Wie was Boeddha?

Verlangen naar het niets

Boeddha gold in het Westen lange tijd als een volstrekt ongrijpbare figuur, totdat oriëntalisten in de negentiende eeuw uit Indiase teksten een nieuwe persoon destilleerden, een filosofische held, die tot de dag van vandaag in de verbeelding voortleeft.

Win Sein Taw Ya, de grootste liggende boeddha ter wereld in Mudon, Mon State, Myanmar © Arterra / Universal Images Group via Getty Images

Iedereen houdt van Boeddha. Dit in tegenstelling tot Jezus en Mohammed, die regelmatig weerstand oproepen. Zo niet Boeddha. Er is iets dat hem vrijwaart van weerzin. De Indiase stichter van het boeddhisme, die vermoedelijk in de vijfde eeuw voor Christus leefde, lijkt louter met positieve zaken geassocieerd te worden: een filosofische levenshouding, mindfulness, verdraagzaamheid en tolerantie.

De Boeddha is alom aanwezig – in yogascholen, cadeauwinkels en woonkamers. Zelfs nu, terwijl ik dit stuk schrijf in een Veluws vakantiehuisje, zie ik in de tuin een wit boeddhabeeld onder een boom staan, zijn lichaam en hoofd enigszins gehavend door het mos. Hij zit er vredig bij. Meditatief staart hij wat voor zich uit. Op zijn gelaat vormt zich een mysterieuze glimlach die wijsheid uitstraalt, maar niet die van de gevaarlijke soort, die aan anderen wordt opgelegd. De Boeddha belichaamt passiviteit. Er gaat geen enkele dreiging van hem uit.

Zo is het niet altijd geweest. Eeuwenlang werd de Aziatische figuur door Europeanen met verwarring bekeken. Wie was hij? Sommigen hielden hem voor een monster. Een afgod die zijn aanhangers met zijn duivelse leer hypnotiseerde en naar de verdoemenis leidde. Er werd gedacht dat hij uit Ethiopië kwam, of misschien ergens anders uit Afrika, niemand wist het precies. Boeddha gold in het Westen lange tijd als een volstrekt ongrijpbare figuur, totdat oriëntalisten in de negentiende eeuw een einde maakten aan alle verwarring en uit de oudste Indiase teksten een nieuwe persoon destilleerden, een filosofische held, die tot de dag van vandaag in de verbeelding voortleeft.

Ik kan me het eerste college ‘Inleiding tot het boeddhisme’ nog goed herinneren. Ik studeerde Indiase talen en culturen aan de universiteit van Leiden. Vakken hadden doorgaans nog geen tien studenten. Maar die keer was het anders. De zaal was afgeladen met studenten van allerlei richtingen. Het rumoer was overweldigend. Totdat de docent, Jonathan Silk, de deur opendeed. Onder zijn cowboyhoed liep een paardenstaart naar beneden.

Silk, een van de belangrijkste boeddhologen ter wereld, droeg een te wijde ribbroek en daaronder afgetrapte New Balance-sneakers. Hij plofte zijn rugzak – geen koffer – op tafel. Ik denk dat iedereen op dat moment boeddholoog wilde worden, al wist niemand wat het precies inhield. Het was muisstil. Silk zuchtte. Hij zei niets. Een minuut leek wel een eeuwigheid te duren. Toen schraapte hij zijn keel.

‘Dus jullie willen over het boeddhisme leren’, zei hij. ‘Laten we eerst maar even kijken wat jullie zoal weten. Als jullie aan het boeddhisme denken, waar denken jullie dan aan?’

Een Israëlische uitwisselingsstudent stak zijn hand omhoog. Hij dacht aan een way of life, zei hij. Silk schreef het op het bord. Een andere student, iemand met een tas met daarop een geborduurd hindoeïstisch ohm-teken, dacht aan de spirituele verlichting. Iemand anders aan meditatie. Silk ging een half uur door. Het bord kwam vol te staan met associaties. En toen stopte hij.

‘Waarom’, vroeg hij, ‘heeft niemand opgemerkt dat het boeddhisme een religie is? Met monniken, kloosters, goden en leken die donaties moeten doen? Niemand in Azië zou ontkennen dat het boeddhisme een religie is.’

