‘verleid? ze lei in eenen goed!’

Het was even zoeken, maar in negentiende-eeuwse poezie werden de zinnen wel degelijk geprikkeld. ‘De zaad-hittende-vloeing bedekte zijn gezicht’.

Jeannet, Wat pret! ’t Is met Van Laar Dan klaar, Niet waar? Nu zing En spring Van vreugd, ’t Verheugd Ook mij Dat gij, Vriendin, Uw min Beloond Bekroond Aanschouwt. Betrouwt Ge aan God Uw lot, En doet Ge ’t goed En haat Ge ’t kwaad, Hij mint Het kind, Dat hoort Naar ’t woord, Door hem Met klem Gezegd Hij hecht Aan smart Voor ’t hart Geluk; En druk Verdwijnt; Zoo schijnt De zon, De bron Van ’t licht, En zwicht De schaauw; De dauw Trekt op, Mijn pop, En ’t is, Gewis, Deez’ keer Mooi weer
WIE JARENLANG in antiquariaten komt, ziet boeken passeren in ongeveer alle genres. Dat ligt voor de hand. Opmerkelijker is dat een genre lijkt te ontbreken: Nederlandstalige erotica. Laat ik niet proberen een antwoord te vinden op de vraag waarom, het is zo. Een keer heb ik in een tweedehands boekhandel gehoord dat er van Bilderdijk een uiterst warmbloedig gedicht bestond, dat Da Costa niet in de Verzamelde Werken had opgenomen. Het zou om de zeer expliciete oertekst gaan van het veel kuisere ‘Mijne verlustiging’, een tekst die Da Costa wel opnam. Ik moest maar eens zoeken in de Provinciale Bibliotheek in Leeuwarden, daar lag het in handschrift. Ik heb het nooit gedaan.
Wat ik wel vond, op het Amsterdamse Waterlooplein, waren twee bundeltjes van ene P. Nis Rusticanus ('Boerenlul’), ingeleid door zekere Innocentius Uylevink. Uit Uylevinks woorden begreep ik dat er drie bundels van deze Libertijnse liedjes bestonden. De twee die ik vond - in typoscript, gedateerd 'louwmaand 1940’ en augustus 1944 - bevatten zeker tweehonderdtwintig geile verzen. Geen grootse poezie, met duidelijk antisemitische regels. Ik stel me de dichter voor in een burgerlijke NSB-omgeving. Misschien was het een dominee, grondige bijbelkennis spreekt uit vele passages. Een Friese dominee? Je zou het aan de hand van zijn lofzang 'Friese pruimen’ bijna denken. Een goed beeld van wat P. Nis te bieden heeft geeft zijn erotisch ABC:
A is de aanval op Annie’s eerbaarheid, B is het blanke bed, dat daarvoor lag gespreid C zijn de centen, die mij dat heeft gekost D is de daad zelf, waarvan ik ben verlost.
E is de ergernis, die mij dat zaakje gaf, F is haar fluit, die mij heugt tot het graf, G is haar gaatje, dat ik had gevuld H is het haar rondom, dat leek wel verguld.
I ben ik zelve, met al mijn Sturm und Drang, J dat is Jacques bij Annie in ’t gevang K is ’t kapotje, dat goeden dienst bewees, L is mijn lid, een opstandig stuk vleesch.
M is het mangat - hetzelfde als f,g,o; N is haar navel, die vond ik maar zoo zoo. O is de opening, die 'k zonder moeite vond, P zijn haar prammen, die nam ik in mijn mond.
Q is de quibus, die dacht dat ’t duren zou - R is mijn roede, die o zoo gaarne wou, S is de schaamspleet, die stond op een kier, T is de tepel, die gaf mij veel plezier.
U is de uier, waar dat tepeltje aan zat, V is de vagina, die ik vermeesterd had, W is de waterlinie, die zat zeer verdekt X is ’t onbekende, dat mijn lust had opgewekt.
