan verspreiden de planteneters zich onvoldoende en krijgen bossen geen kans zich over de hele linie te verjongen. In gebieden met roofdieren zijn er voor planteneters geen veilige plaatsen meer en zo wordt hun mobiliteit dus krachtig bevorderd. Veel soorten die zich hier na de laatste ijstijd gevestigd zouden hebben, zijn uitgestorven. Voor sommige daarvan zijn echter goede vervangers beschikbaar. Zo dient het heckrund als surrogaat van de oeros (x1627) en neemt de konik de honneurs waar voor de tarpan (x1887), het Europese wilde paard.
Voor de primitieven draait alles om 'verwildering’. De al dan niet opnieuw geintroduceerde kuddes moeten zich een proces van 'de-domesticatie’ laten welgevallen. Door ze rechtsstreeks bloot te stellen aan ziekte, voedselgebrek en roofdieren moeten natuurlijke selectieprocessen weer een kans krijgen. Onder druk van deze processen moeten ze weer leren zich op eigen kracht en op seizoensgebonden wijze voort te planten, zich in harems te organiseren en zich allerlei vaardigheden eigen te maken - 'er is al een galloway bij Beuningen de Waal overgezwommen’, meldde Trouw op 29 november 1995.
Niet alleen de levende, ook de niet-levende natuur moet aan verwildering worden onderworpen. Om wind- en waterdynamiek vrij baan te verschaffen moeten bepaalde processen, zoals overstroming en uitdroging van bijvoorbeeld uiterwaarden, weer op gang gebracht worden. Daartoe worden zomerdijken doorgestoken, kleilagen afgegraven, nevengeulen aangelegd en hoge gronden opgeworpen. Het meest ambitieuze natuurontwikkelingsproject van dit moment, het Grensmaasproject, doet qua grootschaligheid niet onder voor de Deltawerken. Dit project wordt aan het grote publiek verkocht onder de pakkende slogan 'Groen voor Grind’, waarmee de indruk wordt gewekt dat grindwinning en natuurontwikkeling hier braaf hand in hand gaan. Een 'win-win-situatie’ heet zoiets in eigentijds jargon.
De uitvoering van het vooral door de primitieve verbeelding geinspireerde natuurbeleid stuit echter in toenemende mate op weerstand. Het ontbreekt in hoge mate aan draagvlak, vooral onder boeren en buitenlui, die ter realisering van de Ecologische Hoofdstructuur plaats moeten maken voor moerassen, ooibossen, zwarte ooievaars, bevers, elanden, wisenten, lynxen en wolven. Maar ook in breder verband lijkt de twijfel momenteel toe te slaan. In de tweede helft van april organiseert de 'Keijenberg-groep’, bestaande uit landschapsarchitecten en landschapsecologen, het congres Vormgeven aan natuur in Nederland. Als aanleiding hiertoe noemen de organisatoren de noodzaak om, gezien de aanstaande gedaanteverandering van het Nederlandse landschap, in veel bredere kring dan tot nu toe gebruikelijk tot meningsvorming te komen over de maatschappelijke en culturele betekenis van natuurbescherming en natuurontwikkeling. En ruim een maand later, op 1 juni, organiseert het Rathenau Instituut vanuit dezelfde gedachte een publiek debat onder de titel Natuurontwikkeling: waarom en hoe? Als voorschot op deze discussies zou ik hier ten aanzien van het huidige natuurbeleid twee kwesties aan de orde willen stellen: de kwestie van de wetenschappelijke onderbouwing en de kwestie van de esthetische vormgeving.
DE ECOLOGISCHE UITGANGSPUNTEN van het Nederlandse natuurbeleid gaan terug op Evelyn Hutchinson. In een baanbrekend artikel uit 1946 onderscheiddde hij twee nauw met elkaar samenhangende benaderingen, de 'biogeochemische’ en de 'biodemografische’ benadering. In biogeochemisch perspectief verschijnt de gehele biosfeer als een reusachtig raderwerk dat dank zij de aanwezigheid van een reeks terugkoppelingsmechanismen in een dynamisch evenwicht verkeert. Deze vergelijking keert terug in de voornaamste achtergrondstudie voor het nationale Natuurbeleidsplan: 'In complete ecosystemen zijn alle radertjes van de machinerie aanwezig en loopt het geheel op zonne-energie zonder verdere input van buitenaf.’ Gezien het grote aantal ingenieurs onder natuurbeleidsmakers wekt het geen verbazing dat er van dit machinale natuurbeeld de nodige aantrekkingskracht uitgaat. Binnen een en hetzelfde betoog schakelt men met groot gemak over van een deemoedig holisme, waarin de 'oernatuur’ als verheven subject gevierd wordt, naar een hoogmoedig scientisme, waarin sprake is van het instellen van de 'graasdruk’ door planteneters, van de 'aantalsregulatie’ van deze natuurlijke maai- en snoeimachines door hun effectieve natuurlijke vijanden etcetera.
