Verlangen naar verlossing

Maartje Wortel lapt in haar nieuwe roman Dennie is een star alle regels van haar leermeester Wim Brands aan haar laars. Gelukkig maar.

Schrijf nooit over je kat. Het is bijna net zo’n cliché geworden als dat andere schrijversdecreet: show, don’t tell. Om duistere redenen is de kat symbool geworden voor de ergste trivialiteit. Als je het echt niet meer weet, als schrijver, dan neem je je toevlucht tot een kát, en ontslaat iedereen daarmee van de plicht je ooit nog serieus te nemen. Philip Roth kreeg ooit kittens in huis, om ze een dag later al weer van de hand te doen. Hij zou tot niets anders meer komen, verklaarde hij, dan te kijken naar die beestjes, die hij overigens al wel meteen heel dichterlijk A en B had gedoopt. Er zou geen boek meer uit zijn vingers komen. Of alleen nog maar dit: Writing about myself and cats. Stel je voor zeg; mij had hij gehad.

‘Op de Rietveld Academie kreeg ik les van Wim Brands’, schrijft Maartje Wortel bij wijze van proloog in haar nieuwe roman. ‘Tijdens een van de eerste lessen gaf hij ons een paar regels mee. Hij zei: Probeer niet te lachen, dat komt zo dom over. Hij zei ook: Je moet eerst weten hoe je moet sturen voor je uit de bocht vliegt. En hij zei: Schrijf nooit over je kat. Of over welke kat dan ook.’

Zoals het een schrijver betaamt, lapt ze de regels van haar leermeester stuk voor stuk aan haar laars. Of preciezer: ze doet alles wat hij haar verboden heeft in de overtreffende trap. Lachen bijvoorbeeld, al is dat iets wat ik vooral zelf heb gedaan bij het lezen van Dennie is een star, en waarbij ik dan maar aanneem dat de schrijver zelf ook gelachen heeft, al was het maar als de kat op haar toetsenbord springt en zijn voetafdruk achterlaat in haar werk. Uit de bocht vliegen zonder de stuurkunst machtig te zijn, dit doet zij zozeer dat het een kunststuk op zich wordt. En dan natuurlijk in het kwadraat over haar kat schrijven, als ware hij een godheid, iets wat al een naam had voor hij er daadwerkelijk was in deze verschijning, zij het de lelijkste naam ever voor wat zich uiteindelijk materialiseert als een lelijk dier, ziekelijk, viezig, met schurftige oogjes en niet helemaal de mooiste vacht. Dennie is dan ook niet zomaar een kat, Dennie is een star’, Dennie is een invuloefening, een leeg blokje op een oude Nokia die niet in staat is om emoticons te reproduceren. Klinkt dit absurd? Dennie is een star is, mét al het lachen, een absurd ernstig boek, waarin de schrijver steeds kleinere cirkels draait om de kern van wat het betekent mens te zijn: hoe ga ik een connectie met andere mensen aan, en hoe verbind ik me zonder mezelf te verliezen. In eerste instantie lijkt dit nog een overzichtelijke, redelijke kwestie: ‘… ik weet niet of ik ooit het gevoel heb gehad dat ik iemand echt begreep als ik knikte, dat betekent dus dat ik niet kan weten of iemand mij ooit echt begrepen heeft’. Maar al gauw is er een keelsnoerende benauwenis en dito angst. ‘Ik had weer eens liefdesverdriet.’

