Huub Mous

Verlangen naar mystiek

Hoe val je van je geloof af? Bij de een, zoals bij mij, loopt het vanzelf, je gaat als protestantse jongen niet meer naar de kerk omdat je iets anders te doen hebt (literatuur, liefde en sport).

Medium moush lourdes

Bij de ander gaat het in schokken en kost het veel moeite, zie de in Nederland geliefde bekentenisliteratuur op dit gebied van Siebelink, Wolkers, ’t Hart en recent Franca Treur. Het blijft overigens eigenaardig dat er voorzover ik weet geen recente afvallige literatuur uit de rooms-katholieke hoek is. Geloofsafval kan ook gepaard gaan met een aanval van godsdienstwaanzin, compleet met visioenen en hallucinaties. Huub Mous, schrijver van de studie Modernisme in Lourdes, belandde in 1966 in een godsdienstige psychose. In 2011 publiceerde hij samen met Egbert Tellegen en Daan Muntjewerf Tegen de tijdgeest: Terugzien op een psychose (2011) waarin hij terugblikt op wat hem toen als rooms-katholieke jongeman overkwam. Hij werd behandeld, kwam er weer bovenop, doorliep een succesvolle maatschappelijke carrière in de kunstwereld en schreef dus nu een zeer interessante studie over de secularisering van het rooms-katholicisme in de jaren zestig/zeventig van de vorige eeuw. Waarom vielen mensen toen zo massaal en in zo’n korte tijd van hun rooms-katholieke geloof? Wat was er aan de hand, welke ontwikkelingen versnelden de secularisering, wie trokken aan de touwtjes? Mous maakt in een uitvoerig en met veel argumenten doorspekt betoog aannemelijk dat juist de progressieve beweging binnen de rooms-katholieke kerk, die al tussen de twee wereldoorlogen van de grond kwam en zich in de jaren vijftig verder ontwikkelde, uiteindelijk de wegbereider was van de leegloop. Ondanks alle goeie bedoelingen.

De traditionele rooms-katholieke liturgie en godsdienstbeleving kwamen binnen deze beweging onder druk te staan, ratio en een overspannen gevoel van ‘maakbaarheid’ en utopisme begonnen te overheersen. Ook in het theologisch debat rondom symboliek en godsdienstoefening gingen deze ideeën een grote rol spelen. Daarmee samenhangend verdween bij de progressieve kerkelijke theologen en autoriteiten de belangstelling voor mystiek en een meer persoonlijke godsdienstervaring. Men wilde een weg zoeken in de al decennia gaande ‘onttovering’ van de maatschappij, en maakte aldus, onbedoeld, de weg vrij voor de leegloop. Toen de kerkelijke autoriteiten eind jaren zestig van de vorige eeuw de progressieve beweging de nek omdraaiden was de leegloop al vrijwel voltooid. Mous verbindt deze ontwikkeling met een toen veel ophef veroorzakende beweging in tegengestelde richting: de bekering tot het rooms-katholicisme van Gerard Reve. Waarom bekeerde deze schrijver die opgroeide in een weinig mystiek georiënteerd gezin zich tot het rooms-katholicisme? Hij meent dat Nop Maas in de recente Reve-biografie te weinig aandacht besteedt aan de context waarbinnen die bekering plaatsvond. Hij laat zien dat Reve heel goed op de hoogte was van het werk van destijds vooraanstaande theologen als Sierksma, Titus Brandsma en Schillebeeckx. Ook toont hij de grote invloed aan van Carl Jungs werk op Reve’s overwegingen. Maas bespreekt die invloed wel, meent Mous, maar hij geeft niet de context aan waarbinnen Jungs zeer invloedrijke opvattingen binnen het theologisch debat (onder meer over de rol van Maria) in de jaren vijftig functioneerden.