Omdat het streven naar complete ecosystemen in de Nederlandse context op luchtfietserij neerkomt, heeft Hutchinsons biodemografische benadering uiteindelijk de doorslag gegeven. Deze benadering staat centraal in de zogenaamde 'eilandentheorie’ van Robert MacArthur en Edward Wilson. Deze theorie voorspelt hoeveel vogelsoorten op een bepaald eiland zullen voorkomen, waarbij de grootte van het eiland en de afstand tot het vasteland de belangrijkste parameters zijn.
De eilandentheorie vormt de voornaamste basis van de Ecologische Hoofdstructuur, met dien verstande dat natuurgebieden daarbij als eilanden temidden van een steeds verder oprukkend cultuurlandschap worden opgevat. Op grond van deze theorie streeft men ernaar het oppervlak van aaneengesloten natuurterreinen zo groot mogelijk te maken en daartussen zoveel mogelijk verbindingen aan te brengen, bijvoorbeeld in de vorm van ecoducten en ecolinten.
Het onderzoek dat ondernomen werd om de eilandentheorie empirisch te toetsen, heeft tot nu toe geen eenduidige antwoorden opgeleverd. Deze theorie is momenteel dan ook heftig omstreden. Dat geldt a fortiori voor de toepassing van deze theorie in cultuurlandschappen, waar de grenzen tussen de geisoleerde natuurgebieden en het omringende milieu veel vager zijn dan in de oorspronkelijke situatie. Er zijn drie discussies gaande, die aan de meest essentiele aspecten van de eilandentheorie raken. Het is ten eerste de vraag wat beter is: een groot gebied of verschillende kleine gebieden. Het is ten tweede de vraag of de ligging van de natuurgebieden ten opzichte van elkaar er wel toe doet. En het is ten derde de vraag of de voordelen van corridors wel opwegen tegen de nadelen. Corridors zijn bedoeld om de overlevings kansen van populaties te vergroten door ze met elkaar te verbinden en daardoor uitwisseling van individuen mogelijk te maken. Corridors verschaffen echter ook meer bewegingsvrijheid aan virussen en parasieten, waardoor ziekten zich snel over populaties kunnen verspreiden. Bovendien kan door de vrije uitwisseling van genetisch materiaal de genetische variabiliteit in gevaar komen.
MAAR ER IS NOG EEN andere reden voor scepsis. Wat beide benaderingen, die het huidige natuurbeleid bepalen, met elkaar gemeen hebben is het onderliggende beeld van de natuur als een zichzelf regulerend systeem. Zowel de ecosysteemtheorie als de eilandentheorie koestert de voorstelling van een ordelijke, in evenwicht verkerende natuur, die in principe volledig kenbaar en stuurbaar is. Het uitgangspunt van natuurontwikkeling is het zogenaamde 'actualisme’. Dat houdt in dat natuurlijke processen tijdloos zijn en steeds opnieuw zullen optreden zodra maar aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze statische visie op de natuur wordt door een toenemend aantal ecologen naar het rijk der fabels verwezen. Overal waar we bestendigheid verwachten, vinden we volgens deze ecologen slechts verandering. De ongestoorde natuur is niet constant, noch op het niveau van ecosystemen, noch op dat van populaties, welke tijdsinterval of ruimtelijke schaal we ook kiezen.
De gedachte dat verandering 'natuurlijker’ is dan stabiliteit, is gemeengoed onder de evolutionaire ecologen die zich als geduchte rivalen van de systeemecologen hebben opgeworpen. De natuur is volgens de evolutionaire ecologen minder voorspelbaar en dus ook minder beheersbaar dan de systeemecologen het doen voorkomen. De evolutionaire ecologen hebben de idee van een scherp afgebakend, stabiel, zichzelf regulerend systeem verlaten; zij vragen aandacht voor toestanden die 'ver uit evenwicht’ zijn en erkenning voor de rol van unieke situaties en historische gebeurtenissen.
Een recente evaluatie van het oudste natuurontwikkelingsproject, de Duursche Waarden, lijkt het evolutionaire standpunt te bevestigen. Vijf jaar na de start van dit project bleek de natuur zich veel wispelturiger te gedragen dan aan de tekentafel was gepland. Een van de meest expliciete doelstellingen was het behoud van de zeldzame kwartelkoning, maar het was uitgerekend deze vogel die als eerste soort verdween. Ook de poging om de oeverzwaluw terug te krijgen mislukte; de vogel weigerde intrek te nemen in de speciaal daarvoor gebouwde steilwand. Bovendien is er minder gras en moeras en meer bos ontstaan dan werd voorzien. Als klap op de vuurpijl bleken de hooglanders en IJslandse pony’s vanwege hun onvoorspelbare graasgedrag niet te voldoen en worden ze nu vervangen door galloways in de hoop dat die beter functioneren.
