Verlangen en mededogen

JOOST NIEMÖLLER
DELTABLUES
De Bezige Bij, 270 blz., € 18,90

Het gaat Joost Niemöller vanaf zijn debuut De dood, de stad, de rug tegen de muur (1984) eerder om mentaliteiten dan om verhalen. Hij geeft een setting, meestal een verloederde grote stad, een paar kale ingrediënten, een paar gefnuikte ambities, genoeg om ervoor te zorgen dat je als lezer zelf aan de slag moet om de personages voor ogen te krijgen. Hij laat altijd ruimte voor eigen interpretaties, bij hem geen lange beschrijvingen, hoogstens de kleur van een kledingstuk. Zoek het verder maar mooi zelf uit. Je kunt niks aan hem merken, zal ik maar zeggen, je weet nooit zeker of hij sociale satire bedrijft of juist bezig is een ernstige encyclopedie van de vervreemding bij elkaar te schrijven. In het verhaal Eén en al hoofd, typerende titel uit zijn debuutbundel, gaat het bijvoorbeeld om Henk en dan staat er: ‘Over door-draven herinnerde hij zich niets. Maar met Henk weet je toch nooit of hij je zit te pesten. Van zijn gezicht valt bijna nooit iets af te lezen. “Grapje zeker.” Henk lacht, maar dat zegt nog niks.’
In zijn nieuwste roman blijft hij zijn schrijfverlangen trouw. Geen beschrijvingen van ambities en gevoe-lens, geen verklaringen, weinig bespiegelingen. Kale zinnen, metaforiek met zorg eruit gewerkt. Wel be-schrijvingen als deze: ‘Hij doet het licht uit. Hij haalt diep adem. Dan opent hij het raam. Het gaat naar binnen toe open. Het regent niet meer. Hij steekt zijn hoofd niet naar buiten.’ En deze keer vooral veel dialogen, de ene nog merkwaardiger, geestiger, bizarder en zwartgalliger dan de andere. Er wordt in deze roman heel wat langs elkaar gepraat, ik zat er af en toe hardop bij te schateren. Neem deze: ‘“Ik vind dat Ryan Adams best de diepte in gaat”, zegt de jongen. “Het is niet alleen retro.” “Nee hoor”, zegt Michiel. “Hij heeft een authentieke sound.” “Dat méén je niet.” “Dat zeggen ze.” “Ja, maar wat zeg jij?” “Hij heeft een authentieke sound.” “Je bent cynisch, man”, zegt de jongen. “Voor jou zijn het allemaal maar woorden.” “Ja, je bent cynisch”, zegt Yvonne. “Woorden.” “Onmacht”, zegt Michiel. “Woorden blij-ven uit. Onmacht.”’
Deze Michiel is een vijftigjarige popjournalist. Niemöller gaat geen enkel cliché op dit gebied uit de weg, sterker nog, hij gooit er een schepje bovenop. Michiel zuipt te veel, hij haat popmuziek, hij leeft onge-zond, hij valt voor jonge meiden met grote borsten, zijn moeder zeurt te veel, et cetera. Hij belandt in een moordzaak en komt bij zijn krant op ‘een voorlopige lijst’ te staan van medewerkers die op de schopstoel zitten. Maar hier gaat het allemaal natuurlijk niet om, het zijn vehikels, gegevens, die Niemöl-ler gelegenheid geven zijn satirische talenten te botvieren. Beschouwingen over popmuziek worden tot op het bot gefileerd en geparodieerd. ‘“Jullie hadden misschien wel internationaal kunnen doorbreken”, zegt Michiel. “Muzikaal gezien zaten jullie op dat niveau. Er waren in die periode niet zo veel bandjes met zo’n sterke live impact.”’ Vooral beschouwingen over bluesmuziek gaan bij Niemöller door de ge-haktmolen en hij geeft een prachtig verslag van een gesprek met Mick Jagger, dat zo eigenaardig hila-risch is dat het wel ooit moet hebben plaatsgevonden. ‘“Ja”, zegt Michiel. “En Bill Wyman is er nu dus niet meer bij.” “Al een tijdje niet meer”, zegt Mick Jagger. “Je kunt je afvragen of dat iets uitmaakt voor de chemie.” “Nee”, zegt Mick Jagger. “Niks.”’
Niemöller is bepaald geen vrolijke Frans die er alleen maar op los parodieert. Hij houdt zijn roman op het goede spoor via een ingenieuze, strakke en vervreemdende stijl die het moet hebben van kaalslag, her-haling en verbazing. In de grond is dit een somber, melancholiek boek, maar het verzuipt godzijdank niet in ironisch zelfmedelijden en Niemöller is geen schrijver die zich alleen maar afzet tegen de boosaardige wereld. Die alles niks vindt en iedereen, behalve zichzelf, een boerenlul. De vraag bleef me maar ach-tervolgen hoe hij de vervreemdende gedachtewereld van die Michiel zo intens bij mij in beeld kreeg? Er hangt een merkwaardig tedere sfeer in dit boek, een sfeer van verlangen en mededogen, ik weet zo gauw geen betere woorden, die Niemöller knap gedoseerd neerzet. Hoe kreeg hij dit voor elkaar? Deze schrijver springt liever in de gracht dan zich hierop voor te laten staan, dat snap ik wel, maar op één punt geeft hij ineens openheid van zaken over zijn aanpak. Plotseling staat het er, open en bloot, op pa-gina 180, in de volgende dialoog. ‘“Gebruikt u het woord ‘ik’ wel eens?” “Liever niet, dokter.” “Daar was ik al bang voor”, zegt de dokter. “Daar zou u eens wat aan moeten doen. Ik wil u wel door verwijzen.” “Dat is heel vriendelijk van u”, zegt Michiel. “Heeft het haast, denkt u?”’
En inderdaad, in geen enkel gesprek in de roman gebruikt Michiel het woord ‘ik’, ik ben het zorgvuldig nagegaan. De andere personages ‘ikken’ er lustig op los, maar hij, als enige, niet. Hij is een spons, een loze ruimte, een verlangende stem naar een plaats. Alleen op de laatste bladzijde gebruikt hij ‘ik’, daar wint de persoonlijke wanhoop het van de ongepolijste vervreemding. Niemöllers boek bleef lang in me hangen, het is nog steeds niet uitgewerkt.