Iedereen z’n eigen Middeleeuwen

Verlangen naar een Groot Verhaal

Niets uit de Middeleeuwen is wat het lijkt, vindt hoogleraar middeleeuwse geschiedenis Peter Raedts. Een gesprek over Spinoza, de Verlichting, Wilders en de toekomst van het oude continent.

Medium raedtsjb2

OXFORD – Magdalen College. De jonge Nederlandse jezuïet Peter Raedts loopt met een vriend door de magistrale kruisgang van Engelands mooiste college. Opeens merkt de vriend op dat geen enkele steen van het gebouw uit de Middeleeuwen stamt. Het hele pittoreske plaatje van torens en pinakels stamt ergens uit de negentiende eeuw – op z’n vroegst. Een overtuigende pastiche. Een inventie van de Middeleeuwen. Een illusie in duigen.

Peter Raedts (Heerlen, 1948) is hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen en al lang geen jezuïet meer. Ik ken hem nog van vroeger, toen ik zelf jezuïet wilde worden. Ik herinner me hoe hij gedecideerd, en wellicht onbedoeld, korte metten maakte met mijn priesterroeping door kortweg te stellen dat het een negentiende-eeuws romantisch idee is dat God het zaad van het priesterschap plant in de vurige jongensziel ‘terwijl eeuwenlang gewoon de slimste leerlingen van de klas verplicht-vrijwillig werden aangewezen om voor priester door te leren’.

Prettig geïnstalleerd in een modern-klassiek appartement in de Utrechtse binnenstad, en te veel sigaretten rokend, heeft Raedts tien jaar gewerkt aan wat zijn magnum opus is: De ontdekking van de Middeleeuwen: Geschiedenis van een illusie.

4 SEPTEMBER 476. Zonder veel plichtplegingen zet de Germaan Odoaker de laatste Romeinse keizer af. Met de val van het West-Romeinse Rijk begint een periode van bijna duizend jaar die, even beeldend, eindigt wanneer op Paaszondag 8 april 1341 in Rome op het Capitool de humanist Petrarca door de voorzitter van de Romeinse senaat met een lauwerkrans tot dichter wordt gekroond – de eerste poet laureate sinds de klassieke Oudheid. Na duizend jaar van ‘een diepe, donkere afgrond’ ziet Petrarca terug op het legendarische verleden ‘van Vergilius, Ovidius, Horatius en de gouden tijd van keizer Augustus’.

‘Hij is ervan overtuigd dat hij en zijn generatie de klassieke Oudheid in haar volle glorie gaan herstellen’, zegt Raedts. ‘Humanisten zijn mensen van de taal. Met het herstel van het zuivere Latijn van Cicero en Vergilius zouden er ook betere mensen komen.’ Met veel gevoel voor drama verklaart Petrarca met zijn kroning tot dichter de Middeleeuwen voor gesloten. Hij spreekt van een media aetas, een middentijd. ‘De val van het Romeinse Rijk, de afzetting van Romulus Augustulus, toen de keizerskroon werd teruggestuurd naar Constantinopel, is de traditionele begindatum van de Middeleeuwen’, zegt Raedts. ‘Maar het idee dat Rome met een enorme klap gevallen is, is onzin. Er is de laatste twintig jaar veel onderzoek gedaan en mede door de archeologie komen veel nieuwe dingen aan het licht. Steeds duidelijker wordt dat er in het Westen sprake is van een geleidelijke transformatie. De Hunnen, de Goten, maar later ook barbaarse vorsten als Clovis van de Franken en Theodorik in Italië, voelden zich in feite nog sterk verbonden met de keizer in Constantinopel. En wilden ook graag door de keizer erkend worden. Ze wilden het Romeinse Rijk allerminst vernietigen, maar wilden Romeinen worden. Ze wilden delen in de cultuur en de rijkdom – en dat betekende dus ook: de godsdienst – van het Romeinse Rijk, dus werden ze christen. Het idee dat het Romeinse Rijk met een klap gevallen is, is de laatste twintig jaar geheel verlaten.

