Jennifer Egan levert via haar personages zachtzinnig commentaar op de mores van haar tijd © Dieter Telemans / ID/photo agency

In het slothoofdstuk van haar nieuwe roman Het snoephuis zoomt Jennifer Egan in op een jongetje zoals, denk ik, alleen zij dat kan. Hij is elf en hij is aan slag. Dat wil zeggen: hij bevindt zich op het sportveld, is gekleed in honkbaltenue, en hij staat op het punt, knuppel in de hand, om misschien het verschil te maken voor zijn team. Misschien. Hij heeft zijn reputatie niet mee; niemand, hijzelf incluis, kan zich heugen dat hij ooit een bal raak geslagen heeft. En nu zou hij de beslissende homerun moeten maken.

In het bestek van elf luttele bladzijden beschrijft Egan het állemaal. Zowel het lot van het middelste kind, ingeklemd tussen de sportieve oudere broer en de eigenaardige jongste, diens diepe twijfel aan zichzelf die om te kunnen overleven alleen maar gepaard kan gaan met immense zelfoverschatting, de verzenuwde liefde die zijn moeder voor hem voelt, de spanning op de tribune, de hoon of de triomf die zijn komende jaren zullen kleuren. Maar ook zoomt de schrijfster uit, boven het veld, boven de buitenwijk van New York, en biedt ze een helikopterview op de tienduizenden buitenwijken rond meer dan drieduizend Amerikaanse steden, blikken we neer op al die jongetjes in een identieke pose op een sportveld, en eenmaal daar, hoog in de lucht, moeten we wel beseffen dat het 1991 is. Ook daarin neemt ze ons mee, in die timewarp, wat het precies betekent om die jaren terug te gaan in de tijd. ‘Er staan een hoop dingen te gebeuren die nog niet gebeurd zijn’, schrijft een alwetende verteller droogjes en simpel.

En dit dus allemaal zonder dat je als lezer ook maar een moment de schrik voelt verstrikt te raken in iets wat te moeilijk is. Integendeel.

Wat zal schelen is dat die lezer een hoop van nabij verleden en dito toekomst in de pagina’s voorafgaand aan deze slotpagina’s heeft meegekregen. En niet alleen van deze jonge honkballer, maar van zo’n twintig personages. We zijn met hen zowel teruggegaan in de tijd als vóóruitgegaan, een paar cruciale jaren slechts. Maar wel net op zo’n futuristische, licht onheilspellende manier dat ik denk dat je Het snoephuis in zekere zin een dystopische roman kunt noemen, al klinkt dat afschrikwekkender dan het is. Een béétje afschrikwekkend maar.

Egan wil duidelijk iets beschrijven wat zomaar binnenkort mogelijk zou zijn, een consequentie van de nonchalante manier waarop we al zoveel privacy uit handen hebben gegeven door ons op het grote wereldwijde web te begeven, ons te laten monitoren, bespieden en manipuleren. Ze wil ons waarschuwen, lijkt het, al wil ze dit liever niet benadrukken in de interviews die ze tot nog toe gaf. Ze vindt het gewoon ‘interessant’, dat mensen uitvindingen doen die altijd weer tot andere uitvindingen zullen leiden, en dat de consequenties daarvan nooit te overzien zullen zijn. Net zoals ze het opmerkelijk vindt dat iedereen altijd denkt in de ergste tijden te moeten leven, met de grootste veranderingen denkbaar.

Terwijl ja, er zijn ook mensen geweest die opeens de automobiel aan de horizon zagen verschijnen, om maar iets te noemen, en afstanden overbrugd zagen binnen een tijdsspanne die ze nooit voor mogelijk gehouden hadden en die vast ook niets goeds betekenden.

