MARIA STAHLIE, SCHEERJONGEN

Verlangen naar onverstoorbaarheid

De beste romans laten zich niet navertellen, of althans: moeilijk. Het gaat tenslotte niet om het verhaal, maar om de wereld die wordt opgeroepen. Hoe dat gebeurt, en wat dat met je doet. Maria Stahlie, doorgewinterd schrijfster, geweldig schrijfster, opent in haar nieuwe roman Scheerjongen de even weerbarstige als magische wereld van de zestienjarige Aldo Rossi, nazaat van een deels Italiaanse familie. Een jongen van wie in ieder geval zijn (Italiaanse) opa grote verwachtingen heeft: ‘jij zou rechtzetten dat mijn zonen en ik het bestaan domweg als een gegeven hadden beschouwd… en niet als het verbijsterende wonder dat het is, een droom die wilde en vreemde eisen aan je stelt…’

Maria Stahlie, Scheerjongen, € 17,99

Medium stahlie   scheerjongen

Als Aldo zich laat gaan in liefdesverdriet trekt zijn opa hem aan zijn oren mee naar de barbiersstoel. Terwijl hij hem een uitgebreide scheerbeurt geeft, zijn eerste, leert zijn opa hem een lesje dat hem eeuwig bijblijft: je moet een vent zijn, en geen weekdier. Én: als je hoge eisen aan jezelf stelt, dan bestaat er een kans dat je ooit de momenten leert kennen waarop er een daad van je wordt verwacht. Niet zomaar een daad, maar een daad die het voorstellingsvermogen te boven gaat. Aldo’s opa zet zijn verhaal kracht bij door te verhalen over zijn eigen vader Bruno, Aldo’s overgrootvader dus, die een zeer tot de verbeelding sprekende daad stelde. Vanaf dat moment is Aldo bezeten door het verlangen zijn overgrootvader te evenaren.
Als zijn opa sterft, weet Aldo des te zekerder dat hij diens ideeëngoed moet uitdragen. Hij meet zich een wereldwijze houding aan; in het diepst van zijn gedachten is hij de breed gesticulerende Italiaanse wereldburger. Onverstoorbaar door het leven gaan, dat is zijn grootste verlangen. Ondertussen is hij alles behalve dat. De heftigheid van zijn gemoedsbewegingen, de strijd tussen hart en geest, tussen handelingsdrift en hopeloze verlamming, Stahlie weet het allemaal weergaloos te vangen.
Op school wordt de herinnering aan zijn ongelukkige vakantieliefde vervaagd door de plotseling opvlammende liefde voor Irene, die een paar klassen hoger zit. Alle toenaderingspogingen stranden voortijdig. Als hij in het kader van de lessen maatschappijleer een dag in de week mee moet lopen in een verzorgingstehuis, vat hij een verzengende liefde op voor een verpleegster. Eén blik op haar ‘heldergrijze ogen, ogen die zonder terughoudendheid een trotse, onverschillige en kale taal spraken’ en Irene is in één klap uit zijn hoofd. 'Het losbarsten, het wegvagen… het speelde zich zo snel af dat Aldo zich later in die week meer dan eens zou afvragen of er gebeurtenissen waren die zich buiten de tijd om voltrokken.’
Een andere belangrijke ontmoeting in het verzorgingstehuis is die met een oud-wielrenner, de van oorsprong Hongaarse Laszlo Metzlar, die na een mislukte zelfmoordpoging verlamd is geraakt en geen teken van leven meer vertoont. Zijn catatonische toestand nodigt iedereen uit zijn of haar verhaal bij hem te doen, en ook Aldo vermoedt in zijn smeulende blik een oneindige wijsheid. Als hij hem - in de geest van opa - een uitgebreide scheerbeurt geeft, vraagt hij zich zelfs af of nu dan misschien het moment is gekomen die tot de verbeelding sprekende daad te stellen.
Scheerjongen is een oorspronkelijke, en ontroerende, Bildungsroman. De ontwikkeling die Stahlie haar Aldo laat doormaken, vindt plaats op het scharnierpunt tussen magie en ontgoocheling. Opa was een hemelbestormer, die van zijn kleinzoon een minder conformistische houding had verwacht dan van diens vader, oftewel zijn zoon. En inderdaad: op het moment dat Aldo na een onthutsende ontdekking dan eindelijk denkt te moeten ingrijpen, krijgt hij van zijn vader te horen dat een verstandig mens uit de buurt blijft van krachten die hem kunnen ondermijnen.
Al draait het in de nieuwe roman van Maria Stahlie, Scheerjongen, niet alleen om de obsessieve verliefdheid van een zestienjarige jongen, toch moest ik naarmate het verhaal zich ontrolde sterker denken aan Vestdijks Terug tot Ina Damman (1934), die meesterlijke, onontkoombare 'geschiedenis van een jeugdliefde’ die zich nog steeds laat lezen alsof hij gisteren geschreven is. Net als Vestdijk heeft Stahlie het vermogen zich geheel en al te verplaatsen in de denkwereld van een puber, zonder dat het tot klef sentiment of plat psychologisch-realisme leidt. In beide romans is de koel-analytische geest van de schrijver zichtbaar aan het werk, terwijl het resultaat zo intens, sensitief en - klonk het maar wat minder afgetrapt - poëtisch is. In termen van de tegenpolen waar Stahlie’s held zich toe aangetrokken voelt: 'smeulend lava’ en 'heldergrijze ongenaakbaarheid’ gaan in deze schrijversklasse een indrukwekkende verbintenis aan.
Juist de af en toe opduikende alwetende verteller maakt de verder volkomen personaal opgediste werkelijkheid zo pijnlijk voelbaar. Als Anton Wachter halverwege zijn middelbare-schoolcarrière naar een andere hbs gaat en hij zijn nieuwe klasgenoten allemaal zo angstwekkend veel op elkaar vindt lijken, voegt opeens de schrijver de lezer toe: Anton kan nog niet weten dat dit nu de monotone menselijkheid is die met de jaren komt.
Zo heeft ook Stahlie af en toe een onderonsje met de lezer, dat in eerste instantie een beetje ouderwets aandoet maar eigenlijk ook meteen zorgt voor nét dat tikkeltje ironie waarin ze zich meester van de situatie toont. Vervoerend én beheerst, zo worden maar weinig romans geschreven.

MARIA STAHLIE
SCHEERJONGEN
Prometheus, 231 blz., € 17,95