Het zijn vrienden van mijn vrouw.

Ik noem ze even Evert en Jo. Huisje in Toscane. Met zwembad. Schitterend uitzicht.

Evert had een goede baan, kon huisje kopen (140 vierkante meter en grond) en zei op z’n zestigste: ‘Kom, we gaan in Italië wonen.’ Daar verblijven ze nu tien jaar. Elk jaar brengen wij ze een bezoek.

Afgelopen jaar heeft Evert een hartaanval gekregen. Zomaar.

En nu is hij somber.

‘Ga jij met hem wandelen, dat vindt hij wel leuk, denk ik’, zegt Jo.

We volgen een pad. Zijn vinger wijst soms in de verte naar de diepe dalen of de toppen van de heuvels alsof hij plekken in zijn leven aanwijst waar hij gelukkig is geweest. Maar hij zwijgt en zegt alleen: ‘Mooi hè?’

Hij vertelt over monniken die op de heuvels steden stichtten, over Etrusken die hier woonden, over onbekende pausen die strijd leverden, over de wijnranken en de boeren die zijn vrienden zijn. Dan opeens zegt hij: ‘Toch was het fout om hier naartoe te verhuizen.’

‘Mis je Nederland?’

‘Nee… Ja… Ik mis een manier van leven…’

Hij staat even stil.

‘Daar kwam ik achter na mijn hartaanval. Ik dacht: dit was het. En direct daarna: maar wat laat ik na?’

‘Wat grappig. Ouderwetse vraag: wat is de zin van mijn leven?’

‘Ik meen het.’

‘Wat ik van mezelf heb gemaakt was toen een succes, maar is nu weg. Ik ben geslaagd geweest’

Evert keek bezorgd.

‘We hebben het hier fijn. We eten lekker, ik drink mijn glaasje rode wijn die hier heel goed is. Lees op mijn iPad de kranten. Maar ik doe verder niks. Mijn leven zit op slot.’

‘Je hoeft ook niks te doen.’

‘Maar ik wil wat doen. Ik wil nog een rol spelen.’

‘Waarin in godsnaam?’

‘In mijn vak.’

We gingen op het gras zitten.

‘Ik weet wel dat niemand op mij zit te wachten, maar dat besef is zo klote. Ik geniet niet meer van la dolce vita. Vroeger maakte ik me druk om geld. Ik heb geld genoeg. Ik maakte me druk om vrouwen. Ik wil alleen nog mijn eigen vrouw. Ik maakte me druk om de wereld. Maar de wereld is niet anders dan vroeger, ik kan me er niet meer druk om maken. Zo kan ik wel doorgaan. Maar ik wil me druk maken. De enige weerstand die ik heb, komt van mijn hart. Mijn hart wil ermee ophouden. En ik vraag weleens aan mijn hart: waarom wil je stoppen? En dan zegt hij: je doet geen reet.’

‘Moet je in het leven dingen doen die zin hebben?’

‘Nee, ik ben niet gelovig of zo. Het leven is zinloos. Maar het besef van je eigen zinloosheid is zo klote. Kijk, alles wat ik heb gedaan, is verdampt. Als ik sterf gaat er wat geld naar goede doelen en wat naar de kinderen. Maar dat is het dan ook. Ik weet nog dat je een keer Sartre citeerde die zei: “Je bent wat je van jezelf maakt.” Daar hebben we vroeger een fles cognac lang over gesproken. Maar wat ik van mezelf heb gemaakt was toen een succes, maar is nu weg. Ik ben geslaagd geweest. Als je vaak de verleden tijd moet gebruiken, ben je zelf verleden tijd.’

We staan weer op. We zien een haas wegrennen. Ik wijs op een rij pijnbomen. Het schijnt een weg te markeren waar een oude politicus woont over wie weleens wordt gefluisterd dat hij banden met de maffia had en heeft.

‘Ik zou ook best nog oude banden met de maffia willen. Die man regelt nog een beetje wat er hier moet gebeuren’, zegt Evert. En vervolgens: ‘Ik zou weleens met hem willen praten. We zijn ongeveer van dezelfde leeftijd. Hoe brengt hij zijn dagen door? Vroeger was het in dat grote huis een komen en gaan van mooie meiden en modieus geklede mannen in snelle auto’s. Scènes uit een film. Maar nu is het er ook stil.’

‘Toen je nog werkte zei je altijd: “Ik werk voor mijn huis in Italië. Daar wil ik zo snel mogelijk heen.”’

‘Ja, dat was zo’n misverstand. Het klinkt ongelooflijk bekakt, verwend en naar, maar ik zou weer arm willen zijn. Ik méén het.’