Verlangen naar geborgenheid

In zijn nieuwe roman Aan het einde van de nacht is Nir Baram niet uit op subversief puberaal vertoon. Dat stadium is hij allang voorbij.

Dirk Jan Visser / De Beeldunie © Nir Baram

De Israëlische schrijver Nir Baram hoeft voor de Nederlandse lezer geen onbekende meer te zijn. Twee van zijn eerdere romans – Goede mensen en Wereldschaduw – werden hier met succes vertaald, daarna ook Een land zonder grenzen, zijn opzienbarende reisverslag door de bezette gebieden. Die boeken bezorgden hem internationale faam en een stortvloed aan prijzen, dus verbaast het niet dat ook zijn meest recente, tevens zijn meest autobiografische en persoonlijke roman, Aan het einde van de nacht, hier al ruim een jaar na het Hebreeuwse origineel in de boekwinkel ligt.

Protagonist is een bijna veertigjarige schrijver in een impasse, Jonatan geheten. Dat lijkt een afgekloven thema, maar is het in Barams zelfonderzoek allerminst. Dat Jonatan zich ‘afgestompt’ voelt en dat het hem ontbreekt aan de kracht om ‘een nieuwe wereld’ te scheppen, heeft existentiële redenen. Welke dat zijn wordt pas gaandeweg en allerminst in eenduidige formuleringen onthuld. De mentale verwarring waarin hij zich het grootste deel van het boek bevindt, wordt op een directe, haast seismografische manier geregistreerd in stijl en compositie. Ook de lezer duizelt het regelmatig.

En wel van meet af aan. Jonatan wordt wakker in een rommelig hotelbed. Hij heeft geen idee hoelang hij daar al ligt. Vaagweg herinnert hij zich flarden van een feest in een nachtclub, wodka en tequila, meisjes en Spaanse stemmen. Hij blijkt deel te hebben genomen aan een literair festival in Mexico City en is daar blijven hangen om te overdenken wat hem zo uit het lood heeft geslagen. Pas veel later blijkt het te gaan om de dood van zijn moeder, twintig jaar geleden, en de zelfmoord van zijn beste vriend, Joël, waarvan hij de telefonische mededeling pas hier, in Mexico, krijgt, heet van de naald – maar aan de lezer wordt dat fatale nieuws pas helemaal aan het einde van de roman onthuld.

Symptomatisch voor de verwarring van de verteller zijn twee korte zinnetjes in het openingsdeel die in de gegeven context volkomen onbegrijpelijk zijn: ‘zijn beste vriend was dood’, opgetekend uit de mond van een begripvol ‘meisje met zwart haar’ dat zich over hem ontfermd had; vervolgens, een tiental pagina’s verderop: ‘Maar hij is nog niet dood.’ In Jonatans hoofd zijn er geen scheidslijnen tussen heden en verleden, ‘alle gebeurtenissen uit alle tijden schreeuwen door elkaar heen’. En aldus wordt ook de lezer soms zwaar op de proef gesteld.

Dat Jonatan zich afgestompt voelt, heeft existentiële redenen

Baram wordt vaak de opvolger van grootheden als Amos Oz en David Grossman genoemd; qua ambitie en niveau vermoedelijk niet ten onrechte, maar stilistisch zijn de verschillen groot. Van de transparante, beheerste stijl van zijn beroemde landgenoten is in dit boek hoogstens bij uitzondering sprake; grote delen van Aan het einde van de nacht zijn geschreven in lange, jachtige, schijnbaar ongebonden, als het ware middelpuntvliedende, alle kanten uitwaaierende zinnen waarvan de samenstellende delen meestal met het rusteloze, maar ook weinig specifieke nevenschikkende voegwoordje ‘en’ aan elkaar zijn gelast. Bij een overvolle zin over een schoolfeest, waarin sprake is van ‘gecastreerde puriteinen’ en ‘wilde meiden met glazige ogen’ die de gitarist van een funkband ‘dolgraag wilden aftrekken’, van Zen en de kunst van het motoronderhoud en Het transgalactisch liftershandboek, van ‘vruchteloze kroegtochten’, drugs, het existentialisme en wat niet al, drong zich zelfs de vergelijking met de stoere opsommingsdrift van Jack Kerouac bij me op. En ja, na driehonderd pagina’s valt diens naam inderdaad.