Jennifer Egan ontwikkelt zich tot een van de meest solide en tegelijkertijd avontuurlijke Amerikaanse schrijvers van het moment. Ze schrijft breed uitwaaierende vertellingen in de beste negentiende-eeuwse Europese traditie van grote realisten als Dickens en Balzac, en levert in diezelfde traditie via haar personages zachtzinnig commentaar op de mores van haar tijd. In interviews zal ze zich niet snel laten verleiden over haar achtergrond en persoonlijk leven uit te weiden, zoals ik zelf ook ondervond toen ik haar tien jaar geleden interviewde in een koffiehuis bij haar om de hoek in Brooklyn, New York. Liever praat ze over literaire technieken, voorbeelden, vormkwesties en de consequenties daarvan. In vergelijking met generatiegenoot Jonathan Franzen is ze een experimenteel schrijver, die iedere keer het romangenre oprekt zonder daarbij haar lezers en hun plezier uit het oog te verliezen.

‘De schermpjes die iedereen over twintig jaar zal meedragen zijn nog niet uitgevonden, geen enkel gezicht dat van onder door een blauwe gloed wordt beschenen!’

‘Als je David Copperfield hebt gelezen, heb je een heel ander leven geleid’, zei ze. Ze bewonderde niet alleen Dickens’ verhalende kracht, maar ook de manier waarop hij scènes naast elkaar plaatst, schijnbaar overbodige details invoegt en met perspectieven speelt. De ironische manier waarop hij bijvoorbeeld gebruikmaakt van een alwetende verteller noemde ze verrassend modern. Betekent voor Franzen het voorbeeld van Dickens vooral een vrijbrief zijn pen te laten gaan waar die hem voert, en volumineuze, levendige romans te schrijven over strevende en snevende personages – ook onweerstaanbaar, daar niet van –, Egan zet de ouderwetse verteltechniek in om een nieuw soort kunstige, soms vervreemdende roman te schrijven, bevolkt door intieme vreemden.

Geboren in Chicago, in 1962, groeide ze op in San Francisco, waarheen ze als achtjarige samen met haar moeder en zus verhuisde na de scheiding van haar ouders. Toen ze achttien was zwierf ze een jaar lang door Europa, in haar eentje, en begon ze, zoals ze me vertelde, uit pure eenzaamheid voor zichzelf dingen op te schrijven. Geleidelijk kwam ze erachter dat schrijven een actieve, en ook toegestane en prettige manier zou kunnen zijn om deel te nemen aan het leven.

Haar interesse voor literatuur verstevigde zich tijdens haar studie Engels aan de universiteit van Pennsylvania en aan St John’s College in Cambridge, Engeland. Ze was 25 toen ze zich in New York vestigde, waar ze dus nog steeds woont, zij het niet meer op Manhattan, en inmiddels met man, theaterregisseur, en twee zonen. Ze debuteerde met verhalen toen ze 33 was, en leek haar vorm te vinden met haar tweede roman, Look at Me, zes jaar later, in 2001.

Ik had de roman gelezen vlak voor ik haar ontmoette en was ervan overtuigd dat iemand die dit had kunnen schrijven een alwetende heks moest zijn, of in ieder geval iemand met laserogen, feilloos de schaduwzijden van mensen blootleggend. Haar zachte gezicht, de meisjesachtige lange haren, moesten me op een dwaalspoor brengen. Trouwhartig keek ze me aan: ‘Dat ben ik niet. Zo kijk ik niet.’

En toen ik haar kennelijk ongelovig bleef aankijken, zei ze zich in haar schrijven slechts door nieuwsgierigheid en empathie te laten leiden. ‘Mijn verteller dénkt dat ze van iedereen de waarheid ziet. Maar dat is een mythe. Zij tast ook maar rond in onwetendheid. Ze blijkt toch ook heel veel dingen niet te weten?’

