Interview met Leonard Nolens

Verlangen naar Wij

Uit Leonard Nolens’ hevige verlangen om het woord Wij te gebruiken, ontstond de cyclus Bres. ‘Ik wilde onderzoeken of het mogelijk was om een onbevangen Wij te gebruiken, zonder te vervallen in het goedkope Wij van religie en politiek.’

Je kunt het vergeten met Leonard Nolens alleen te spreken. We zitten met z’n tweeën tegenover elkaar, met een tafel tussen ons in, we bevinden ons in Antwerpen. Maar spreken met Nolens is spreken met een generatie, zijn generatie, zijn familie, zijn ouders, zijn geboorte, zijn stad en zijn land. Op zijn beurt zegt hij mijn generatie te ontmoeten, mijn ouders, mijn vrienden, mijn stad en mijn land.

Nolens maakt met zijn rechterhand de tekening van een lus.

Tien jaar lang werkte Nolens aan de bundel Bres, die bestaat uit vijf cycli (Bres I t/m V) die ieder op zich onderdeel zijn geweest van eerdere dichtbundels.

Leonard Nolens: ‘Ik wilde met de eerste cyclus Bres een gat branden in het blad. Ik wilde ademen, lucht, en losbreken uit het intimistische van mijn vroegere bundels. Ik heb heel veel liefdesgedichten geschreven en werd daar ook een beetje op vastgepind. Ik wilde iets breder worden dan mijn schouders, ramen en deuren opengooien. In 1996 is een eerste cyclus Bres ontstaan. Ik had de indruk dat ik met die cyclus een nieuw spoor had gevonden. Ik zat niet meer gevangen in het jargon van mijn vroegere poëzie. Toen de cyclus gepubliceerd werd in een dichtbundel (En verdwijn met mate, 1996) bleef het verlangen om ermee door te gaan, om die Bres te laten stromen. Zo is in iedere volgende bundel een Bres ontstaan. Nu is het een geheel geworden, één Bres, waar ik tien jaar lang van heb gedroomd.’

Bres ontstond door Nolens’ hevige verlangen om het woord Wij te gebruiken.

Het persoonlijk voornaamwoord Wij in de bundel duikt overal op, neemt alle vormen aan, van generaties, personen, steden en tijden.

‘Ik voel mij heel erg onderdeel van de wereld. Wij zijn gemaakt van anderen, en zijn toch onszelf, of willen zo graag onszelf zijn.’ De paradox van deze gedachte is de drijvende kracht in zijn bundel. Waar Wij opduikt wordt hij onmiddellijk onderuitgehaald. Over zijn eigen generatie schrijft hij: ‘Wij waren weinigen. Wij waren sommigen. Wij waren anderen.’ En in groter verband: ‘Wij zijn die eeuw, die twintigste/ zonder getal.’

‘Ik wilde loskomen van de eeuwige ikken in mijn poëzie, ik gebruikte ontzettend veel ik. Daar rustte, zeker ook in Nederland, een taboe op. Als je ik zei, dan was het te persoonlijk, te intiem, te privé en toch wilde ik altijd ik gebruiken. Ik dacht: de betekenis van het woord is de manier waarop het woord gebruikt wordt. Ik doe nog altijd geen afstand van ik. Maar voor Bres wilde ik onderzoeken of het mogelijk was om een onbevangen Wij te gebruiken. Wij gebruiken zonder te vervallen in het goedkope Wij van religie en politiek. Dus niet wij-Communisten, wij-Katholieken, wij-Protestanten. Maar volmondig Wij te zeggen, zonder te liegen. Want Wij zweemt naar een veralgemening en dat houdt meestal een leugen in.

Wij heeft te maken met de meerderheid. Socrates zei: de opvattingen van de meerderheid zijn griezelverhalen, geschikt om kinderen bang te maken. Dát Wij, die meerderheid, daar wilde ik juist aan ontsnappen. Daarvoor moet de Wij in Bres steeds worden geherdefinieerd. Het persoonlijk voornaamwoord wordt in zoveel mogelijk contexten gebruikt. Want terwijl je het woord Wij gebruikt is er onmiddellijk een restrictie, er komt: ja, maar.’

Onderdeel zijn van de wereld begint ergens, zou je zeggen, misschien bij je eigen bestaan. Nolens wordt in de bundel geboren, ongeveer halverwege.

‘Hoe kun je iets zeggen over het begin van een leven en het begin van je eigen leven? En in welke mate dat samenhangt met het begin van iedereens bestaan? Ik ben geboren op 11 april 1947, maar in feite is iedereen op dat moment geboren. Door het feit dat ik toen was begonnen, begonnen ook de andere mensen pas, die werden samen met mij geboren.’

De individuele dichter die Nolens is, en de woorden die hij voor zijn beroep moet gebruiken, moesten ook geboren worden. Een feit dat voor hem niet vanzelfsprekend was.

‘Toen ik twintig was, dacht ik dat het mogelijk was om een persoonlijk alfabet uit te vinden en een taal te schrijven die nog nooit iemand gelezen of geschreven had. Ik heb er heel lang over gedaan om de woorden van anderen, het Nederlands, te accepteren. De intimiteit die je op papier zet kun je alleen bereiken door het gebruik van de woorden van anderen. Dan is het hele probleem: kun je die woorden van anderen gebruiken en toch de woorden persoonlijk gebruiken? Dat moest ik accepteren, zoals je accepteert dat je geboren bent. Daar begint het individualiseringsproces. Toen ik jong was vond ik dat heel beangstigend. Het absolute gedicht is een compromis.’

Nolens’ eigen generatie, de babyboomers, wordt opgevoerd in de derde cyclus, Wij waren de zwijgers na mei vijfenveertig.

‘Altijd als ik over die generatie las, kreeg ik een beetje eng gevoel. Ik behoorde ook bij die Wij, bij de generatie van mei 1968, maar ik wil niet alleen over die kam geschoren worden. Daarbinnen wenste iedereen een individu te zijn.’

De lussen die Nolens in zijn bundel legt zijn duizelingwekkend. Waar moet je beginnen om te bepalen wie je bent en waar je bij hoort in de wereld? ‘Niemand herkent in ons huis mijn gezicht/ Van de vorige eeuw// Niemand maakt mijn naam voorzichtig wakker/ Uit schrik voor zijn naam// (…) Wij kijken naar mij allemaal uit schrik/ Voor schrik (…) Mij zien is nieuws./ Ons ook.’

Het verlangen van Nolens om het Wij te omvatten is zo verschrikkelijk groot dat hij met zijn handen misschien nooit kan vasthouden wat hij zoekt. Wij kan steeds opnieuw worden begonnen als een uitvinding. Een gesprek met Nolens begint dan ook telkens opnieuw. Beginnen, schrijft Nolens, beginnen is het eeuwigste talent.