Tot ongeveer het jaar 1000 leeft men in Europa nog sterk in de ban van Rome en is de herinnering aan de orde en de vrede die het Romeinse Rijk gebracht heeft nog manifest. De Middeleeuwen beginnen pas rond 950, of voor het gemak: rond het jaar 1000. De millenniumwende is een waterscheiding en de grens van een nieuw tijdvak. Rond het jaar 1000 leek Europa op het Wilde Westen in Amerika; een tijd van creatieve chaos. De invallen van de Noormannen en de Hongaren houden op. Het klimaat warmt op. De landbouwtechnieken worden sterk verbeterd door het drieslagstelsel en nieuwe vormen van ploegen waardoor ook zware gronden bewerkt kunnen worden, waardoor de voedselproductie aanzienlijk wordt verhoogd en de bevolking sterk begint te groeien. Niet langer werkt een ieder op het land: het voedseloverschot stelt mensen vrij om te gaan handelen. Ambachten worden geformaliseerd, steden komen, het geld gaat weer een grote rol spelen, er kan voor het eerst sinds 500 weer belasting worden geheven en Europa begint aan een enorme economische opbloei die haar in een paar eeuwen tot een van de rijkste gebieden ter wereld maakt. Die gotische kathedralen staan er niet voor niets.

Een tweede breuk in de Europese geschiedenis ligt, anders dan Petrarca wilde, niet in de Renaissance, maar vijfhonderd jaar later. De tweede waterscheiding is rond 1800; de combinatie van de Franse Revolutie en de industriële revolutie in Engeland. Hoe je het ook wendt of keert: 1800 is een keerpunt. Dan begint een samenleving die op een totaal andere wijze is georganiseerd, waar de meeste mensen in steden gaan wonen, waar plattelandsgemeenschappen ontbonden raken, enfin: het proces dat je nu in China en Afrika ziet. Daar krijg je nu steden die onbeheersbaar zijn, op dezelfde manier als waarop steden als Birmingham, Glasgow en Londen onbeheersbaar waren in de negentiende eeuw.’

De vroegmoderne tijd, van 1500 tot 1750, stelt Raedts, is veel ‘middeleeuwser’ dan tot voor kort werd verondersteld. Alles vóór 1800 krijgt steeds meer het predicaat van ‘premodern’ en ‘pre-industrieel’. Voor zijn studenten even uitheems en veraf als de Merovingische hofmeiers of de Guldensporenslag. Er zijn slechts drie grote perioden: de Oudheid loopt tot het jaar 1000, de Nieuwe Tijd, de onze, begint rond 1800. En de Middeleeuwen eindigen waar de Romantiek begint. En met het einde van de Middeleeuwen begint de constructie van een illusie.

APRIL 1770. Sturm und Drang. De twintigjarige Goethe dwaalt als rechtenstudent door Straatsburg. En de schellen vallen hem van de ogen. ‘In dat kleine rotstadje loopt hij, de man die dus een totaal klassieke, classicistische opvoeding heeft gehad, tegen de Dom op’, zegt Raedts. ‘De Dom van Straatsburg is natuurlijk een van de meest formidabele gotische gebouwen die er zijn. Ineens ziet Goethe dat een niet-klassiek gebouw mooi kan zijn. Het verrast hem des te meer omdat hij, naar eigen zeggen, vol zat met de vooroordelen van zijn tijd, die inhielden dat gotiek gelijkstond aan ongeordendheid en onnatuurlijkheid, ja, aan alles waar een mens van goede smaak een hekel aan diende te hebben. Sinds de humanisten was “gotiek” een scheldwoord: de bouwkunst van de Goten en andere barbaren. Maar daar begint de constructie meteen al: Goethe ziet in de Dom van Straatsburg het Duitse genie. Er spelen geen religieuze dingen mee: Goethe ontdekt geen religieus gebouw; hij ontdekt een Duits gebouw. En het is dat Duitse genie, van Erwin von Steinbach, de architect van de Dom van Straatsburg, dat hij ineens voor zich ziet oprijzen. Daarom heb ik het een ontdekking genoemd, De ontdekking van de Middeleeuwen, de titel van mijn boek: ineens staat daar die tijd waar we eigenlijk nooit over nagedacht hadden, een wereld waarvan we ons niet bewust waren dat hij bestond. De eerste generatie romantici ontdekt de middeleeuwse dichters en slaakt een zucht van verlichting. Hoe verfrissend na al die stijve, klassieke hexameters van Vergilius! Zoveel meer gevoelig! Vergeleken met de steriliteit en de vermoeidheid van de Oudheid zijn die vurige middeleeuwers geweldig!’

