‘verkiest rechtvaardigheid’

Er lijkt in het debat over Europa een stevige weerzin te bestaan tegen het denken over normen en waarden. Geld en handel voeren de boventoon. Dat was in de succesvolle stadstaat Siena wel anders. Het wordt weer tijd voor een regering die weet wat deugdzaamheid is.
Henk van Os, voormalig directeur van het Rijksmuseum, is momenteel hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Pieter van Os doceert rechtstheorie aan de Rijksuniversiteit Leiden.
WIE GELOOFT ER nog in een Verenigde Staten van Europa? Politici vertellen ons dat Europa móet, dat het niet anders kan, dat het ook gebeurt als je tegen bent. Europa is onvermijdelijk. Het is handig om één munt te hebben. Bovendien is het voordelig om zonder barrières van alles te kunnen uitwisselen. Handel, daar gaat het om.

Door de nadruk op economische argumenten is de ideële grond van het verlangen naar een verenigd Europa op de achtergrond geraakt. De overtrokken aandacht voor economische argumenten is overigens een algemeen verschijnsel in de politiek. Van een arena waarin beleid wordt getoetst aan gangbare opvattingen over deugd en ondeugd, lijkt politiek verworden tot louter volkshuishouding. De ideologische legitimatie van een politiek verenigd Europa raakt vergeten.
Dit is ten dele het gevolg van een ogenschijnlijk instinctieve afkeer die beroepspolitici hebben van discussies waarin een woord valt als ‘idealen’. Een voorbeeld hiervan werd geleverd door het D66-kamerlid Guikje Roethof, die vorig jaar zitting nam in een forumdiscussie die georganiseerd was door de jongerenvereniging van haar partij. Er werd gediscussieerd over het 'nationale normen-en-waardendebat’ dat destijds, op instigatie van een minister en de toenmalige fractievoorzitter van het CDA, enig landelijk aanzien genoot. Het kamerlid vertelde het publiek dat ze moeite had dit debat serieus te nemen en dat twee vaderlandse komieken ervoor hadden gezorgd - ze kon er niets aan doen - dat de woorden normen en waarden voor haar altijd zouden blijven klinken als 'wormen in Naarden’. 'Laten we dan nu maar weer over iets echts praten’, zei ze, 'want ik ben een pragmaticus.’
DE POLITICI DAARENTEGEN die de afgelopen jaren wel woorden in de mond namen als 'idealen’, 'beginselen’, 'waarden’, 'burgerschap’ en 'calculerende burger’, deden dit om stelling te nemen - op uiteenlopende manieren - tegen de volkshuishoudkundigen. Zij namen het op tegen degenen die beleid nog slechts in economische termen kunnen verwoorden, tegen politici die geneigd zijn alleen argumenten van geld en gewin toe te laten, ook als het om ideële zaken gaat. Maar op enkele uitzonderingen na had de manier waarop zij stelling namen de penetrante bijsmaak van zure reactie. Het deed denken aan de geestdodende preektechnieken van wat in de negentiende eeuw wel 'traantappende predikatiën’ werden genoemd.
In de traantappende predikatie wordt eerst de zondigheid van de mens breed uitgemeten. Alles is mis met de samenleving en met ons. Normen en waarden zijn teloorgegaan - voorbeelden te over. Er wordt ingespeeld op wat theologisch 'de natuurlijke zondekennis’ heet, oftewel de consequentie van de zondeval. Zelfs files op de snelwegen kunnen een overtuigend signaal worden van de treurigheid der tijden. En uiteindelijk komt de aap altijd uit de mouw, aan het slot van de traantappende predikatie is de panacee steevast Gods genade, of een terugkeer naar aangepaste vormen van christelijke deugdzaamheid. Geconfronteerd met de grote toestroom van nieuwe burgers en de snelle technologische vooruitgang moeten we volgens hen, op straffe van chaos, terug naar voorheen goed bevonden normen die 'toevallig’, in ons Nederlandse geval, christelijk zijn.
Deze ridders van een versleten moraal geloven terecht niet meer in de veronderstellingen van de marktgerichte, liberale volkshuishoudkundigen in wier visie de burger weliswaar een slechte inborst heeft, maar waarin deze tegelijk in staat is om, door het najagen van zijn welbegrepen eigenbelang, samen met zijn van nature verdorven soortgenoten normen en waarden te genereren die het algemeen belang dienen en die richting geven aan het leven.