Y is de ijdelheid, die lang niet zedig is, Z is de zaadzak, die nu weer ledig is.
VOOR DE BLOEMLEZING Dichten over dichten (1994) zag ik zo ongeveer alles wat er aan negentiende-eeuwse poezie is uitgegeven. Ik was op zoek naar poeticale verzen, maar hield de ogen open voor erotica. De oogst was verbijsterend mager. Sommige titelpagina’s of inhoudsopgaven leken veelbelovend. Zo bladerde ik in J.F.D. Ebersteins toneelspel in vijf bedrijven De slavin in ’t verlichte Noorden of de gevolgen der coquetterie (1807), ik las J.A. Alberdingk Thijms gedicht 'De Venus-expeditie’ (z.j.), G.J. d'Ancona’s boertig dichtstuk De echtscheiding (z.j.), A.D. van Buurens vers 'Des huwelijks schaduwzijde’ (1853), J. Beesters 'De vrijgezel’ (z.j.), 'Het wafelmeisje naar de natuur getekend door een kermisganger’ (z.j.).
Titels als 'Oude vrijers’, 'Het verscholen bloempje’, 'Triomf der ontucht in de Amstelstad onder Fransch Beheer’, 'De polygaam’, 'Wij hebben maar een jong leven’, 'Het zingenot’, 'Zelf’ en 'Mijn hond’ maakten me allengs dorstiger, maar die dorst verdween weer bij uitgaven als G. van Maarseveens Eleonora of de zegepraal der onschuld (1826), H.G. Pijls Het vrouwelijke gevoel in twee zangen (1824) of Het geluk der liefde (1808) van A.L.M.Ph. & J.U. Dr. Rietberg. Soms dook door een computerfout een enkele prozatekst op. Uit J.B. Christemeijers Verscheidenheden (1821) las ik 'De eerrover’: een keurig stuk. En ook een roman als De bigamie of tot zoo iets is slechts eene vrouw in staat heb ik doorgenomen op warmbloedigheid. De ergernis om de afwezigheid daarvan deden mij auteur en jaar van uitgave onmiddellijk vergeten.
Een vondst deed mijn hart even sneller kloppen, het door Gerh. Thom Mohrman zelf in 1955 uitgegeven De echtbreker-moordenaar in den kerker. Fragment uit een onuitgegeven dichtstuk, getiteld: Ontucht en losbandigheid. Een lange titel, die nog langer bleek: in hare gevolgen geschetst. Daar gaan we weer, dacht ik. De ontucht en losbandigheid voorbij, de dader gevangen, in een koetsje van het parket naar ’t gevang gebracht, voorarrest, rechtszaak, terug in de cel, en nu de wroeging ('Een duldeloze smart/ Die knaagt aan ’t binnenst van zijn hart/ Dat hij gestaag van een voelt scheuren,/ Door wanhoop en gewetensangst…’). IJdele hoop boden ook de Dwarskijkers-verzen. Bokkensprongen van Ouden en Jongen, Vermakelijke lectuur voor Verliefden en Niet-Verliefden (1868) door Servaas de Bruin, de samensteller van het voortreffelijke Historisch-Geografisch Woordenboek. Wat er ook wordt verteld, veel zicht op de historische en geografische aspecten van het menselijk fysiek krijgt het al dan niet verliefde lezerspubliek niet.
AL DIE GEDICHTEN, soms zelfs met 'erotische poezie’ als genreaanduiding, gingen weinig verder dan bijvoorbeeld J.D. Ankringa’s Revius-variatie 'Aan een meisjen, toen de hindernis, die haar belette te huwen, was weggenomen’. Bij andere dichters vinden we weliswaar meer gestolen kusjes, borsten (een, nooit tot twee gedifferentieerd, slechts vertoond in de kleurenschaal tussen blank en albast), wangen (zonder een enkel begin van brand in de vaten onderhuids) et cetera. Maar bij Ankringa (zie kader) zien we goed wat de lust in de weg staat. Het weer is te mooi, er is geen druk in de lucht, er wordt niet naar inblazingen geluisterd, slechts naar de uitblazingen van God. Is er dan helemaal niets? Jacob van Lennep moet lijfelijker verbeeldingen aan het papier hebben toevertrouwd dan zijn voorzichtige Klaasje Zevenster (1866). Ongetwijfeld hebben er in de ondertoonbankse wereld geschriften gecirculeerd, al heb ik die nooit gezien.