Opmerkelijk aan de verteller, Ted genaamd, is dat liefdesverdriet aan de orde van de dag is. Ze is altijd met meer vrouwen tegelijk, maar dat heeft geen enkel verzachtend of verdunnend effect. De vraag waar het verdriet precies vandaan komt wordt er alleen maar nijpender op. ‘Vaak als ik liefdesverdriet heb, weet ik niet of het wel met de liefde te maken heeft. Eigenlijk denk ik dat ik gewoon verdriet heb.’ Volgens een van de vrouwen met wie ze is, te weten Daan, dirigent van een orkest, fungeert het liefdesobject als excuus om verdrietig te zijn. Daan wil bij haar weg, omdat ze niet achter ‘haar toon’ kan komen. ‘Als jij een van de leden van een orkest was, zei ze, zou ik je ontslaan. Je kunt niet samenspelen en je slaat iedere keer een andere toon aan.’ Zonder dat deze therapeutische term valt, lijkt Ted een geval van iemand met bindingsangst. ‘Omdat ik altijd onder alles uit wil kunnen, lukte het nooit in de liefde.’ In de praktijk heeft ze voortdurend hoog oplopende conflicten, wat bij haar het verlangen doet ontwaken naar een geloof, ‘iets om me bij thuis te voelen’. En dan komt dus het verlangen naar de kat om de hoek kijken.

Hij zei: Probeer niet te lachen, dat komt zo dom over. Hij zei ook: Je moet eerst weten hoe je moet sturen voor je uit de bocht vliegt

In 1977 publiceerde Doeschka Meijsing haar iconische roman De kat achterna, waarin eveneens een verteller wordt opgevoerd met liefdesverdriet en een intens verlangen naar verbinding. Bovenmatig verlangt ze ernaar iets teweeg te brengen bij een ander, iets wat met lachen te maken heeft, plezier. Net als in Dennie is een star staat de kat in De kat achterna symbool voor de verdwijnkunst, als eerste door Lewis Carroll aan een kat toegeschreven in Alice’s Adventures in Wonderland (1865). De Cheshire Cat is een van de meest mysterieuze figuren die Alice tegen het lijf loopt; het is een grijnzend beest dat haar de weg wijst, maar ook zomaar in het niets weer oplost. De liefde voor katten hebben we te danken aan de liefde voor de kat in het algemeen, schrijft Meijsing, ‘de eeuwige kat die onaanraakbaar is en grijnzend verdwijnt als we hem menen te zien’. Gevangen in haar verliefdheden – ‘Ik wil niet weg uit mijn verleden, ik wil aanwezig zijn, vriendelijk, warm, zonder angst’ – en worstelend met een soort onverschrokkenheid – ‘Ik kon daden stellen. Ik kon ingrijpen. Ik bestond’ – lonkt voor Meijsings verteller uiteindelijk vooral het grote verdwijnen: de kat achterna.

In Dennie is een star wordt de kat ook opgevoerd als mogelijke verlosser, juist vanwege zijn principiële onaanlijnbaarheid en vermogen in hoeken te verdwijnen waarin hij niet te volgen is. Kijkend naar de kat, hoe die komt en gaat, en verdwijnt op plekken waar geen mens kan komen, hoe hij zich laat aaien maar ook genoeg heeft aan zichzelf, kan zijn baasje niet anders dan zich onderwerpen aan de wijsheid die hij uitstraalt. De kat, als beest dat niet aan te lijnen is, niet te volgen ook, is de aanjager, van zowel de roman als van de verteller. Kijkend naar haar kat denkt ze van hem te kunnen leren, vooral als het over de liefde gaat, de zuigkracht en de afstoting. Het begint er al mee dat hij haar tot meer honkvastheid kan bewegen. ‘Ik kan zorgen voor wie ik wil en ik zal eindelijk eens thuis zijn. Blijven waar ik ben. Snappen dat mijn huis een plek is waar ik kan zijn zonder altijd maar weg te willen.’

Het werk van Maartje Wortel schreeuwt erom misverstaan te worden. Of misschien is het dit: Maartje Wortel lezen is met haar meegaan. Of niet. Je kunt haar niet zo’n beetje volgen, halfhalf. Waar haar Ted voor terugschrikt, is wat zij zelf vraagt van haar lezer: overgave. Vanaf regel één van deze roman is er iemand die tegen je aan gaat praten en je niet meer met rust laat. ‘Op een dag zei iemand…’ en zo verder. Er is een hoofdstukindeling, maar die lijkt alleen bedoeld om even op adem te kunnen komen, voor schrijver en lezer. Er zijn maar weinig schrijvers die het zich kunnen veroorloven zo vrij de ruimte te nemen. De praterige verteltoon en de eindeloze uitweidingen irriteren niet, omdat de zinnen op zich onder stroom staan. Dat er voortdurend iets wringt of dreigt te wringen, draagt alleen maar bij aan de spanning. De kunst die Wortel bedrijft is die van de beheerste onbeheerstheid; ik twijfel er niet aan dat leermeester Brands alsnog goedkeurend zou staan knikken bij dit onvergelijkbare staaltje uit-de-bocht-vliegen.