Opvallend is dat voor deze hedendaagse priesters van de traantappende predikatie het geloof zelf niet eens meer noodzakelijk wordt geacht voor de herleving van christelijke normen en waarden. Nog vreemder is dat voor hen moraliserende dragers van het staatsgezag zelfs overbodig zijn. Het gaat hun om de burger, niet om de politicus.
Uit de geschiedenis valt echter het belang te leren van een moraliserende overheid in het omgaan met grote maatschappelijke en politieke veranderingen. De Europese integratie of de grote toestroom buitenlanders waarmee Noord-Europa de laatste decennia is geconfronteerd, zijn beide vergelijkbaar met de maatschappelijke en politieke veranderingen die in het verleden op verschillende manieren werden opgevangen door een overheid die zich de moeite getroostte ingrijpende veranderingen intensief te 'sturen’. Als er al iets valt te leren uit de cultuurgeschiedenis, dan is het dat burgerzin niet vanzelf ontstaat. Normen en waarden doen zich in de samenleving niet zomaar voor. Ze moeten worden bedacht, geformuleerd, bediscussieerd en geïmplementeerd. Voortdurend onderhoud ervan is noodzakelijk.
HET IS ONDER MEER de vroeg-middeleeuwse geschiedenis van de Italiaanse stadstaat Siena die leert dat de overheid in ethisch opzicht de samenleving met succes kan sturen. Ook de Sienese samenleving was in beweging en beroering, nieuwe en grotere samenhangen moesten erin tot stand komen en nieuwe groepen mensen moesten worden geïntegreerd. Wat opvalt in deze vroeg-middeleeuwse geschiedenis van een Italiaanse stadsrepubliek, is de behoefte die de regering voelde om een gemeenschappelijk besef van deugdzaamheid visueel te verbeelden, om mede daardoor de vereiste samenhang in de snel veranderende samenleving te verkrijgen. In niet meer dan zestig jaar verrees aan de Via Cassia, een oude Romeinse heerweg, een van de grote en belangrijkste middeleeuwse steden. In 1280 telde de stad vermoedelijk niet meer dan twintigduizend inwoners. In minder dan een eeuw tijd was dit aantal verviervoudigd. Vlak voor de pestepidemie van 1348 telde Siena zelfs meer dan honderdduizend inwoners. De demografische veranderingen die zich in de afgelopen zestig jaar in Nederland hebben voorgedaan, steken hier wat schraal bij af.
De stadstaat Siena was een republiek waarin de macht in handen was van de burgerlijke bovenlaag. De negenhoofdige regering van Siena, de zogenaamde nove, werd gevormd door leden uit deze bovenlaag, waarvan de economische macht berustte op het bankwezen. Dat paste bij een stad zonder natuurlijke hulpbronnen.
Al heel vroeg verschenen Sienese geldhandelaren op de grote Europese jaarmarkten, en in de gloriejaren van de stad kwamen ook de bankiers van de Heilige stoel uit Siena. In heel Europa kon in deze tijd nauwelijks een oorlog worden gevoerd zonder de hulp van een Sienese bankier. Men zou verwachten dat een nieuwe stad die zo snel groeide en waarin het geld werd verdiend door bankiers, wat structuur en aanzien betreft te vergelijken is met een oerlelijke, hedendaagse Amerikaanse stad als Phoenix. Het tegendeel is waar, en dat hebben we te danken aan de ongelooflijk grote hoeveelheden geld die opeenvolgende stadsregeringen investeerden in de ideële cementering van de gemeenschap.
DIE CEMENTERING bestond in de eerste plaats uit stedelijke trots, uit een chauvinisme dat ook Italiaanse tijdgenoten als megalomanie beleefden en dat doordrong tot in de kleinste details van het stedelijk leven. Dante sprak al van de ijdelheid van de Sienezen en van hun behoefte om de stad te mythologiseren. Om elke bezoeker te tonen dat Siena het nieuwe Rome was, had het stadsbestuur beeltenissen van de tweeling met de wolvin op cruciale plekken in de stad geplaatst. Er was zelfs een mythe ontstaan over de stichting van de stad, een mythe die veel weg had van die van Rome. In deze mythe waren het niet Romulus en Remus, maar de zoontjes van de laatste die de stad hadden gesticht nadat zij de legers van hun oom Romulus hadden verslagen. Men moet hierbij overigens bedenken dat Rome in de bloeitijd van Siena als stad niet veel meer voorstelde. De paus had het door malaria overwoekerde nest verlaten, en alleen het gedeelte rond het huidige Vaticaan was nog bewoond.
