Verknipte mahler

Hoe klinkt elektriciteit? De componist Gilius van Bergeijk nam als jongetje de proef op de som door aan de draad van een luidspreker een stekker te monteren en deze in het stopcontact te steken. Tussen het moment van pluggen en de exploderende luidspreker was elektriciteit in zijn meest authentieke en ruwe gedaante hoorbaar.

Terecht wordt deze anekdote opgehaald in het boekje bij de Van Bergeijk-cd die onlangs op het label X-OR verscheen. Want in veel stukken is nog altijd zijn voorliefde voor ruw materiaal, zelfs restmateriaal hoorbaar. Als een knutselaar die zijn spullen bij het oud vuil weghaalt, speelt Van Bergeijk met ruis, geknetter en de trash die je op de radio tegenkomt als je een zender zoekt. Op dit soort geluiden zijn de stukken De roep en Pro juventute gebaseerd.
In Pro juventute worden metalige klanken als projectielen door de ruimte geschoten. In de loop van het stuk worden die geluiden steeds verder getransformeerd. Eerst door ze langer aan te houden, waardoor een spacey effect ontstaat. Vervolgens door het timbre te manipuleren, zodat op een geraffineerde manier een idee van beweging wordt gesuggereerd. De kleuren roepen het beeld van ouderwetse ruimtevaartschepen op. Een keerpunt doet zich tegen het eind voor als de geluiden in hun tegendeel omslaan: van groezelig en instabiel naar hel der en schoon. Pro juventute heeft bovendien een soort coda die illustreert hoe klank in een paar stappen kan worden bewerkt: in een tiental takes verandert een gewone stem in een elektronische grimas.
Het meest conceptuele stuk op deze cd is Symfonie der duizend (alfabetisch), waarin Van Bergeijk de openingsmaten van duizend willekeurige composities in alfabetische volgorde aan elkaar heeft geplakt. Deze duizend splinters, die sterk verschillen in intensiteit, kleur, helderheid en opnamekwaliteit, zijn in een onverbiddelijk tempo achter elkaar gemonteerd tot een curieuze encyclopedie van beginmaten. Tot slot klinken alle duizend stukjes tegelijkertijd: een onontwarbare herrie die de luisteraar wegblaast.
Vanuit een vergelijkbaar idee heeft Van Bergeijk een pianosonate van Beethoven onder handen genomen. In D.E.S. (dat dateert uit eind jaren zestig) zijn Beethovens noten opnieuw ‘ingevuld’. Dunne elektronische klanken die onbeholpen en onvast klinken, staan in plaats van een ferme piano-sound. Het resultaat is een soort röntgenfoto van de sonate: lelijk, wazig en ijl, maar toch goed herkenbaar.
In het meest recente werk, Een lied van schijn en wezen (1993), is eerder sprake van een (postmodern) proces van deconstructie en constructie. Een lied opent met een verstilde, mysterieuze klankwereld. Heel in de verte hoor je de stem van een sopraan (Kathleen Ferrier) en heel geleidelijk tekenen de contouren van een van Mahlers Kindertotenlieder zich af. De zang is echter volkomen verhaspeld en verknipt - als bij een overslaande plaat worden zinnen, woorden en lettergrepen herhaald. Het lied desintegreert als een breiwerk waarin razendsnel en onherroepelijk gaten vallen. Wat overblijft is een machteloos gestamel. Het laatste woord is aan een kanariepiet die - postmoderne ironie of modieuze New Age? - garant staat voor het meest sentimentele moment van de compositie. Zelfs van de hele cd.
De cd bevat één niet-elektronisch werk, dat nog wel het beste illustreert hoe Van Bergeijk de schoonheid in het onvolmaakte zoekt. Zijn Vier stukken voor draaiorgel zijn geschreven voor een wel heel armoedig draaiorgeltje.
Als elektronisch componist behoort Van Bergeijk tot een uitstervend ras. Vanuit de overtuiging dat een met de hand gemonteerde tape anders klinkt dan een computerversie, houdt hij vast aan het oude ambacht van knippen en plakken. Terwijl het bandmateriaal tot duizenden stukjes wordt verknipt, zijn schaar en lijmpot het gereedschap waarmee hij zijn stukken maakt.