Silk genoot duidelijk van onze blinde vlek, die hij vast al talloze keren had geconstateerd bij studenten. De Boeddha was intuïtief geen religieus leider. Hij was een eerder een filosoof. Of een mysticus. Toch?

Die westerse worsteling met Boeddha is er altijd geweest, al vanaf het moment dat Marco Polo als eerste Europeaan uitgebreid over de figuur schreef. Eind dertiende eeuw kwam hij op Sri Lanka in aanraking met boeddhisten die op het eiland pelgrimeerden naar de berg Adam’s Peak. Volgens het lokale verhaal zou het graf van de Boeddha daar te vinden zijn. De Italiaanse handelsreiziger verafschuwde de volgelingen als ‘afgodendienaren’, maar was tegelijkertijd duidelijk onder de indruk van de legende die hij opving. Hij wijdt er in zijn reisboek De wonderen van de Oriënt, dat vorige maand opnieuw in het Nederlands is verschenen, een opvallend lange passage aan.

Lang geleden, schrijft Polo, leefde er een jonge prins, Sergamon Borgani, die voorbestemd was het koninkrijk van zijn vader te erven. Maar hij zag ervan af. Wereldse zaken interesseerden hem niets. Toen hij op een dag buiten de muren van zijn paleis zag hoe een man werd begraven, en hij voor het eerst geconfronteerd werd met het lijden en de dood, besloot hij een ascetisch leven te leiden. Hij wilde ‘Hem zoeken’ die ‘nooit zou sterven of oud worden, en die hem had geschapen en gemaakt’. De prins werd een mysticus. Hij beklom de berg Adam’s Peak en bleef daar de rest van zijn leven. Sinds zijn dood werd hij door zijn volgelingen aanbeden als de ‘beste god’ die ze ooit hadden gehad.

Polo’s verhaal – in zijn boek overigens een stuk uitgebreider – is om meerdere redenen interessant. Allereerst vanwege de afwijkende naam die hij voor Boeddha gebruikt: Sergamon Borgani. Mogelijk was dat op dat moment de Mongoolse naam voor de figuur, het is niet helemaal duidelijk. Het illustreert in ieder geval hoe er lange tijd niet één naam circuleerde voor de Boeddha. Overal in Azië werd hij anders vereerd, met een eigen lokale variatie op zijn levensverhaal en vooral ook met andere rituelen en tradities. Europeanen hadden aanvankelijk dan ook geen idee dat de figuur die zij op meerdere plekken tegenkwamen uiteindelijk dezelfde was. In het boek Strange Tales of an Oriental Idol heeft de Amerikaanse boeddholoog Donald Lopez ruim driehonderd verschillende benamingen verzameld die werden gebruikt voor de Boeddha. Thicca, bijvoorbeeld. Of Nacodon. Putza. Chacabout. Dibote.

Bovendien is het opvallend hoe Polo zijn best doet om Boeddha af te beelden als een haast christelijke mysticus die nu eenmaal de pech had in het verkeerde milieu geboren te zijn. Als de Boeddha een gedoopte christen was geweest, schrijft Polo, dan ‘zou hij zeker een grote heilige bij God zijn’. Daarmee zette de Venetiaanse handelsreiziger een trend die nog eeuwen zou duren. Omdat er geen duidelijk, overkoepelend verhaal over de Boeddha voorhanden was, projecteerden westerlingen hun eigen fantasieën op de figuur.

Eigenlijk weten we weinig over het leven van de Boeddha. De academische consensus is dat de man waarschijnlijk in de vijfde eeuw voor Christus leefde in het noorden van India, zo ongeveer langs de grens van Nepal. In de zogeheten Pali-canon, de oudste overgeleverde boeddhistische geschriften die zijn geschreven in het Pali, wordt hij eerder gepresenteerd als een soort alwetende god met bovennatuurlijke eigenschappen dan als een man van vlees en bloed. Er wordt over zijn persoonlijkheid niets vermeld. We weten zelfs niet hoe hij heette. ‘Boeddha’ is een titel en betekent zoiets als ‘de verlichte’ of ‘de ontwaakte’. ‘Siddhartha’, zoals hij tegenwoordig vaak wordt genoemd (denk aan de gelijknamige roman van Hermann Hesse), is een voornaam die hem pas eeuwen na zijn dood is toegeschreven in een legendarische biografie. De achternaam ‘Gotama’ die vaak voor hem wordt gebruikt, lijkt ook meer een titel te zijn die verwijst naar een mythische afkomst dan een daadwerkelijke familienaam.