De megalomanie van de Sienese burgerij liet zich ook zien in de keuze voor de stedelijke patroonheilige. Siena deed wat nog geen enkele stad tot dan toe had aangedurfd en wijdde zich aan Maria. De burgers van de 'Civitas Verginis’, zoals Sienezen hun eigen stad noemden, hadden het zelfs bonter gemaakt dan de burgerij van Florence, voor wie niemand minder dan Johannes de Doper optrad als patroonheilige.
In de hoop de bevolking te beschaven, spendeerde de nove veel geld aan de vestiging van kloosterorden in iedere wijk van de stad. Om de intellectuele infrastructuur ook te versterken met meer seculiere elementen haalde zij rond 1320 zelfs een groot deel van de professoren van de Universiteit van Bologna naar de stad. Verder werden uiterst deugdzame burgers tot voorbeeld gemaakt door ze zalig of heilig te laten verklaren. En ook uit de klassieke oudheid werden voorbeeldfiguren gehaald; in de overheidskunst van Siena zijn overal de helden van de Romeinse republiek te vinden, waarmee de regering duidelijk wilde maken dat de idealen van deze Romeinen in de republiek Siena opnieuw werden gerealiseerd.
Uit overwegingen van stedelijke trots had de nove tevens een strenge schoonheidscommissie ingesteld om de razendsnelle groei van de stad te begeleiden. Aan deze commissie is het onder andere te danken dat de balkons van de huizen rond het komvormige plein in het centrum van de stad allemaal dezelfde hoogte hebben. Van de rituelen die in die tijd werden bedacht om gestalte te geven aan de stedelijke trots, heeft de wereld onder meer de jaarlijkse paardenrennen rond het plein overgehouden.
Al deze maatregelen dienden geen direct aanwijsbaar economisch doel, en toch was het nut voor de bankiers uit de stadsregering evident.
Voor de nove was beeldende kunst verreweg het belangrijkste hulpmiddel om een gemeenschappelijk besef van deugdzaamheid te ontwikkelen. De beste voorbeelden van deze poging zijn de fresco’s in de zalen van het Palazzo Pubblico, Siena’s stadhuis. Zo schilderde Taddeo in de boog die toegang gaf tot de raadzaal een monumentale plattegrond van Rome. Hier in Siena, zo wilde de nove zeggen, gaat de stad der steden verder. En op de lange wand van de raadzaal schilderde Lorenzetti een wereldschijf, waarmee de regering wilde tonen dat haar stad de meesteres en het middelpunt van de aarde was. (In de veertiende en vijftiende eeuw was deze wereldschijf uiteraard een geweldige attractie en naar Ambrogio’s megalomane kunstwerk werd de zaal wel de 'Sala del Mappamundo’ genoemd.) Simone Martini, een van de grootste schilders van zijn tijd, had de stadspatrones meer dan levensgroot geschilderd op de wand van de 'Sala del Consiglio’, de grote ontvangsthal van de stadsregering. Jezus staat zegenend op haar schoot. Op een andere wand schilderde deze kunstenaar geknielde engelen die schalen met bloemen aan de stadspatrones aanbieden onder de voet van haar troon. Daar weer onder staat zoiets als: 'Deze rozen en lelies uit de hemelse tuin, behagen mij niet meer dan goede besluiten en die zie ik hier in deze stadstaat. En wee degene die deze besluiten minacht.’ En Christus zegent met de tekst: 'Verkiest rechtvaardigheid, gij die de aarde bestuurt.’
VAN DEZE FRESCO’S in het Palazzo Pubblico geven de allegorieën op een goede en een slechte regering in de vergaderzaal van de nove het meest volledige beeld van wat de nove duidelijk wilden maken.
