Verlangen naar kritiek

Looking for Sharks van Damien Hirst maakte deel uit van Sculpture by the Sea op Tamarama Beach op 19 oktober 2018 in Sydney, Australië © Mark Metcalfe / Getty Images

Kijken, proeven, denken, een nieuwe bundel essays van Thijs Lijster op het snijvlak van kunst, kritiek en filosofie, stemt op een vanzelfsprekende manier dankbaar. Omdat er op even ongegeneerd intellectuele als toch ook toegankelijke wijze wordt geschreven over hedendaagse kunst. Omdat het engagement dat uit de essays spreekt eerder een simpel gegeven is dan dat het je in het gezicht wordt gesmeten. Omdat Lijster begrijpt dat het overschatten van de kennis van de lezer en het onderschatten van diens intelligentie zonden van gelijke ernst zijn. Zijn stijl is iets als ‘bedaard enthousiasme’.

Hij schrijft over Nederlandse ontwerpers en kunstenaars als Maarten Baas en Marijke van Warmerdam en over internationale figuren als Marina Abramovic, Julian Rosenfeldt en Damien Hirst. Hij beschouwt het werk van hedendaagse kunstenaars die worstelen met het Antropoceen, Alain de Bottons reductie van kunst tot therapie, blasfemie, de aard van het essay en de toekomst van de kritiek. Hij houdt nogmaals – net als in zijn vorige boek De grote vlucht inwaarts – een gloedvol betoog over de noodzaak ‘sterke verhalen’ te vertellen, verhalen die zo ambitieus zijn als de grote verhalen die we elkaar eerder vertelden, maar die zich in tegenstelling tot die grote verhalen bewust zijn van hun eigen beperkingen.

Zonder iets te forceren brengt Lijster in zijn essays kunstwerken en bespiegelingen van hemzelf en anderen bij elkaar. De kunst die hij beschouwt verraadt een voorkeur voor het moderne en het hedendaagse, terwijl hij in zijn reflectie geneigd is verder terug te grijpen: een beetje filosoof heeft altijd wel een dode Duitser voorhanden.

Lijster verlangt niet een andere kunstkritiek, maar betere publieke intellectuelen

Een deel van de hier bijeengebrachte stukken verscheen eerder elders, onder meer in dit weekblad. Het verklaart de breedte, zonder dat het iets afdoet aan de eenheid van de verzameling. Rode draad is Lijsters poging tot een helder idee te komen over hoe de kunst en het denken daarover zich in deze tijd tot elkaar zouden moeten verhouden. Kijken, proeven, denken biedt daarmee een mengeling van kunstkritiek en kritiekkritiek, het is een boek dat naast allerlei andere dingen ook de eigen reflectie wil tonen. Alsof een film en een making of-documentaire op ingenieuze wijze met elkaar versneden zijn. De kunstkritiek ligt hem na aan het hart, maar van haar beseft hij dat ze, om met De Tijgerkat te spreken, dient te veranderen om gelijk te kunnen blijven.

Zijn belangrijkste uitgangspunt is dat we het kunstwerk zouden moeten zien als ‘een ding-dat-denkt’: ‘De beweging die ik wil voltrekken is die van een denken over kunst – zoals kunstkritiek en esthetica traditioneel worden omschreven – naar een denken door kunst.’ Wanneer we in die gedachte meegaan, schrijft Lijster, ‘kan kunstkritiek niet beperkt blijven tot het simpelweg oordelen over het werk, in termen van mooi of lelijk, of goed of slecht’. Hij pleit voor een herneming van het vroeg-Romantische principe van de ‘immanente kritiek’, en kunstkritiek niet te zien als ‘de beoordeling van het werk door een externe instantie aan de hand van hem vreemde criteria, maar veeleer een ontvouwing en voltooiing van het werk door middel van diens eigen elementen. Het werk bekritiseert dus eigenlijk zichzelf, en voltooit zichzelf eerst door middel van kritiek.’ De criticus zou iemand moeten zijn die ‘met het werk meebeweegt, diens denkproces volgt en het daar tracht te brengen waar het heen wil’. Kunstkritiek draait dan in wezen om ‘het expliciteren van de reflectie die zich toch al in en door het kunstwerk voltrekt, en die door de kunstkritiek vertaald wordt in ons alledaagse taalgebruik’.

Daarmee duwt Lijster de kritiek in een wel erg nederige positie. De gedachte dat een kunstwerk alle betekenissen die eraan kunnen worden toegekend reeds in zich draagt is enerzijds een mooie, maar het reduceert anderzijds elke reflectie, hoe origineel ook, tot de verdienste van de kunstenaar. Lijster maakt een onderscheid tussen de dingen die passief wachten tot wij ze met betekenis vullen, en kunstwerken die hun betekenis al in zich dragen. Ik zou eerder zeggen dat het kunstwerk draait om de actieve uitnodiging van betekenisgeving. Daarmee ligt het kunstwerk aan de basis van dat wat erdoor wordt gedacht, maar wordt dat denken niet gereduceerd tot iets wat de kunstenaar via het werk aan de denker ontlokt. Lijster doet hiermee in zekere zin ook zichzelf tekort.

Voor Lijster is evident hoe kunst en politiek onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hij roept critici op de eigen arena waarin de kunst zichzelf heeft opgesloten te verlaten en een nieuwe publieke ruimte te creëren. De gedachte dringt zich zo nu en dan op dat wat Lijster in feite verlangt niet een andere kunstkritiek is, maar betere publieke intellectuelen. De beweging die hij bepleit zou voor een nieuw elan in de cultuurkritiek kunnen zorgen, of de grond onder de kunsten verder kunnen doen eroderen.

Kijken, proeven, denken is het soort boek dat er niet onder lijdt wanneer je het er hier en daar fundamenteel mee oneens bent. Omdat iemand door alles uit zichzelf te halen je als lezer in staat stelt hetzelfde te doen. Lezen als het scherpen van de geest.