Maar enkele biografische gegevens zijn er wel te vinden in de Pali-canon. Dat hij is geboren in de republiek der Sakya’s, bijvoorbeeld, als zoon van de vorst Suddhodana. Al op jonge leeftijd zou hij hebben geweten dat het leven niet altijd leuk is. Alles is vergankelijk, bij elk geluk ligt leed op de loer. Op enig moment verliet hij daarom huis en haard. In Boeddha’s woorden: ‘Het is niet gemakkelijk voor iemand die thuis woont om het volkomen zuivere heilige leven, glanzend als parelmoer, in al zijn volheid te leven.’

Boeddha zocht in wezen een oplossing voor het lijden. Net als veel mannen van zijn tijd trok hij het bos in, hetgeen een nogal romantisch idee lijkt te zijn geweest. De Indiase filosofie bruiste in de vijfde eeuw voor Christus. Het heersende wereldbeeld was dat iedereen gevangen was in de eeuwige cyclus van reïncarnatie. Daar moest van losgebroken worden, dat was het idee. Boeddha zou bij twee leraren in de leer zijn geweest, maar hun lessen bevredigden hem niet. Uiteindelijk bereikte hij zelf volgens de canon in de duur van één nacht de Verlichting. Dat wil zeggen: hij ‘doorzag’ de oorzaak van het lijden, en hij ‘besefte’ dat hij er nu voorgoed vanaf was. Hij zou, dat wist hij zeker, niet herboren worden. De overige decennia van zijn leven besteedde de Boeddha aan zijn missionering. Hij trok langs steden en koninkrijken om iedereen ervan te vergewissen dat hij de wijsheid in pacht had. Het merendeel van de canon bestaat uit gesprekken die hij had met leken en monniken waarin hij zijn praktische methode uitlegt, die in grote lijnen neerkomt op het aanhouden van een hele strikte levenswijze en het opgeven van je verlangens. Totdat hij op zijn tachtigste stierf en daarmee naar eigen zeggen nirvana betrad, de staat van zijn waaruit geen wedergeboorte meer mogelijk was – de Verlossing.

Dit is in grote lijnen het verhaal van de Boeddha volgens de Pali-canon. Is dit historisch ook maar enigszins betrouwbaar? Nee. Na Boeddha’s dood hebben monniken zijn leer eeuwenlang volgens orale traditie doorgegeven. De eerste versie is vermoedelijk pas rond 35 voor Christus op schrift gesteld. Dat gebeurde op Sri Lanka. Maar die versie is verloren gegaan. De oudste versie van de Pali-canon zoals we die kennen stamt uit de vijfde eeuw ná Christus. Dan zijn we al een millennium verder dan zijn dood. Sommige academici claimen dat het heel goed mogelijk is dat Boeddha nooit bestaan heeft, maar als figuur is gecreëerd door meerdere monniken, om stichtelijke coherentie te geven aan hun gedachtegoed. Boeddha valt in de categorie Homerus: misschien heeft hij bestaan, maar het valt niet te bewijzen.

Hoe heeft deze koelbloedige figuur ooit kunnen uitgroeien tot humanistische held?

In de loop der eeuwen groeiden de mythische verhalen rond de Boeddha. Over zijn jeugd, familiegeschiedenis en vorige levens. De beroemdste biografie is misschien wel de Buddhacarita van Ashvaghosa uit de tweede eeuw na Christus, geschreven in het Sanskriet. Met elke tekst die geschreven werd groeide het leven van de Boeddha verder uit, werd hij nóg grootser, nóg bijzonderder, totdat hij een held van reusachtige mythische proporties was.