Heel slim heeft Wortel zelf ook al haar eigen zogenaamde ordetroepen in het leven geroepen. Allereerst in de vorm van vriendin N., die wél een aangelijnd huisdier heeft oftewel een hond, en met wie Ted dagelijks in het park loopt te oreren over het leven en de liefde, als waren zij personages in weer een andere iconische roman, Two Serious Ladies van Jane Bowles. N. is degene die van tijd tot tijd met haar ogen rolt en Ted ‘de waarheid’ vertelt, dat ze een seksist is bijvoorbeeld, en haar geloofwaardigheid dreigt te verliezen met al die meisjes, maar ook wijst ze haar op haar kracht: van heel lelijke dingen iets heel moois maken.

Daarnaast zijn er de brieven aan S., oftewel de Noorse Suki, een van de meisjes; de brieven aan haar fungeren als oefeningen in zelfexplicatie en intimiteit op afstand. ‘Ik wist intuïtief dat zij ook iemand was die zou volhouden tot ze erbij zou neervallen en dat ik daarnaar moest blijven kijken, al richtte ik daarmee niet alleen haar maar ook mezelf te gronde.’ Van een vrolijke vrijage – ‘Ik keek naar haar handen en je zag aan die handen dat ze wist hoe ze deze moest gebruiken’ – is het maar een paar stappen naar een moeizame correspondentie. Hoe kan dat toch? Van ‘mag ik je kussen’ en ‘kom je me opzoeken’ is het zomaar weer ‘wil je me alsjeblieft uitleggen wat er allemaal is gebeurd’. Als Dennie is een star íets tussen de regels door duidelijk maakt, is dat als het op de liefde aankomt er weinig uit te leggen valt. In ieder geval niet op een manier waarmee de ander tevreden is. Keer op keer krijgt de zwoegende Ted van S. te horen dat ze zich er weer eens makkelijk van af heeft gemaakt.

Soms denk ik dat lezers/critici vroeger meer aankonden, meer zin hadden in buitenissigheid. Dat literatuur nog grillig en ‘wild’ mocht zijn. De kat achterna van Doeschka Meijsing werd echter niet simpelweg positief onthaald. Critici struikelden over de weerbarstige verteltrant, het ‘benauwde egocentrisme’ en de ‘onbegrijpelijke’ verhaallijnen. Nu zijn critici uiteindelijk ook maar mensen (…), en is Maartje Wortel al lang uitgegroeid tot een gevierd schrijver, maar toch voelt Dennie is een star als een kwetsbaar kleinood. Van een heel lelijk ding maakte Ted iets heel moois: ze hief een vaalrode kat op het schild en droeg hem rond als de Messias. Alle tentoongespreide levenslustigheid ten spijt – ‘Je kunt niet iedereen die je niet begrijpt de mond snoeren’ – is de ondertoon van de roman somber, een beetje verdrietig. In thematiek grijpt Wortel terug op haar roman IJstijd, waarin ze haar personage James Dillard – ‘een man met pijn’ – laat constateren dat van alle dingen die over kunnen gaan verdriet het langst aanwezig blijft, met name verdriet om een meisje. Meer dan ooit legt ze nu de nadruk op onvermogen, en iets wat niet veranderd kan worden. Dat ze overal ‘uit’ wil waar ze ‘in’ is. De kat is in deze roman uiteindelijk niet zozeer een oefening in verdwijnen, als wel een oefening in loslaten en acceptatie. ‘Het probleem met mij is dat ik met de hele wereld wil zijn.’ Dat is goed Ted, zou je bijna tegen haar willen zeggen, bij wijze van absolutie. Het is oké.