Met terugwerkende kracht kun je Look at Me zien als de voorloper van de meer experimentele of postmoderne roman waarmee ze in 2010 doorbrak, zowel bij de literaire critici als bij het grote publiek, A Visit from the Goon Squad. Beide boeken, in het Nederlands verschenen als respectievelijk Kijk naar mij en Bezoek van de knokploeg, hebben als onderliggend thema het verlangen naar zelfbehoud en ‘echtheid’ in een tijd waarin technologie uitwisselbaarheid steeds normaler maakt. In Kijk naar mij lag de nadruk op het – toen nog – ongekende verdienmodel van webcams en reality-tv: je leven in alle details laten opnemen en filmen ten behoeve van kijkers die verlangden naar iets wat echter was dan televisie. Bezoek van de knokploeg focuste op de verschuivende intimiteit tussen geliefden, vrienden, gezinsleden als gevolg van het verglijden van de tijd, tegen de achtergrond van de muziekindustrie. Het is een waanzinnig knap, hart- en geestveroverend boek, vernuftig geconstrueerd als een ketting van langs elkaar heen schampende verhalen en tegelijkertijd oermenselijk en bitterzoet getoonzet. Zowel de Verloren tijd-cyclus van Proust als de tv-serie The Sopranos was een grote inspiratiebron; het trage en het snelle, de details en de grote lijnen, komen inderdaad wonderwel bij elkaar.

In haar nieuwe roman Het snoephuis – door haarzelf niet als een vervolg van A Visit from the Goon Squad gekenschetst, maar als een zusje of broertje – komen we deels dezelfde personages tegen en/of hun inmiddels volwassen kinderen. Ook de vorm en opzet zijn vergelijkbaar; zoals Egan toelichtte was ze niet uit op een herhalingsoefening, maar was ze gewoon nooit opgehouden met verhalen verzinnen voor haar personages. Het is ook zeker niet meer van hetzelfde, het is in zekere zin een ernstiger en misschien zelfs moralistischer boek. Vergelijkbaar is de hoeveelheid personages, de snelheid waarmee we worden vergast op hun levens die telkens dreigen te ontsporen, en tegelijkertijd de gedetailleerdheid waarmee die levens worden aangekleed.

Een mensenleven kan toch alleen benaderd worden door de ouderwetse verhalenverteller, daar kan geen dataverzameling tegenop

Centrale figuur is deze keer een Zuckerberg-achtige, of een Steve Jobs, zij het zwart, en terugverlangend naar zijn lange dreadlocks van weleer, vóórdat hij rijk en beroemd werd, toen hij nog zonder beveiliging ’s avonds over straat kon. Deze Bix Bouton is de uitvinder van een nieuw type netwerk, dat evenveel volgers als ‘ontduikers’ heeft. Vertrekkend vanuit deze complexe figuur en zijn uitvinding waarvan hij inmiddels vreest dat het een monster is, schetst Egan een grimmig scenario voor een nabije toekomst, zij het dus opnieuw, net als in Bezoek van de knokploeg, verpakt als een levendige mozaïekvertelling.

Eerst maar even dat grimmige toekomstvisioen, al is dat ook het aspect van de roman dat ik enigszins for granted nam. Wat zij in concreto aan science-fiction-achtigs in Het snoephuis beschrijft, is dat je in ruil voor het laten aftappen van je bewustzijn, je herinneringen en sensaties – eigenlijk alles waarvan je zou denken dat het jouw eigenste identiteit uitmaakt – ook deelgenoot kunt worden van de herinneringen van een ander. Er is een soort collectief geheugen – Egan stelt het voor als een zoemend, kubusachtig geval dat je in huis kunt halen – waarop je kunt inloggen als jij zelf je herinneringen er ook op hebt gezet. En dus kun je bijvoorbeeld teruggaan naar een voor jou belangrijk moment in de tijd en ervaren hoe anderen jou op dat moment hebben ervaren.

