K. Schippers, Zilah

Verlangen naar opheldering

K. Schippers Zilah

Uitg. Querido, 299 blz., € 17,95

Een roman van K. Schippers voldoet nooit aan wat men gewoonlijk van romans verwacht. Geen zinderende avonturen van gelukkige of ongelukkige mensen, geen uitgemolken en meestal vergeefse reddingspogingen, geen gewauwel over de slechtheid van mens en maatschappij («we zouden elkaar beter moeten begrijpen»), geen schietpartijen, geen elkaar kwellende partners, geen wilde seks en geen erebogen voor al of niet terecht bekende figuren. Schippers verzint een verhaal, dat wel, meestal eentje waarvan je denkt: daar zou ik zelf niet gauw opgekomen zijn. En binnen dat verhaal geeft hij zichzelf zo veel mogelijk ruimte voor vaak uitermate aantrekkelijke en soms verbluffende hersenspinsels en stijlvondsten, die niet de bedoeling hebben het verhaal van a naar b te helpen maar om het te detailleren.

Critici vinden de laatste tijd dat Schippers’ romans «veelbelovend» beginnen maar dat hij er vervolgens een potje van maakt. Men gooit hem voor de voeten dat hij het geheel naar het einde toe te veel «verbrokkelt», dat het te «onecht» wordt of dat hij het verhaal zelf niet meer «in de hand houdt». Allemaal verwijten die Schippers rustig naast zich neer kan leggen omdat ze alleen hout snijden wanneer je ervan uitgaat dat hij een «normale» roman wil maken. Eentje die wij boekbesprekers het liefst iedere keer op ons bord krijgen omdat we eraan gewend zijn en onze twijfels erover allang hebben weggerationaliseerd. Zo’n boek waarin een min of meer rancuneuze held door het leven stapt volgens het welbekende en in de Nederlandse literatuur veel beproefde Calimero-recept: «Zij zijn Groot en Ik ben Klein en het is niet Eerlijk.»

Maar zoiets wíl Schippers dus helemaal niet schrijven. Neem zijn laatste roman Zilah. Het basisverhaal is snel verteld. De titelheldin werkt voor een reclamebureau en laat op een dag de woorden «de Nederlandse taal» als merknaam vastleggen. Ineens is dit vrolijke hoofdpersonage inderdaad eigenaar van de Nederlandse taal, met alle gevolgen van dien. Wanneer zij bedenkt dat iets zus of zo zou moeten, dan gebeurt het ook. Zij blijkt niet alleen met taal de wereld naar haar hand te kunnen zetten, maar ook te kunnen ingrijpen in de levens van andere mensen. Schippers droomt en associeert hier vervolgens lustig verder over. Hij introduceert allerlei romanfiguren die te maken hebben met het bezit van taal, die daar een slaatje uit willen slaan of er juist nieuwe mogelijkheden in zien. Woorden en taal beginnen binnen deze opzet een eigen leven met een eigen kracht, ze beginnen mensen bij de hand te nemen, te leiden, zelfs voor te schrijven waar men zich zou moeten bevinden.

Dat kan niet zomaar, het heeft gevolgen, zeker ook voor het boek zelf. Schippers strooit meer en meer met kleine taalobservaties, waarbij het steeds minder om het verhaal gaat en steeds meer om taal en zintuiglijkheid. Zelfs spellingfouten blijken invloed op de werkelijkheid te hebben: «Zilah kijkt om, ze strukelt over een vuilniszak, wat raak je zo uit balans, zonder de i zie je het vallen scherper, de man kijkt haar na, nee, vlug, struikelt, dan valt het minder op.» Het verhaal begint langzamerhand te struikelen, wat prima bij de opzet van het geheel past en ook bij Schippers’ literatuuropvatting, maar waarbij af en toe wel wat veel over de bedoelingen ervan, over taal en wereld dus, wordt uitgelegd. Zwijg, wees stil. Laat ze maar raden.

Schippers’ werk is in zekere zin te vergelijken met het filmoeuvre van Eric Rohmer. Net als hij creëert Schippers een wonderlijk utopische wereld waarbinnen alles in zichzelf grijpt en naar zichzelf verwijst zonder dat we het gevoel hebben op een andere planeet te zijn beland. Zijn werelden, net als die van Rohmer, zijn geen sprookjeswerelden waarbinnen alles kan en alles mag, het zijn eerder kleine mogelijke werelden waar men elkaar toestaat in dromen te mogen leven. Daarbij gaat het om de toon, die bij Schippers, net als in Rohmers films, van een verbazingwekkende lichtheid is. Somberheid, rancune, wellust, macht en vernedering, dat hoort niet tot deze wereld, wel verbazing, spel, verlangen naar jeugd en lichtheid en verlangen naar opheldering.

Schippers is op z’n best wanneer hij deze toon-elementen van zijn werk binnen een verhaal weet toe te spitsen, in deze roman bijvoorbeeld in de fragmenten waarin hij een jeugdliefde reconstrueert en een rode vos over de bladzijden begint te lopen. Dan gaat de zon in dit boek volop schijnen. Schippers is, net als Rohmer, een utopist en dus een politiek geëngageerd schrijver, zij het niet in de betekenis die men hier gewoonlijk aan geeft. Bij hem geen krachtpatserij over de wereld en al die ellendelingen die daarop rondlopen met mij erbij. Dat doen anderen al genoeg. Hij maakt een wereld, let op, niet de wereld, en haalt die vervolgens binnen zijn boek zelf ook weer uit elkaar, om in zijn volgende boek ongetwijfeld weer een nieuwe wereld aan ons te tonen en tegelijkertijd uit elkaar te halen.