Economie

Verlamming

Het politieke midden is door de kiezers verbrijzeld. Wilders en Verdonk beuken in op de rechterflank van cda en vvd, terwijl de SP dat doet op de linkerflank van de pvda. Het gezag van de regering brokkelt af en de vertegenwoordigers van de gevestigde belangen zien hun kans schoon om het overheidsbeleid te sturen of te frustreren. Het gevolg: politiek-bestuurlijke verlamming.
De uittocht uit het midden is al twee decennia aan de gang en niet pas sinds Fortuyn. In 1959 haalden AR, chu, kvp, pvda en vvd maar liefst 142 van de 150 zetels. Dat record werd in 1986 op het hoogtepunt van de economische crisis door cda, pvda, vvd en D66 nog geëvenaard. Sinds 1986 implodeert het politieke midden langzaam maar gestaag. In 2002 bracht Fortuyn het nekschot toe. Bij de kamerverkiezingen van 2006 haalden de middenpartijen nog maar 99 zetels. Volgens de peilingen gaat de slachting op het middenveld onverminderd door. In de laatste Politieke Barometer halen cda, pvda, D66 en vvd nog maar 84 zetels. Dit zijn alarmerende trends. Waarom verkeren de middenpartijen in een existentiële crisis?

De belangrijkste verklaring is vermoedelijk dat het politieke bestel in de naoorlogse periode grosso modo hetzelfde is gebleven. Men houdt elkaar gevangen in de traditionele ‘links-rechts’-tegenstelling. Tegelijkertijd is de samenleving ingrijpend veranderd: secularisering, emancipatie, individualisering, deïndustrialisatie, technologische ontwikkeling, globalisering, segregatie, migratie, vergrijzing, informatisering, mediatisering, noem maar op.

Het electoraat heeft minder greep op het bestaan, door de sociologische transformatie die Nederland doormaakt. Maar de middenpartijen spelen nauwelijks in op nieuwe electorale breuklijnen die door die transformatie ontstaan, de ‘politieke spagaten’ in pvda-idioom: progressief-behoudend, kosmopolitisch-nationalistisch, migrant-autochtoon, hooggeschoold-laaggeschoold, jong-oud, insider-outsider, high culture-low culture, religieus-atheïstisch, traditioneel-geëmancipeerd, individualistisch-collectivistisch, enzovoort. Alleen het cda lijkt nog te ontsnappen, met een aarzelende neoconservatieve koers, maar het politieke profiel van de andere middenpartijen is volkomen verwaterd.

De handhaving van de status quo van deelbelangen is het pièce de résistance van de middenpartijen geworden. Fossiele residuen uit de polder, zoals vakbonden en werkgevers, maar ook het maatschappelijk middenveld met alle belangengroepen en de zelfbenoemde bestuurders in (semi-)publieke instellingen en bedrijven zijn totaal niet representatief, genieten disproportionele politieke invloed en leggen daarover geen verantwoording af. Kiezers kunnen geen tegenwicht bieden aan die tirannie van deelbelangen. Tel daarbij de struisvogelmentaliteit over de maatschappelijke ontwikkelingen en het wordt duidelijk waarom het populistisch potentieel zo groot is. Sinds Fortuyn is de reflex van alle middenpartijen, met name pvda en vvd, óf coöptatie van populistisch discours, óf ‘terug naar de basis’, al dan niet aangevuurd door nostalgische partijkaders of ereleden. Het is waanzin: ‘terug naar de basis’ komt nog steeds neer op ‘kop in het zand’. Populisme van de middenpartijen is ongeloofwaardig en legitimeert polarisatie: Marijnissen, Wilders en Verdonk hebben dus tóch gelijk. De middenpartijen schieten zichzelf daarmee in de voet.

Existentiële vragen moeten worden beantwoord. Welke kiezers willen de middenpartijen eigenlijk nog representeren? En wat is dan hun politieke ideologie? Misschien is het onmogelijk geworden om een _‘catch all-_partij’ te zijn, omdat door de grotere maatschappelijke complexiteit te veel politieke belangen botsen. De middenpartijen moeten serieus nadenken over een tweepartijenstelsel of fusies met andere partijen. Italiaanse toestanden dreigen, waarin geen stabiele coalities meer te vormen zijn vanwege een volkomen versplinterd politiek landschap.

Na Fortuyn werd alom geroepen om meer directe democratie – referenda, gekozen burgemeester et cetera. Dat is niet het antwoord, want ‘meer democratie’ adresseert nog steeds niet de existentiële kwesties. Het maakt het probleem zelfs erger; directe democratie is nog gevoeliger voor populisme en deelbelangen.

De middenpartijen zijn inmiddels net zo bang voor de kiezers als de kiezers voor politieke verandering. Bos, Balkenende en Rutte en in mindere mate Pechtold moeten de guts hebben om het gevecht met de gevestigde belangen aan te gaan, ook binnen de eigen partij. Ze moeten reageren op de nieuwe breuklijnen in het electoraat en duidelijk maken welke kiezers zij representeren. Blijven de middenpartijen ideologisch verwaterd en vereenzelvigd met de status quo, dan gaat de uittocht uit het midden onverminderd door en blijft Nederland politiek-bestuurlijk verlamd.