Waarmee niet gezegd is dat Baram een late incarnatie van de fameuze beatnik-auteur zou zijn. Baram is niet uit op subversief puberaal vertoon, dat stadium is hij allang voorbij. Wel is er zoveel uit die kinder- en puberjaren blijven wringen dat hij zich ook jaren later nog gedwongen voelt erover te schrijven om aldus te proberen cruciale scènes, pijnlijke uitspraken en half of niet begrepen handelingen, fricties en ruzies alsnog te doorgronden. En dat doet hij genuanceerd, zonder zichzelf te sparen en met groot psychologisch inzicht; als er dan toch een auteur genoemd moet worden aan wie hij schatplichtig lijkt, zou ik eerder aan Dostojevski denken. En als ik één thema moet noemen dat al Jonatans mijmeringen verbindt, is het zijn verlangen naar een veilige plek, naar warmte, intimiteit en geborgenheid. In het hotel in Mexico voelt hij zich een eenzaam mens, ‘zo iemand bij wie de geur van eenzaamheid uit zijn adem opstijgt, terwijl al zijn gebaren zijn bedoeld om iemand te verleiden de eenzaamheid te verdrijven, al is het maar voor even.’ Aan hem knaagt de twijfel met betrekking tot de plaats in zijn ‘thuishaven’, naar vrouw en kind in Tel Aviv, waarheen hij al vijf dagen geleden had moeten terugkeren. Uiteindelijk worden dat er twaalf.

Zijn moeder, zo blijkt, heeft dat verlangen naar een thuishaven onvoldoende kunnen bevredigen, maar noch zij, noch de teleurgestelde zoon begrijpt ‘wanneer de dingen misgegaan zijn’. Over hun gezin hing ‘een sluier van somberheid’; als kind heeft Jonatan momenten van intimiteit maar spaarzaam gekend, hij herinnert ze zich met smart. Zijn moeder was niet alleen weinig ingenomen met Jonatans vriendje Joël, die in vergelijking met hem vrijgevochten en vrijpostig was, ze had in het algemeen grote moeite zich liefdevol te gedragen toen ze eenmaal in de greep kwam van de slopende ziekte die haar fataal zou worden. Het stoorde haar dat Jonatan ‘haar niet gekend had in de jaren voordat hij was geboren, dat hij opgroeide toen haar krachten al afnamen en ze teleurgesteld was in haar vele verwachtingen’.

Op zijn beurt was Jonatan, negentien op dat moment, niet in staat de aanblik van zijn lijdende en stervende moeder te verdragen; ‘met de jaren had hij geleerd zich te positioneren tussen de vleugels van het niet-weten, op een plek waar de dingen vaag waren en de details alle kanten op konden’. Zijn oudere broer Sjaoel verweet hem dat hij elke avond uitging en feestvierde terwijl zijn moeder in het ziekenhuis lag dood te gaan – een verwijt dat Jonatan later met niet weg te fantaseren schuldgevoelens bezwaarde.

Joël, de vriend uit zijn kindertijd in Beet Hakerem, een welgestelde wijk in West-Jeruzalem, was 35 toen hij de hand aan zichzelf sloeg. Ook met hem had Jonatan al lang een moeizame verhouding. Ooit hadden ze samen beschutting gezocht in hun sprookjesachtige koninkrijksfantasieën en de daarmee versmolten gevechten met de minder welgestelde kinderen uit ‘de hoge torens’; maar als puber groeiden ze uit elkaar, waarna hun vriendschap eerder op de macht der gewoonte dreef dan op ongeveinsde loyaliteit. Joël werd advocaat, maar zonder overtuiging. Hij verhulde zijn depressies met cynisme. Kort voor hij er een eind aan maakte vroeg hij Jonatan: ‘Schrijf iets moois over me. (…) Geef de hele zaak iets romantisch mee, iets wat inspiratie opwekt, wees niet lullig.’ Aan het eind van de nacht is daarop Jonatans meer dan eens door de ziel snijdende maar allerminst romantische reactie. Het boek is opgedragen aan de nagedachtenis van ‘Oeri’, de naam waarachter Barams ongelukkige vriend schuilgaat.