EEN GOTISCHE kathedraal als uitdrukking van typisch Duits genie? Is Goethe dan nooit in Reims geweest, een luttele 150 kilometer verderop?

‘De Duitsers – zelfs de meest geleerde Duitsers – zijn er heel lang vast van overtuigd geweest dat gotiek een typisch Duitse bouwkunst was. Je ziet wat je wilt zien, dat is heel sterk in een mens. Hebben die mensen dan nooit de Notre-Dame in Parijs gezien, of Chartres, of Saint-Denis? Tegen alles wat jij en ik vanzelfsprekend vinden: het was Duitse kunst.’

Iedereen z’n eigen Middeleeuwen.

‘Iedereen z’n eigen Middeleeuwen, de illusie van Magdalen College. Natuurlijk werd er serieus wetenschap beoefend in de negentiende eeuw. De gebroeders Schlegel, de gebroeders Grimm, die de volksverhalen optekenden, waren echt grote filologen en geen amateurs. Maar toch: met de oude stenen die ze vonden, bouwden ze nieuwe gebouwen. In heel Europa, in Oost en West, begint men de volksverhalen en volksgedichten op te tekenen – en dat heeft een heel serieuze intentie. Wat men wil ontdekken is de oorsprong, het zuiverste van de geest, van het eigen volk. En dat is het best bewaard in die oude verhalen die door eenvoudige, authentieke boeren zijn doorverteld van generatie op generatie. Daarin zie je nou wat écht Duits is, écht Servisch, écht Pools, écht Engels. Dus als je naar eigenheid zoekt, zoek je in de Middeleeuwen. Vandaar dat het nationalisme ook zo sterk van de Middeleeuwen afhankelijk is. De Dom van Keulen gold als de belichaming van de Deutsche Geist. Je weet: de Dom van Keulen is voor viervijfde een negentiende-eeuws gebouw. De inventie van traditie. Zo zie je hoe de Middeleeuwen in feite geconstrueerd worden.’

Je boek gáát helemaal niet over de Middeleeuwen…

‘Absoluut niet. Geschiedwetenschap gaat niet over het verleden, maar is een permanente dialoog tussen het heden en verleden waarbij het heden de agenda bepaalt. Het gaat dus over ons. De bewondering in de negentiende eeuw voor de Middeleeuwen was voor een groot deel een reactie op het universalisme van de Verlichting. Vanaf het eind van de achttiende eeuw is er een strijd gaande tussen enerzijds een zich vergrotende, globaliserende wereld van grote handelsstromen waarin iedereen van elkaar afhankelijk wordt en anderzijds een tegenbeweging die stelt: mensen willen ook gemeenschappen vormen – het nationalisme. En die twee zijn nog altijd met elkaar in gevecht; we hebben het probleem van de moderniteit nog steeds niet opgelost. De Middeleeuwen-bewonderaars van de negentiende eeuw zeiden: “Pas op, de moderniteit creëert grote problemen! Mensen raken vervreemd van zichzelf, raken los van de gemeenschap en lopen verloren. Mensen zijn gelukkiger rond de dorpspomp of in een leuk klein stadje. Niet alle mensen zijn hetzelfde, alle volken hebben hun eigen karakter, hebben hun eigen identiteit.”

De haat tegen Europa op het ogenblik is opnieuw zo’n fase van vervreemding, waarin mensen zich op zichzelf terugtrekken en zich in hun eigen gemeenschap opsluiten, ver van verkwistende Grieken en corrupte Italianen. Het probleem van de liberale, rationalistische, individualistische moderniteit versus de warme gemeenschap; daar zijn we nog steeds niet uit.’

Wilders.

‘Ik zou Wilders een romanticus noemen, ja.’

Maar op de Middeleeuwen kun je geen maatschappij meer bouwen.

‘Die brug is niet te slaan, nee. In deze fase van de strijd tussen universaliteit en particulariteit wordt geen beroep meer gedaan op de Middeleeuwen als een gemeenschap waar we naar moeten kijken. De blik op de Middeleeuwen is gecompromitteerd door de Duitse avonturen van gemeenschap, gehoorzaamheid en Heimat. Want uit de ontdekking van de Middeleeuwen is ook het nationaal-socialisme voortgevloeid.’