Het boeddhisme wist zich in diverse stromingen succesvol over Azië te verspreiden via de Zijde-routes. Het voordeel van het gedachtegoed was dat het makkelijk leek mee te buigen met lokale tradities. Er was immers niet één gezaghebbende bron waaraan fundamenteel vastgehouden moest worden. Moeiteloos werden lokale goden geïncorporeerd in het systeem. Het enige land waar de religie jammerlijk faalde, was ironisch genoeg het moederland India. Ergens in het eerste millennium na Christus doofde het boeddhisme daar uit als een nachtkaars. Mogelijk kon het niet goed concurreren met soortgelijke hindoeïstische stromingen. Wat er nog over was aan Indiase boeddhistische cultuur werd in de dertiende eeuw door islamitische veroveraars kapotgeslagen.

Boeddha is ook in Nederland alom aanwezig – in yogascholen, woonkamers en tuinen © Roger Dohmen / ANP

Marco Polo had geen kennis van de oude Indiase teksten op dat moment. De wereldbevolking was tot in de negentiende eeuw volgens de christelijke missionarissen ingedeeld in vier groepen: christenen, joden, moslims en afgodendienaars. Boeddhisten behoorden tot die laatste categorie. Een minderwaardige groep, omdat er geen god werd erkend, of in ieder geval niet een die Europeanen begrepen. De houten, stenen en gouden boeddhabeelden werden als duivelse attributen gevreesd.

Polo’s beschrijving van Boeddha was nog een relatief vriendelijke. Neem bijvoorbeeld die van de Nederlandse zeventiende-eeuwse dominee François Valentijn. In zijn monumentale boek over Azië, Oud en Nieuw Oost-Indiën, schrijft hij dat de ‘profeet Buddhoo’ in 622 voor Christus geboren is op Sri Lanka. Hij vervolgt met een gewelddadig verhaal over hoe deze profeet tijdens zijn leven duivels versloeg om de Verlichting te bereiken (wat strikt genomen overigens ook weer niet zo heel erg afwijkt van de Pali-canon). Uiteindelijk, toen alles gelukt was, beschikte Boeddha over ‘vijfhonderd schrijvers’ die zijn doctrine verspreidden. Iedereen die Buddhoo’s leer weigerde te accepteren, werd vernietigd.

Pas aan het einde van de zeventiende eeuw werd voor het eerst een verband gelegd tussen de verschillende Boeddha’s in Azië. De Duitse arts Engelbert Kaempfer voer in dienst van de voc van Batavia naar de handelspost Deshima bij Japan. Onderweg stopte hij in Thailand. In beide landen constateerde hij soortgelijke boeddhabeelden. Hij trok de conclusie: het moest hier wel om dezelfde figuur gaan.

Toch duurde het nog een eeuw voordat het boeddhisme als overkoepelende wereldreligie werd erkend. Saillant: ook in Azië werd daar nooit in die termen over gesproken. Er waren slechts talloze verschillende boeddhistische sektes en stromingen, die zich allemaal vagelijk baseerden op dezelfde principes, met grote onderlinge verschillen. De term ‘boeddhisme’ bestond simpelweg niet. Dat veranderde aan het eind van de achttiende eeuw. Tijdens en na de Verlichting nam de westerse fascinatie voor Azië spectaculair toe. Oriëntalisten leerden Sanskriet en Chinees lezen, en kregen zo toegang tot oude teksten. Boeddha werd een gewild studieobject, al bleef de verwarring groot. Velen, zoals de Britse arts John Davy, dachten dat hij vanwege zijn haardracht uit Ethiopië kwam, of in ieder geval uit Afrika.

De oriëntalisten van de negentiende eeuw richtten zich al snel louter op het ‘originele boeddhisme’, zoals ze dat noemden. Het was het boeddhisme van de tijd van Boeddha zelf dat hen aansprak. Ze waren absoluut niet geïnteresseerd in de boeddhistische stromingen van hun eigen tijd. Het Tibetaanse boeddhisme werd bijvoorbeeld lange tijd afgedaan als ‘lamaïsme’, een bijgelovige beweging uit de bergen waar academici niets van moesten hebben. Hier speelden romantische overwegingen een rol in. Het oude India werd door de oriëntalisten opgehemeld als een beschaving die misschien wel te vergelijken was met die van de Grieken en de Romeinen. De Boeddha was eigenlijk een soort Socrates van het Oosten. Er werd voor geen moment aan getwijfeld of hij geleefd had of niet. Zijn leer werd losgerukt uit zijn Aziatische context, alsof het om een geheime doctrine ging die alleen door westerse geleerden werd begrepen.