Hoe ik het nu weergeef klinkt het kinderlijker, en belangrijker, dan het in de roman tot je komt. Een van de knappe, onweerstaanbare aspecten van Egans schrijfkunst is de soepelheid waarmee ze een oldskool, menselijk verhaal vertelt, en dat verweeft met onbekende elementen. Het onbekende geldt dan ook nog eens niet alleen voor dat wat ze vertelt, maar ook voor de manier waaróp ze het vertelt. Ze gaat geen enkele manier van vertellen uit de weg om iets zo nauwkeurig mogelijk, en vooral niet sentimenteel of oubollig, voor het voetlicht te krijgen. Werd een van de onderdelen in A Visit from the Goon Squad iconisch omdat ze een gevoelig verhaal vertelde in de vorm van een powerpointpresentatie, nu heeft ze bijvoorbeeld een verhaal helemaal opgebouwd uit directieven die net zo kort zijn als Twitter-boodschappen.

Is dat leuk, kun je je afvragen. Ik vroeg me dat eerlijk gezegd soms ook wel een beetje af, maar het past bij het kunststuk dat Egan opnieuw lijkt te hebben willen bouwen. The New York Times lanceerde de term ‘minimalist maximalism’ om de roman te kunnen kwalificeren, en dat lijkt me wel een goeie: het is bijna ondoenlijk de roman terug te brengen tot een samenvatting van plot of intrige, zo duizelingwekkend veel is er aan de hand in een toch ook weer niet héél dik boek.

Belangrijk onderliggend thema is de technologische innovatie waarop generaties altijd verschillend zullen reageren. Voor het eerst geconfronteerd met de mogelijkheden die Napster biedt, in de zomer van 1999, weet de muziekman die we al in The Goon Squad leerden kennen dat het gedaan is met zijn business: over vijf jaar betaalt geen hond meer voor muziek, vertelt hij zijn dochters, die begin twintig zijn. Hij overdrijft, zeggen zij op hun beurt tegen hem. Tot ze beseffen: hij is 65, weliswaar nog steeds heel vitaal, maar niet zozeer dat hij zijn handel opnieuw kan uitvinden. ‘Hij kon alleen maar het einde ervan zien. (…) Wij zagen dezelfde feiten als onze vader, maar op een andere manier, door de bodem van een glas.’

Grappig genoeg voelen ze in eerste instantie dezelfde ontsteltenis – ‘Als het internet eenmaal in je computer zat en door je muziek snuffelde, waar zou het verder dan nog naar kijken?’ – maar als de muziekindustrie inderdaad is ingestort zoals hun vader al voorspelde, en hij de ene na de andere beroerte krijgt, weten ze de nieuwe technologie zonder scrupules verder uit te bouwen en naar hun hand te zetten. Ironisch genoeg komt een van de dochters tot inkeer en voegt zich in 2025 bij de ontduikers, oftewel het onzichtbare leger van de datatrotseerders.

In dat trotseren schuilt onmiskenbaar de moraal van Egans roman, ook al heeft ze haar best gedaan ook de mooie kanten van een oplaadbaar Collectief Bewustzijn te beschrijven. Bij traumaverwerking zou het bijvoorbeeld een helende werking kunnen hebben. In het slothoofdstuk, waarin de elfjarige honkballer de slag van zijn leven gaat leveren, klinkt echter heimwee door naar het tijdperk waarin toeschouwers van een honkbalwedstrijd nog ‘in’ het moment konden verkeren. ‘De schermpjes die iedereen over twintig jaar zal meedragen zijn nog niet uitgevonden (…), geen enkel gezicht dat van onder door een blauwe gloed wordt beschenen!’ Wat ze uiteindelijk lijkt te willen zeggen is dat het mysterie van een mensenleven toch alleen benaderd kan worden door de ouderwetse verhalenverteller, en dat daar geen technologie of dataverzameling tegenop kan. Alles weten lijkt te veel op niets weten, aldus de dickensiaanse alwetende verteller; zonder een verhaal heb je alleen informatie.

Jennifer Egan is 19 mei in Den Haag bij Border Kitchen en 20 mei in Utrecht bij het ILFU