HET NEDERLAND van Rutte en Wilders. Met het verlies van perspectief op de toekomst is ook het verleden in stukken en brokken uiteengevallen, schrijft Raedts. De resten zijn er nog, maar waartoe dienen ze eigenlijk? Het leidt op den duur tot de onhoudbare situatie dat alles wat oud is even belangrijk lijkt en de moeite waard om opgeslagen te worden in een museum, bibliotheek of archief, of het nu gaat om beddepannen en hellebaarden of om het Utrechts Psalter en De nachtwacht. In de laatste twintig jaar heeft vrijwel ieder dorp in het land wel ergens een zaaltje vrijgemaakt om allerlei oude spullen neer te zetten. De musealisering van de cultuur en het verleden als het speeltje van het heden. Land van Ooit. Lol met snavelschoenen op braderieën in Nieuwegein of Leidsche Rijn.

‘Op het ogenblik zijn de Middeleeuwen in het discours terechtgekomen van World of Warcraft’, zegt Raedts. ‘Van videogames en braderieën. Ridders zijn leuk, je kunt je ermee amuseren, maar in de plaatsbepaling van onszelf in de moderne samenleving speelt de reflectie op het middeleeuws verleden nauwelijks een rol. Er is enorme behoefte aan amusement en hoe curieuzer, hoe leuker. En de Middeleeuwen zijn natuurlijk uiterst curieus. Het is waarom mensen naar rare landen in Azië of Afrika reizen. Daar hebben ze niets mee op: het is gewoon bijzonder om al die rare gebruiken te zien. Ikzelf zou nooit naar India of China gaan, omdat ik die culturen niet snap. Waarom zou ik naar tempels gaan zitten kijken? Dan denk ik: wat moet ik hiermee? Ik kan me er zelf niet plaatsen. Ik mis het verband.

Toch is er iets veranderd tussen nu en pakweg tien jaar geleden. Het verlangen groeit naar een Groot Verhaal. Die nood zie je toenemen naarmate we ons bedreigder voelen. Want hoe gaat het nu eigenlijk met Europa? Zijn we niet aan het wegzakken? De laatste paar jaar zijn we ons weer sterker met ons verleden gaan bezighouden: waarop berusten onze waarden nu? Voorlopig houdt dat op bij de Verlichting. Op het moment is de tweede helft van de zeventiende eeuw erg populair: Spinoza. De Verlichting zou bij hem begonnen zijn. Op dit moment zijn we druk bezig met de strijd tegen de islam – want daar komt het toch wel op neer. Dat is op dit ogenblik hét grote punt: wij zijn verlicht en zij niet. Dus beginnen we gewoon in de zeventiende eeuw: Spinoza is de eerste die de godsdienst ontmaskerd heeft and going on from there.’

Ik denk niet dat Wilders Spinoza gelezen heeft.

‘Vermoedelijk niet. Maar anderen wel. Wilders gebruikt er een populaire versie van en doet ermee wat hij wil. Hij combineert de Verlichting en de dorpspomp heel handig, terwijl ze, intellectueel gezien, niet met elkaar in overeenstemming te brengen zijn. Als je vanuit de Verlichting denkt, dan denk je vanuit de Universele Rede. Dat betekent: alle mensen zijn redelijk begaafd, ze kunnen denken, en wat ons mensen gemeenschappelijk is, is veel groter dan wat ons scheidt. Wilders groept ons allen rond de dorpspomp en zegt tegen de moslims: jullie moeten hetzelfde worden als wij – en speelt daarmee de kaart van de Universele Rede: dit is wat beschaafd is en daar houden jullie je niet aan. Zijn dorpspomp is de enige dorpspomp. Het is een heel rare combinatie van eigenheid en wat-ons-eigen-is-is-eigenlijk-universeel.

West-Europa staat er niet goed voor, en op het ogenblik gaan we door een uiterst serieuze crisis. Die lossen we niet op door alleen maar te gillen: de Verlichting, de Verlichting! Door een soort rationalisme te stellen tegenover de bijgelovigheid van alle anderen. Europa wil niet horen dat het een christelijk verleden heeft. Het komt in mijn boek te weinig ter sprake en ik ben er pas deze zomer sterk over na gaan denken, toen het boek zo goed als af was: ik heb het verdwijnen van het christendom nooit zo serieus genomen. Ik zag het altijd als een tijdelijke inzinking. Maar het christendom gaat door een diepe crisis. Ik merk het aan mijn studenten, van wie letterlijk niemand meer christen is, niemand. Ik merk het aan de vijandigheid van de media, waarin het christendom wordt weggezet als een tehuis voor achterlijke idioten. Je wordt op een hoop geveegd van achterlijkheid en immoraliteit. De radicaalste atheïsten zeggen: godsdienst is niet alleen achterlijk, het is immoreel. En daarmee zijn natuurlijk de Middeleeuwen ook een stuk onaantrekkelijker geworden, want wat je van de Middeleeuwen ook kunt zeggen: het was een christelijke tijd.’