Dat de natuurlijke maai- en snoeimachines zich heel anders gedragen dan de beleidsecologen veronderstellen, was al eerder in de Biesbosch gebleken. Hier werden bevers uitgezet in de verwachting dat ze zich op de wilgen zouden storten om zo ruimte te scheppen voor schaarse houtsoorten. De bevers weigerden echter het werk te doen waarvoor ze ingehuurd waren, het uitdunnen van het dichte wilgenstruweel, en verlustigden zich in plaats daarvan aan de zeldzame soorten waarvoor ze juist de weg vrij moesten maken.
Dat de overheid blindelings vertrouwt op een uiterst discutabele theorie is erg genoeg; dat ze bij de vormgeving van het landschap onvoldoende oog heeft voor esthetische aspecten is zo mogelijk nog erger. In de Nota Landschap van 1992 worden als hoeksteen van beleid weliswaar telkens weer de zogenaamde 'drie E’s’ opgevoerd (de Esthetische, de Ecologische en de Economische kwaliteit), maar bij nader inzien blijkt dat de esthetiek volkomen ondergeschikt is gemaakt aan de ecologie en de economie. In het door de natuurontwikkelaars gelanceerde 'casco’- concept, dat een centrale plaats in deze nota inneemt, wordt onderscheid gemaakt tussen laagdynamische en hoogdynamische functies. Bij laagdynamische functies draait het in hoofdzaak om ecologische processen die een stabiele omgeving nodig hebben om zich duurzaam te kunnen ontplooien; bij hoogdynamische functies gaat het primair om economische processen die juist gebaat zijn bij een grote ruimtelijke flexibiliteit. De kern van het casco- concept behelst de scheiding van beide functies: de laagdynamische functies moeten worden gebundeld in een 'landschappelijk raamwerk’ (lees: de Ecologische Hoofdstructuur), de hoogdynamische functies in de zogenaamde 'gebruiksruimte’. Om te voorkomen dat het snelle wiel van de economie het trage wiel van de ecologie op den duur verbrijzelt, moet het Nederlandse landschap een 'landschap van twee snelheden’ worden.
In het casco-concept draait het dus uitsluitend om ecologie en economie en speelt de esthetiek geen rol. Of zoals het in de voornaamste achtergrondstudie voor de Nota Landschap eufemistisch heet: 'De esthetische component wordt niet op directe wijze door dit concept geindiceerd.’ Deze component krijgt volgens de auteur van deze studie pas inhoud in handen van de landschapsarchitect die een specifiek programma met een bepaald landschap moet verbinden. Hij vergelijkt de verhouding van planningsconcept en architectonisch concept met die tussen een verhaal en een verteller. 'Zonder verhaal is de verteller sprakeloos en zonder verteller blijft het verhaal een dode tekst.’ Kortom, de esthetiek heeft geen eigen verhaal en verdient ook geen eigen inbreng op het hoogste niveau van planning. Haar hulp wordt pas ingeroepen op het moment dat het landschap van de twee snelheden concreet gestalte moet krijgen.
IN HET LICHT VAN de revolutionaire gedaanteverandering die ons landschap te wachten staat, verschijnt de discussie tussen de voorstanders van klassiek natuurbeheer en de pleitbezorgers van natuurontwikkeling als volstrekt achterhaald. Verkade- en Veronica-natuur vormen allerminst aantrekkelijke alternatieven en een compromis tussen die twee, waar het onvermijdelijk op lijkt uit te draaien, is al helemaal onwenselijk. Het wordt hoog tijd dat men zowel de pastorale als de primitieve verbeelding van het landschap overstijgt. Daarvoor biedt onze postmoderne conditie gelukkig genoeg aanknopingspunten. Het postmodernisme heeft weer belangstelling gewekt voor de allang doodgewaande natuur-esthetiek, en heeft bovendien de mogelijkheid geopend voor een nieuwe dialoog tussen de verschillende tradities binnen de landschapskunst en de tuinarchitectuur met hun rijke en gevarieerde vormentaal. Welke schitterende resultaten bereikt kunnen worden door uit deze taal te putten, bewijst de herinrichting van een van de constructie-eilanden die na de voltooiing van de stormvloedkering in de Oosterschelde nutteloos achterbleven. De zanddepots op dit eiland werden afgewerkt tot grote plateaus. Door deze plateaus vervolgens met schelpen te bedekken werd het eiland een ideale rustplaats voor kustvogels. De schelpen werden in geometrische patronen geordend, met afwisselend lichte en donkere soorten, waardoor het contrast met de vloeiende kustlijn werd geaccentueerd. Omdat vogels de kleur kiezen die de beste camouflage biedt, vestigden verschillende populaties zich op uiteenlopende vlakken met schelpen. Door de combinatie van deze rechtlijnige vlakken en de rusteloze vluchtbewegingen van de vogels ontstaat telkens weer een ritmisch spel van licht en donker, waaraan dit eiland terecht de naam van ’s werelds grootste levende Zen-tuin te danken heeft.