Jung verweet de rooms-katholieke autoriteiten en theologen desinteresse in een symbolische en mystieke oriëntatie van de kerk. Volgens hem leidde dat tot een verplaatsing van religieuze gevoelens naar elders, naar buiten de kerk. En hij kreeg gelijk toen rond 1970 veel afvalligen zich plotseling tot allerlei eigenaardige Aquarius-achtige hippie-activiteiten aangetrokken voelden, met het daarbij horende ‘ietsisme’ (er moet wel ‘iets’ zijn) dat ook nu nog sterk in de belangstelling staat. De kerk liet het volgens hem afweten. Reve nam Jungs kritiek over. Ook hij pleitte, op zijn bekende bizar-ironische manier, in zijn bekenteniswerk en zijn poëzie voor een grotere rol binnen het rooms-katholicisme van Maria en een sterkere oriëntatie op de meer mystieke beleving van religie. Wat dit betreft hoort Reve’s bekering tot een voortzetting van de radicale Duitse Romantiek uit de vroeg-negentiende eeuw. Ook toen pleitten jonge Romantici als de schrijver Friedrich Schlegel en de filosoof Schleiermacher voor een veel persoonlijker religieuze beleving. Literatuur moest religie vervangen, meenden ze. Religie zou zelfs opnieuw moeten worden uitgevonden, iedere autoriteit op kerkelijk gebied moest worden uitgebannen en de Oneindigheid zou in het Eindige moeten worden gezocht, zeker niet daarbuiten. Vooral Reve’s poëzie legt van dit laatste voortdurend getuigenis af, Mous geeft er veel treffende voorbeelden van. Neem bijvoorbeeld het fraaie gedicht God in Friesland: ‘Gij hebt Douwe Altena geschapen/ En Sjoerd Brandsma/ En Abe Doper./ Geloofd weze Uw Naam in alle Eeuwigheid.’ Mous vraag zich overigens tegen het einde van zijn betoog af in hoeverre Reve nog wel rooms-katholiek was. Hij had zeker in zijn latere werk sterk de neiging een eigen religie uit te vinden, misschien begon hij de moed op te geven dat de kerk hem nog enig soelaas kon bieden.

Reve’s bekering hoort tot een voortzetting van de radicale Duitse Romantiek uit de vroeg-negentiende eeuw

Mous’ persoonlijke achtergrond en inzet tillen deze studie uit boven wat op dit gebied gebruikelijk is. Hij verbindt Reve’s bekering en de razendsnelle secularisatie van de naoorlogse periode met zijn eigen ontwikkeling. Je proeft dat hij zich verbonden voelt met Reve, zonder dat hij vervalt in al te grote adoratie. Hij constateert op allerlei plaatsen bij zichzelf een nog steeds knagend gevoel van wat hij ‘nostalgie’ noemt naar het verleden van de rooms-katholieke kerk. Bestond het nog maar, een gevoel van religieuze beleving dat nooit meer terug zal keren maar toch steeds aanwezig blijft. Wat dit betreft sluit zijn boek aan bij veel Nederlandse literatuur waarbinnen schrijvers cirkelen rondom een bestaande Leegte die nooit meer opgevuld kan worden en waarnaar alleen nog kan worden verlangd. Zie werk van Franca Treur, Jacob Groot, P.F. Thomése, Thomas Heerma van Voss, Maartje Wortel en vele anderen. Mous benoemt deze ‘nostalgie’ in termen van een wond en een trauma. Juist deze persoonlijke inzet maakt zijn werk zo geloofwaardig en overtuigend. Je hebt het gevoel dat bij hem geen sprake is van een min of meer toevallige studie (zeg maar over postzegels verzamelen), maar van een sterk en nauwelijks bedwingbaar verlangen naar religiositeit. God bestaat niet, dat weten we nu wel, daar hoeven we het niet meer over te hebben, maar het verlangen blijft. Dit is de onderliggende teneur van zijn boek.

En hoe ging het nu verder met de geloofsafvalligen in Nederland? Verdween de godsdienst zomaar? Zijn we allemaal atheïst geworden? Mous weigert zich neer te leggen bij het idee dat religie langzamerhand geen rol meer speelt in het voortdurende debat over het modernisme en het postmodernisme. Religie verdwijnt niet, stelt hij in navolging van Jung: zodra je denkt dat ze verdwijnt, duikt ze ergens anders weer op. Je kunt dit terugzien bij een hardnekkige afvallige als Jan Wolkers, die op zijn oude dag overging tot een hoogst merkwaardige pantheïstische natuurbeleving. En zelfs bij een gerenommeerd atheïst als Rudy Kousbroek duikt in sommige van zijn geschriften een eigenaardig type tedere mystiek op dat hij elders bij anderen met volle kracht bestreed. En je zou kunnen volhouden dat bij Maarten ’t Hart de muziek in zijn werk de plaats van religie heeft ingenomen.

Mous eindigt zijn studie met een ingehouden maar juist daarom ontroerende beschrijving van een recent bezoek aan abdij ‘De Slangenburg’ vlak bij Doetinchem waar hij in 1966 tijdelijk in retraite ging. Ook Reve verbleef er verschillende keren. ‘In het gastenboek, dat hij (een van de paters daar – kth) voor mij heeft klaar gelegd op de datum 8 januari 1966, zie ik mijn eigen woorden terug, niet eens geschreven, eerder getekend, elk gevoel verhullend ook, met daaronder een handtekening die opvallend veel op die van mijn vader lijkt: “Hier heb ik begrepen dat de zin van het leven zinloosheid is.”’

Huub Mous. Modernisme in Lourdes: Gerard Reve en de secularisering
Aspekt, 356 blz.,€ 22,95

beeld: Spaarnestad Photo / HH