Heel belangrijk in de nieuwe beeldvorming van Boeddha was de Franse geleerde Eugène Burnouf, die typerend genoeg nooit een voet op Aziatische grond had gezet. Hij was de eerste Europeaan die vele oude boeddhistische teksten in het Sanskriet las. In 1844 publiceerde hij zijn Introduction à l’histoire du Bouddhisme indien, een boek dat het beeld van Boeddha blijvend zou veranderen. Hij schetste een menselijke, intellectuele rebel, die zich in het oude India heftig verzette tegen de dogmatische brahmanistische priesters van zijn tijd. Boeddha werd een filosofische hervormer. Iemand die het kastenstelsel verwierp, en alleen daarom al moest hij geprezen worden. Dat portret sloeg buitengewoon goed aan in Europa, waar verlichtingsidealen hun doorwerking hadden en er steeds meer werd getornd aan de macht van de kerk. Hier was een figuur waar het Westen iets mee kon.

Burnoufs invloed was groot. Het was zíjn Boeddha waar andere boeddhologen vanaf dat moment hun verdere studies op baseerden. Zijn boek drong door tot in verre filosofische en literaire uithoeken. Henry David Thoreau, Ralph Waldo Emerson, Arthur Schopenhauer en Friedrich Nietzsche lazen het. Boeddha werd een hype onder intellectuelen.

De nadruk kwam te liggen op Boeddha’s filosofische systeem. Burnouf schetste het nirvana als de hoogste staat van zijn die bereikt kon worden, de ultieme ‘vernietiging’ van lichaam en ziel. Het ‘niets’, eigenlijk. Christenen waren nogal huiverig voor dat gedachtegoed. Het neigde naar pessimisme, nihilisme, en ja, naar atheïsme. Hoe kon iemand verlangen naar het niets? Was dat niet een ultieme ontkenning van het leven?

Anderen, zoals Arthur Schopenhauer, konden daar juist uitstekend mee uit de voeten. Hij noemde Boeddha’s leer ‘perfect’, ver verheven boven alle andere religies. Hij zag er vooral de bevestiging in van zijn eigen pessimistische gedachtegoed. Het leven was lijden, daar was hij zelf ook allang achter. Er was geen zingeving. In de laatste jaren van zijn leven betuigde hij zich openlijk aanhanger van Boeddha.

Nietzsche was iets sceptischer. Een verlangen naar het niets, dat kon niet de bedoeling van de mens zijn. Hij zag in het boeddhisme een vorm van ‘vreedzame inactiviteit’. Dat was hem te passief. Veel beter was het om conflict te zoeken in het leven en strijdend ten onder te gaan. Dat leverde meer op dan mediterend in stilte zitten terwijl de jaren voorbijtrekken. Het boeddhisme was in zijn ogen dan ook zwak. Een vorm van terugtrekken. Nietzsche wilde tragedie. Vuur.

Het is opmerkelijk dat de Boeddha in de negentiende eeuw zo serieus werd genomen als filosoof. Uit de Pali-canon blijkt allerminst dat hij dat was. Eerder komt hij naar voren als een autoritaire sekteleider met een praktisch systeem. Kort samengevat dienen de talloze dialogen ertoe om steeds maar weer de superioriteit aan te duiden van Boeddha’s methode om een einde te maken aan het lijden, het zogeheten Achtvoudige Pad. Er is maar één weg naar de Verlossing, en dat is die van hem. Zodra er ingewikkelde metafysische gesprekken ontstaan – wat zeer gebruikelijk was in zijn tijd, want men was in India druk bezig de concepten van reïncarnatie en karma uit te werken – doet hij die uiteindelijk af als ‘gekronkel der theorieën’. Filosofische discussies leiden niet tot rust en nirvana, aldus Boeddha, en dus moet je ze eigenlijk vermijden. Tekenend is dat hij eigenlijk nergens toelicht wat dat nirvana nu precies is.

