Verkeersongeluk

Ik kan het beeld al vijf dagen niet van mijn netvliezen spoelen. Een man gehurkt naast een bijna levenloos lichaam. Zijn van het bloed druipende handen vormen een dubbel kussentje van warmte, zodat het hoofd van het slachtoffer de beet van het ruwe wegdek, na die van de autobumper, wordt bespaard. Het leven in de straat lijkt gestold. De tijd is niet meer dan een voetnoot onder aan een half geschreven bladzijde. De rug van de gehurkte man schokt onophoudelijk. Af en toe worden zijn snikken zo luid en krachtig dat hij zijn linkerhand met zichtbare tegenzin moet vrijmaken om de tranen uit zijn ogen te wrijven. De rode vingers hebben vage sporen en groteske vlekken op zijn gebruinde wangen achtergelaten.

Ook zijn gouden horloge is met het bloed van de gewonde besmeurd. De man moet net terug zijn van vakantie. Maar zijn lijf geurt niet meer naar het zand en het stuifwater van verre Zuid-Europese stranden. Op zijn transpirerende huid plakt nu het stof dat van het Rotterdamse asfalt opwaait. Om hem heen huppelt een blonde vrouw van in de veertig. Het moet zijn vrouw zijn. Haar jammerende stem klinkt hol in de langzaam volgelopen straat. Haar tekst is beperkt en zenuwslopend: ‘Hij gaat niet dood, hè? Zeg me dat-ie niet doodgaat!’ Bij het horen van de vraag en de dwingende opdracht die zijn machteloosheid blootleggen, weet de gehurkte man alleen met nog luidere snikken te antwoorden.
Een verkeersongeluk is altijd een drama. Het komt plots en onverwacht. Het ontregelt niet alleen het leven van de slachtoffers en verwanten, maar ook dat van omstanders, die met hun aan voyeurisme grenzende fascinatie voor plasma, tranen, zwaailichten en verbrijzelde botten onlosmakelijk verbonden zijn met de bloedige taferelen die ze op de openbare weg komen gadeslaan. Ik vrees dat ook ik gerekend moet worden tot het eigenaardige gilde der onbeschaamde voyeurs. In de loop der jaren, met name in mijn kindertijd, heb ik ongelooflijk veel auto-ongelukken gezien. Misschien komt het omdat mijn ouders altijd langs drukke en gevaarlijke wegen hebben gewoond. Te vaak zag ik hoe verbazingwekkend gemakkelijk het metaal in het vlees kan snijden, ledematen en rompen kan knakken en hoofden tot vormeloze proppen kan reduceren. Maar gek genoeg de sterkste indruk die mij tussen al die hemoglobine en op het wegdek gespatte hersenen is bijgebleven, wordt gevormd door een blote voet. Hij was het enige lichaamsdeel dat vanonder een bruine deken nog uitstak. Ernaast lagen nog drie bruine dekens, die samen de laatste herinnering waren van een gedecimeerde familie op weg naar haar vakantiebestemming. Ik vond die blote voet met een bebloede teen intrigerend en ik voelde vaag dat in dat vloekende detail iets van het mysterie van lot en bestaan moest zijn opgeslagen. Maar wat vooral van al die verkeersongelukken overblijft is de verslagenheid, de bijna religieuze ingetogenheid en de quasi-stilte, ondanks de nijverheid van hulpverleners, die als een gewichtig deksel op de acteurs en toeschouwers drukt.
Tot mijn verrassing en later ontsteltenis ontbrak die vertrouwde sfeer verleden week in de Rotterdamse straat. Nog nooit ben ik getuige geweest van een dergelijk oververhit, zwaar emotioneel, ja bijna hysterisch klimaat rondom een ongeluk. De snikkende man, de jammerende vrouw en al hun collega-winkeliers die solidair een traantje mee kwamen plengen. Een vriendin viel huilend in de armen van de blonde vrouw en zelfs onze wijkagent met zijn uitpuilende maag, oorbelletje en lange grijze staart leek versteend. De straat was door een politieauto afgezet, en twee andere waren slordig geparkeerd. Er stonden in totaal zes politiebeambten op de plek des onheils en in de verte zag ik tussen de lange file van geblokkeerde voertuigen twee trams. 'De volgende trams worden allemaal omgeleid, laat hem rustig op de weg liggen’, zei de wijkagent geruststellend tegen de snikkende man met handen vol bloed. Op dat moment begon de blonde vrouw weer te kermen en ze richtte zich rechtstreeks tot het bewusteloze slachtoffer: 'Je moet nu vechten, hè. Voor je leventje knokken!’
Het begon me teveel te worden. Ik snakte naar de ingetogen verkeersdrama’s uit mijn jeugd. Ik verfoeide al die ritueelverkrachters, die doorgeschoten aanstellers, die opgewonden standjes, die verwende westerlingen met hun in dierenplasma gedrenkte ordinaire gouden horloges. Maar net toen ik uit volle borst wilde schreeuwen: 'Het is verdomme maar een hond; zet hem opzij en laat het openbaar vervoer weer rijden’, loeide de sirene van de aanstormende dierenambulance.