Tentoonstelling

Verlaten ateliers

Tentoonstelling: Mapping the Studio

Het atelier van een kunstenaar is een beetje een mythische, geheimzinnige plek. Daar ontstaat in eenzame stilte het meesterwerk en wordt, zoals bij de onlangs overleden Karel Appel, zonder tussenkomst van het verstand de ware aard van de kunstenaar op het doek overgebracht. In het atelier is de kunstenaar een sjamaan, onaantastbaar en onafhankelijk. Dat dit romantische idee over het atelier niet meer juist is, zal niemand verbazen. Scheppende zaken beperken zich immers al lang niet meer tot het atelier. Steeds meer – en nu misschien wel meer dan ooit – verhouden kunstenaars zich tot de straat, de maatschappij. Ze werken op de meest uiteenlopende plekken in de wereld, en vaak ook samen met andere kunstenaars, met schrijvers, curatoren en het lokale publiek.

De tentoonstelling Mapping the Studio laat zien dat deze ontwikkeling ertoe heeft geleid dat kunst steeds minder lijkt te gaan over traditionele producten en steeds meer over processen en ervaringen. Robert Smithson’s Spiral Jetty (1970) is er een goed voorbeeld van. Door zijn afgelegen locatie in een zoutmeer in Utah hebben weinig mensen deze enorme spiraalvormige pier in het echt gezien. Toch is het beroemd geworden door foto’s en making of-films. De video die in het Stedelijk Museum te zien is, gaat over het constructieproces, over het stapelen van rotsblokken en het storten van aarde door bulldozers en trucks. Maar vooral gaat hij over verbeeldingskracht en doorzettingsvermogen. En over een kunstenaar die het atelier heeft verlaten.

Een recenter voorbeeld is het werk van de Thaise kunstenaar Rirkrit Tiravanija, van wie onlangs nog een solotentoonstelling te zien was in Museum Boijmans Van Beuningen. Zijn atelier is veel meer een workshop waar kunstenaars, studenten en boeren deelnemen aan iets wat «sociale interactie» heet. Tiravanija’s collectief discussieert over kunst, geschiedenis en politiek en maakt vervolgens modellen voor architectonische projecten in de openbare ruimte. In de tentoonstelling is vooral documentatie van de bijeenkomsten en lezingen te zien.

De constatering dat veel kunst een vluchtig en tijdelijk karakter heeft, is natuurlijk niet van vandaag of gisteren. Mapping definieert dan ook geen nieuwe ontwikkeling. Ze ademt veel meer de tendens van de laatste jaren dat kunst haar maatschappelijke en politieke belang en waarde weer onderzoekt: haar positie buiten het atelier. De tentoonstelling plaatst deze situatie terecht in de kunsthistorische context van de late jaren zestig. Het verband tussen het atelier en de sociale context wordt aan de hand van een select aantal posities helder geformuleerd. Zo legt Bruce Nauman in 1968 secuur de alledaagse handelingen die hij in zijn atelier maakt als kunst vast. Voor hem is alles wat in het atelier plaatsvindt kunst, dus ook Playing a Note on the Violin While I Walk Around the Studio. Daniel Buren maakt in hetzelfde jaar houten borden waarmee zijn blauw-witte strepen in demonstraties door de straten gedragen kunnen worden. Buren vindt dat kunst pas op straat ontstaat, daar waar ze in aanraking komt met het publiek. En Gordon Matta-Clark – de laatste tijd misschien wel de meest «herontdekte» kunstenaar – verminkt begin jaren zeventig leegstaande gebouwen tot vreemde, poreuze sculpturen. Hij verlaat de studio op zoek naar een manier om het kapitalistische systeem te saboteren.

Voor hedendaagse kunstenaars zijn deze posities onveranderd actueel. De vraag hoe kunst uit haar ivoren toren kan worden gehaald, wordt vaak beantwoord door film, video, performance en installatie – allemaal procesgeoriënteerde media – als belangrijkste instrumenten in te zetten. Op deze manier wordt de realiteit zo dicht mogelijk op de huid gezeten. Op de tentoonstelling is daarvan een aantal voorbeelden te zien. Zo legt de Britse kunstenares Tacita Dean haar zoektocht Finding Spiral Jetty (1997) in een geluidswerk vast, in real time zeg maar. Het bleek overigens een vergeefse zoektocht, want het werk was na al die jaren weggezakt onder waterniveau.

Maar uiteindelijk komt het beste voorbeeld van mapping van de hand van Joep van Lieshout. Van Lieshout begrijpt dat de toekomst niet zozeer zal worden bepaald door zij die denken in termen van «gemeenschap», maar vooral door zij die uit zijn op maximale winst. Zijn nieuwste project Slave City (2006) is een «publiek-privaat-politiek» slavenkamp voor tweehonderdduizend ict- en helpdeskmedewerkers. De gigantische winsten die het zelfvoorzienende kamp maakt, worden ingezet om humanitaire en geologische wereldproblemen op te lossen. Het is een gruwelijk en pervers idee, tot in de kleinste details in kaart gebracht, uitgetekend, vormgegeven in een maquette en met cijfers onderbouwd. Als directeur en geestelijk leider van Atelier Van Lieshout, een bv van enige omvang inmiddels, geeft Van Lieshout een raak commentaar op de hedendaagse productieverhoudingen.

Mapping the Studio

Stedelijk Museum CS Amsterdam, tot 20 augustus

www.stedelijk.nl