Verkiezingen: Niet-stemmers

Drie op de tien mensen gaan niet stemmen. Wie dat zijn, en waarom ze niet gaan, is onduidelijk, ondanks onderzoeken. Misschien moet de politiek de hand in eigen boezem steken en de burger weer vertrouwen geven dat stemmen zin heeft.

Volgens sommige media gaat het belangrijkste gevecht op 12 september tussen Mark Rutte en Emile Roemer: welk van hun twee partijen wordt de grootste? Maar de grootste partij bij de verkiezingen staat al lang vast: dat is de partij van de niet-stemmers. Al in 2010 vormden zij de grootste fractie, en volgens mensen die het weten kunnen groeit hun aantal stevig door. Kees Aarts, hoogleraar politicologie aan de Universiteit Twente, deskundig op het gebied van verkiezingsonderzoek, zegt: ‘Ik hou er serieus rekening mee dat we afstevenen op een historisch dieptepunt. Ik hou rekening met een opkomst bij de komende Kamerverkiezingen van tussen de 65 en zeventig procent.’

Wie de – alomtegenwoordige – verkiezingscampagne volgt, krijgt geen moment dat idee. Twee zetels verschil in een peiling van Maurice de Hond is een bericht op alle radiozenders en alle nieuwssites. Maar dat bijna een op de drie stemgerechtigden niet meedoet, lijkt een angstvallig geheim; niemand heeft het erover in politiek Den Haag. Rondom niet-stemmen hangt een taboe, ook al ‘bezondigt’ inmiddels dertig procent van de bevolking zich eraan. Zijn het soms spelbedervers die niet meedoen aan het feestje dat verkiezingen heet, en die daarom kunnen worden stilgezwegen? Of is er meer aan de hand?

Sommige politieke wetenschappers proberen al jaren aandacht te vragen voor het fenomeen. Maar de opiniepeilers houden hun mond en ook politieke partijen besteden er liever geen aandacht aan. Dat is geen toeval, denkt Kees Aarts: ‘Het establishment weet best dat het geen baat heeft bij een hogere opkomst. Niet de middenpartijen, maar de partijen op de flanken groeien als niet-stemmers alsnog naar de stembus komen. Daarom vinden middenpartijen het eigenlijk wel best.’

Daarin staan de Nederlandse politici niet alleen. Al sinds 1990 loopt overal in de westerse wereld de opkomst bij verkiezingen terug, maar algemeen wordt het afgedaan als een natuurverschijnsel. In Nederland daalde het enthousiasme vooral voor de Europese, de provinciale en later ook de gemeentelijke verkiezingen. De opkomst voor de Tweede-Kamerverkiezingen is verhoudingsgewijs nog steeds hoog. Maar sinds in 1970 de stemplicht werd afgeschaft, daalt het aandeel van de kiezers dat daadwerkelijk een stem uitbrengt gestaag. Zelfs het positieve effect van nieuwkomers Pim Fortuyn en Geert Wilders op de opkomst bleek van voorbijgaande aard. Bij de laatste Kamerverkiezingen in 2010 bracht 75 procent van de kiesgerechtigden haar stem uit. Dit jaar, zo verwacht Kees Aarts, eindigt dat cijfer dus vijf tot tien procent lager.

Over niet-stemmers is bar weinig bekend. Het inzicht in hun motieven en achtergronden is ronduit gebrekkig. Feitelijk onderzoek is op de vingers van één hand te tellen – en staat in geen verhouding tot het aantal onderzoeken dat betrekking heeft op de daadwerkelijke stembusuitslag. Maar dit is niet alleen een blijk van beperkte belangstelling; onderzoek naar niet-stemmers is ook heel lastig. Zelfs een wetenschapper die er intensief mee bezig is als Kees Aarts zegt: al het beschikbare onderzoek laat zich samenvatten tot de conclusie dat we er eigenlijk heel weinig van afweten.

Niet-stemmers laten zich moeilijk ondervragen. Ze werken liever niet mee aan enquêtes, en als ze het wel doen, is het nog maar de vraag of ze de waarheid spreken. Een kwart van de mensen die niet hadden gestemd verklaarde in een Zweeds onderzoek wel degelijk een stem te hebben uitgebracht. Deze foute meldingen leiden ertoe dat het fenomeen consequent wordt onderschat in onderzoeken. Dat heet met recht een taboe.

Kees Aarts zegt dat niet stemmen vaker een opwelling is, gebaseerd op een gevoel, dan een weloverwogen besluit. Het is per definitie een individuele actie. Groepskenmerken bieden misschien een aanwijzing, maar ze geven geen doorslag. Jongeren gaan bijvoorbeeld van alle kiesgerechtigden het minst vaak stemmen, maar toch komt een meerderheid altijd nog opdagen. Mede daarom zijn wetenschappers er (nog) niet in geslaagd een model te bouwen dat stemgedrag zou kunnen voorspellen.

  • Derest van dit artikel is alleen beschikbaar voor vaste abonnees. Zij kunnen hier inloggen om de rest van dit artikel te lezen.
  • Als u al een abonnement op De Groene Amsterdammer heeft maar nog geen gebruikersnaam en wachtwoord, klik dan hier om u te registreren.
  • Geen toegang? Klik dan hier om de abonnementen te bekijken of neem voor slechts vier euro week-toegang tot het gehele digitale archief en lees De Groene van deze week tevens in pdf op uw scherm of iPad.