Deze allegorieën waren de uitdrukking van een ongekend vertrouwen in de eigen werkelijkheid, alsmede van de schepping van de positieve krachten in een burgerlijke samenleving. De fresco’s, die omstreeks 1340 werden vervaardigd door Ambrogio Lorenzetti, vormen tezamen een van de hoogtepunten van de Europese schilderkunst en leveren het meest complete politieke beeldprogramma uit de Europese geschiedenis. Als je door de nove een audiëntie was gegund, zag je de negen stadsnotabelen onder een fresco met de deugden van een goede regering. Rechts op de lange wand heeft Lorenzetti de stad Siena geschilderd, zoals hij die zag vanaf de trappen van de kerk van Francesco. Het schilderij is zo realistisch dat we nu nog min of meer kunnen bepalen waar de kunstenaar zich bevond toen hij de ontwerpschetsen maakte. Zo mogelijk nog verrassender is de schildering van het landschap buiten Siena, waarop Ambrogio de effecten van een goede regering voor stad en land met een voor die tijd verbijsterend realisme heeft weergegeven. Hij had immers de taak om te laten zien dat de dagelijkse werkelijkheid de ideale wereld was. Maar geen deugden zonder ondeugden. Wie weet wat juist is, weet ook wat verkeerd is en schept daar duidelijkheid over. Daarom toont de fresco op de linkerwand een verwerpelijke regering en de effecten daarvan voor stad en ommelanden.
Op de wand waar de goede regering wordt verbeeld, zit Justitia aan de linkerkant. Van de kardinale deugden heeft alleen zij een eigen troon gekregen. Gerechtigheid is het eerste en het belangrijkste wat een regering moet garanderen om als legitiem te worden ervaren. Justitia wordt geïnspireerd door de Wijsheid, die boven haar als halffiguur is weergegeven. Justitia hanteert een reusachtige weegschaal met links een scène die, laten we maar zeggen, 'strafrecht’ verbeeldt, en rechts een scène die zoiets als 'burgerlijk recht’ uitbeeldt. Van de twee schalen gaan koorden naar beneden die worden gebundeld door Concordia, de eendracht, die beschaaft. Eén koord wordt vastgehouden door de burgers van Siena, die het koord rechttrekken. Wat beeldtaal betreft, gebeurt hier iets bijzonders, want plotseling gaat de wereld van abstracte personificaties van deugden over in de werkelijke, tastbare wereld. In 1340 moeten de Sienezen die voor dit fresco stonden de mannen hebben herkend die door Ambrogio werden geportretteerd. Hier werd getoond dat een bekend element uit de politieke theorie van die dagen door de burgers van Siena tot werkelijkheid werd gemaakt.
Het koord brengt de burgers onder een troon van de kardinale deugden. In het midden zit de belichaming van de goede regering. Hij draagt de kleuren van het wapen van de stad: zwart en wit. Op zijn schild is de stedemaagd Maria afgebeeld. De belichaming van de goede regering wordt geïnspireerd door de theologische deugden Geloof, Hoop en Liefde. Onder zijn voeten zien we opnieuw de wolf met de tweelingen. Al deze attributen horen onlosmakelijk bij de goede regering. Rechts onder de deugdentroon zien we dat bij goed bestuur de orde moet worden gehandhaafd. Hier is ook een koord, maar dit dient om overtreders te binden en gevankelijk weg te voeren. Ook zij waren toen makkelijk herkenbaar. Het zijn brute rovers, arglistige monniken en egocentrische edelen, die hun eigen spel spelen ten koste van het algemeen belang.
Buiten de poort, boven het Sienese land, zweeft als een antieke Victoria de deugd 'Securitas’. Pax heeft een wapenuitrusting aan haar voeten en Securitas toont een galg met een gehangene. Vrede en veiligheid zijn gewaarborgd onder een straffe regie. En daarom: 'Senca paura ognun franco camini’: iedereen kan vrij wandelen onder hun bescherming.
Vrij wandelen kon inderdaad tot omstreeks het einde van de veertiende eeuw. Ongeveer een halve eeuw eerder was in Siena de pest reeds uitgebroken. Het tweede Rome verwerd daardoor tot een Toscaans provinciestadje. Met ongeveer 75.000 inwoners minder was Siena verwezen naar de vuilnisbelt van de geschiedenis. Het zou ondanks de grote aantallen huidige toeristen nooit meer worden wat het geweest was.
Maar tot het uitbreken van de pestepidemie bleek de regering van het middeleeuwse Siena wel in staat haar eigen idealen helder in beelden te vatten. Er is waarschijnlijk geen plek in de wereld waar met zoveel chauvinisme de triomf van een stedelijke republiek met kunst werd verbeeld. Misschien kan alleen de burgerzaal van het voormalige stadhuis van Amsterdam, waar de burgers de hele wereld onder hun voeten hadden, als evenknie van de 'Sala de Mappamundo’ worden gezien. (Het is de ironie van de geschiedenis dat nu juist dit republikeinse bolwerk een vorstenpaleis is geworden. Ondanks het breken van hun aanvankelijke belofte om het merendeel van het jaar erin door te brengen, hebben de Oranjes het voormalige stadhuis nooit teruggeven aan de Amsterdamse burgerij.)