Het wordt erger wanneer monniken of leken het wagen tegen Boeddha’s woorden in te gaan, of die in zijn ogen verkeerd interpreteren. Zo is er het verhaal van de monnik Arrittha, die voor zichzelf de conclusie trekt dat zinnelijk genot in zijn geval misschien toch niet zo slecht is. De hindernissen van het leven waar Boeddha het over heeft ervaart hij niet als hindernissen, zegt hij (hij laat in het midden waar hij daarmee precies op doelt). De leider ontsteekt hoe dan ook in woede. ‘Dwaze man’, zegt hij, ‘aan wie denk jij dat ik de Dhamma (leer) zo geleerd heb?’ Boeddha richt zich tot de overige aanwezigen: ‘Wat vinden jullie, monniken? Heeft deze monnik Arrittha iets begrepen van deze Leer en Discipline?’ De monniken schreeuwen uit van niet, waarop Arrittha afdruipt met hangende schouders, ‘terneergeslagen, met de mond vol tanden’. Dan deelt Boeddha de genadeklap uit: ‘Jij, dwaze man, zult bekend staan om deze slechte opinie van jou; op dit punt zal ik de monniken ondervragen.’

In een ander verhaal laat Boeddha er geen misverstand over bestaan: wie hem niet als de allergrootste leraar erkent, wie niet inziet dat hij bovenmenselijke krachten heeft, die krijgt zijn ‘verdiende loon’ en gaat naar de hel (in die zin zat de beschrijving van de zeventiende-eeuwse François Valentijn er bij nader inzien toch weer niet zo heel ver naast).

Uit de canon blijkt ook Boeddha’s minachting voor vrouwen. Ze konden de Verlichting volgens hem niet bereiken. Hij droeg zijn monniken op niet met vrouwen te spreken. Het zou kunnen leiden tot seksueel verlangen. In Boeddha’s wereldbeeld houden vrouwen via de geboorte van kinderen de eeuwige cyclus van reïncarnatie in stand, en die moet nu juist verbroken worden. In sommige passages legt hij een shockerende onverschilligheid ten opzichte van nonnen bloot, bijvoorbeeld als hij een monnik instrueert: ‘Je moet, zelfs als iemand in jouw aanwezigheid een klap met de hand aan die nonnen geeft, of ze met een kluit aarde bestookt of ze met een stok een slag toedient of ze met een mes een steek toebrengt, alle wereldse verlangens en gedachten opgeven.’ Hoe heeft deze koelbloedige figuur ooit kunnen uitgroeien tot humanistische held?

En tegelijkertijd besef ik terwijl ik dit schrijf dat ik hiermee niet veel anders doe dan wat al die andere westerlingen eerder op hun eigen manier deden. ‘Terwijl ze dachten dat ze over de Boeddha spraken’, schrijft de Franse filosoof Roger-Pol Droit treffend in The Cult of Nothingness, ‘hadden ze het eigenlijk over zichzelf. Ze schreven hun eigen denkbeelden toe aan Azië; ze projecteerden op Azië hun eigen angsten, hun eigen verwarring.’

Boeddha vreesde volgens de canon voor poëzie. Hij was bang dat toekomstige dichters zijn leerredes zouden reduceren tot mooie woorden, die misschien wel ontroerend waren, maar niet meer de essentie van zijn methode overbrachten. Zijn leer zou op deze manier ‘verdwijnen’. Toch school er ook iets moois in ‘fraaie klinkers en medeklinkers’, Boeddha kon het niet ontkennen. Als taal mooi kon zijn, dan zouden monniken het vast goed onthouden en via poëzie zich zijn leer eigen kunnen maken. En dus hebben meerdere versregels uiteindelijk toch de canon gehaald. Zoals:

‘Vergankelijk zijn de dingen die ons bezielen,
Onderworpen aan ontstaan en aan vergaan.
Na ontstaan te zijn, vergaan ze weer.
Het verlangen ernaar tot rust brengen is geluk.’

Ik sta op. Ik klap de houten deuren van het Veluwse huisje open. De lucht is asgrijs. Het is aangenaam stil, al klinkt uit de verte heel zachtjes de autoweg. Een eekhoorn snelt een boom in. Boeddha zit onbeweeglijk op zijn vaste plek. Nu ik beter kijk, betwijfel ik of hij glimlacht. Door het mos is het niet goed te zien.