Het christendom achterlijk en de Verlichting failliet.

‘Ja, er heerst verwarring. We hebben het vertrouwen in onszelf verloren. Ikzelf ben in 1948 geboren en opgegroeid in het vanzelfsprekende geloof dat we in Europa het beste van twee werelden hadden. We hadden niet de tirannie van het socialisme en we hadden niet de meedogenloosheid van het ongebreidelde kapitalisme. Ik ben nog steeds overtuigd Europeaan, maar we zijn het vertrouwen in onszelf als Europa kwijt.’

Sinds wanneer?

‘Sinds een jaar of tien. We hadden natuurlijk in de jaren tachtig een periode dat de uitgaven gillend uit de hand liepen en we iets moesten doen, en daarvoor hebben we Lubbers gehad en het heeft het vertrouwen niet geschonden. Maar nu is het weg. Het gemakkelijke vertrouwen dat immigranten zich wel zouden aanpassen aan de Nederlandse samenleving. Bleken ze niet te doen. Dat heeft ons de eerste twijfel gegeven: onze waarden waren blijkbaar niet universeel. De pure aanwezigheid van een grote immigrantengemeenschap heeft op den duur ondermijnend gewerkt op ons zelfvertrouwen. Ze namen niet over wat wij dachten dat het beste en het mooiste van alle werelden was.’

Soit, maar dat schokt ons niet op onze fundamenten.

‘Ik denk dat het ons meer geschokt heeft dan we denken. Daar komt bij dat, verderop in Azië, ineens reuzeneconomieën groeien die tegen de onze op lijken te kunnen, en al die dingen tezamen hebben de vanzelfsprekende superioriteit die wij tot diep in de jaren negentig hebben gevoeld ondermijnd en ondergraven. En sinds 2008 weten we dat de westerse economie voor een deel op drijfzand is gebouwd van veel te grote leningen. En dat we dat blijkbaar niet makkelijk kunnen oplossen.

Lang hebben we gedacht: als je maar rationeel nadenkt, kunnen we alle problemen de baas. Dachten we dat wetenschappelijke en morele vooruitgang hand in hand gingen – en misschien dat daar de hybris zit. Dat we dachten dat we door onze ongelooflijke wetenschappelijke vooruitgang ook de problemen van de mensheid zouden oplossen. Daar geloof ik dus niet in: iedere samenleving worstelt met problemen; we lossen er een paar op en dan komen er weer nieuwe. Dat waren we misschien een beetje vergeten, omdat het zó lang zó goed ging. Meer dan vijftig jaar! Wetenschappelijk gaan we vooruit; dat doen we al twee eeuwen. Maar we hebben onze krachten overschat. Moreel blijven we gewoon mensen die niet veel meer instrumenten hebben dan twee of drie of vier eeuwen geleden.

Nu, deze laatste weken, valt de euro, wankelt Griekenland; ik dacht niet dat in zo korte tijd Europa tot zulke diepten kon vallen. Ook in het Europa van de Middeleeuwen kon alles misgaan en ging ook van alles mis. Dat hebben we met elkaar gemeen. Maar de middeleeuwers waren beter toegerust. We kunnen iets van ze leren. Het was een samenleving die heel bedreigd, heel beperkt en aanvankelijk ook nog heel arm was. De middeleeuwers hebben met een diep besef van eigen onvolkomenheid – wij zijn zondaars die ieder moment voor Gods rechterstoel geroepen kunnen worden – als beesten gewerkt. Ze hebben, met steeds de hoop op een nieuw begin, met grote creativiteit en originaliteit een nieuwe samenleving opgebouwd in uiterst onzekere tijden.’


Peter Raedts, De ontdekking van de Middeleeuwen: Geschiedenis van een illusie, Wereldbibliotheek, 432 blz., € 29,90


Beeld: Joost van den Broek