DE FRESCO’S IN HET Palazzo Pubblico tonen ons dat de nove geen last meende te hebben van wat heden ten dage het zoeken naar een 'maatschappelijk draagvlak’ heet. Het begrip komt tegenwoordig in menig politiek debat ter sprake, omdat het meestal ontbreekt wanneer verstandige maatregelen worden voorgesteld. De nove in Siena schiep zijn eigen maatschappelijk draagvlak en wachtte niet totdat het er was. Tegenwoordig is de gedachte gemeengoed geworden dat elk volk de regering krijgt die het verdient, terwijl de nove nog de klassieke overtuiging was toegedaan dat elke regering het volk krijgt dat zij verdient.
Deze laatste overtuiging komt oorspronkelijk uit de oudheid, en kan bij vele antieke denkers worden gevonden, in het bijzonder bij Plutarchus en Cicero. De laatste schreef bijvoorbeeld: 'Elke staat is zoals het karakter van de bestuurders hem zal maken.’ (Orator, I.XXXI) En: 'De senaat zal vrij zijn van oneerbaarheid, en zal een model zijn voor de rest van de burgers.’ (Orator, III.III). De Sienese overheid legitimeerde zich met haar normen en waarden tegenover de burger en niet andersom. De fresco’s vertellen ons dat een deugdzaam bestuur de voorwaarden schept voor Pax en Securitas, vrede en veiligheid. Burgerschap begint bij een overheid waar de burger trots op is, zodat de burger die overheid wil dienen, of het nu de stadsrepubliek Siena is, het Koninkrijk der Nederlanden of de Verenigde Staten van Europa. In de huidige discussie wordt nog wel eens over het hoofd gezien dat een door politici gevoerde discussie over normen en waarden bij individuele burgers gedoemd is te blijven steken in nostalgische reactie en moraliserende vrijblijvendheid wanneer politici zelf niet in staat blijken te zijn hun eigen idealen helder te presenteren.
Vandaag de dag behoort het parlement onder andere een plek te zijn waar politici, uit ons midden gekozen, voor ons, burgers, ideeën en idealen formuleren die zij krachtdadig zullen uitdragen. Als een D66-kamerlid zegt dat ze niet over normen en waarden wenst te praten maar wel over 'echte’ dingen, dan lijkt het middeleeuwse Siena wel erg ver achter ons te liggen.
TOT SLOT EUROPA, haar eenwording en de gemeenschappelijke munt. De Sienese overheidskunst leert ons dat als de vorming van een verenigd Europa werkelijk de inzet is van Europese politici, zij ernst moeten maken met de ideologische onderbouwing van die integratie. Dan zullen de verschillende nationale overheden moeten tonen en verbeelden waarom hun burgers Europeanen zijn, en waarom zij daar ook trots op mogen zijn. En wanneer zij hiermee haast maken, doen de voorspellingen van economen aangaande de Emu-eisen en de invoering van de euro er niet zoveel meer toe.
Wat er dan weer wèl toe doet, is hoe de euro eruit gaat zien. Want met het ontwerpen van de biljetten en muntstukken van de euro had de commissie een enorme kans om haar idealen te verbeelden en zoiets als een 'Europa-gevoel’ te kweken. Inmiddels is bekend dat er 'onherkenbare’ bruggen op de briefjes komen. De reden hiervan is volstrekt onduidelijk. Een ontwerp voor de euro-munt waarop een stier is te zien met een doldwaze vrouw op de rug, heeft het niet gehaald. Het werd terzijde geschoven met het argument dat niemand - volgens de commissie - meer weet dat Europa oorspronkelijk een vrouw was die werd verleid door Zeus, die zichzelf in een stier had veranderd. De gedachte dat mensen dit kunnen 'leren’, of het zich weer zullen herinneren door een dergelijke munt, was niet in de verslagen van de commissie terug te vinden. De Europese commissie wil geen onderwijzer zijn, dat zou maar 'belerend’ en paternalistisch overkomen.
Door dit soort kansen op de creatie van een maatschappelijk middenveld onbenut te laten, is het enige wat de commissie nog rest het onmogelijk maken van referenda over de toekomst van Europa.