Natuurlijk, maar dat is heel laat in de negentiede eeuw, is er het werk van Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden (De kleine Johannes, tweede of derde deel, met de kermiszuster van zijn kleine vriendinnetje) of Theo Reeder, de dichter in Israel Querido. In Reeders gedichten vinden we bijvoorbeeld een ronduit meeslepende onaniesce`ne, waaruit ik hier een lange, maar heel mooie zin citeer: 'De onstofleke-trilbare-beweeg-zieke-zenuw, boven zijne ziele-angst, wreef zich aan-hem, aan de opperste-zinlijke-vat-happende hoogte van zijn lijf-hitte; de zaad-hittende-vloeing bedekte zijn gezicht, zijn vollen aanschijn de bibberende-oog-stralende gezichts-voeling tegen hem aan; benauwd paars-het zacht feee-zweve, de rythmische-koorts-ijling der lucht-verhevene, de wit-blind-geslagen- noodlottigen; zweeve licht-vleugel-lichtjes, licht-triller, gemijmerde achter-uit-vloeiendestemming, tegen hem aan; de haatvrees wordt de wildste gloeing, een grijpende bloed-hand, grijpend naar de vleesch-begeerlijke streeling van bloed-lippen gezwel, van zuig-scheurende-zwelling tegen hem indringend de machtige-levende-Passie, de door geen god, geen hel bestaand-geboren en gevoede-passie, de passie van de pure nacht-haat, de opwelling die komt golven met donderende-lichten van verlangen, de sprekende-gillende-schroeibare-passie van het schijn-bestaande leven, tegen hem aan, de met bloed-gevuld-wrijvende-liefde, de onderdompelde in den nachtelijke afschijn alleen bekruipte hollende passie, stempelend gevlijmd in de stofgloeiende-omvattelijke-kwijn-spuwing, der stof-stomme-stilte.’
REEDER IS TE BEKEND om de vondst van deze tekst op mijn naam te schrijven, maar er is wel een andere. Want ik denk dat niemand nog Deftige en ondeftige Luimen mijner muze (1868) door Joseph kent. Van Joseph weet ik niet meer dan dat hij een Indisch-gast was, en dat hij zijn Luimen in Soerabaya het licht heeft doen zien. In een inleiding wenst hij de lezer vanuit 'Java’s Oosthoek’ een hartelijk Slamat! en verder belooft hij bij gunstig debiet een tweede bundel te leveren, anders trekt hij zich 'als een nietige mossel in zijn schelp terug en gaat er maar een halve vlieger op’.
Ik ben bang dat het bij die halve vlieger iicht 'Zelfdwang’, waarin een schutter zijn overspelige vrouw en flagrant betrapt. Hij trekt zijn sabel, maar de vrouw roept: 'Hou op. Hij is vader uwer kinderen!’ Als dat zoo is, antwoordt de schutter, 'dan berg ik mijnen sabel op. Maar anders kliefde ik hem de kop.’
Veel mooier is 'Voor natuuronderzoekers’, een leerdicht ter verklaring van het kleuronderscheid tussen en vlo. In dichterlijke termen beschrijft Joseph de tocht van beide diertjes door de heupstreek van een menstruerende vrouw. 'Ondeftig’, bepaald. Beide reizigers sluiten op hun tocht 'door een land, waarvan de naam nergens staat beschreven’ op een meer dat lang is, maar heel smal. 'Men vond er aan den noorderwal een heuvel staan met struiken, en in ’t meer een drabbig nat, dat geen genoeglijk aanzien had, tot drank niet te gebruiken.’ De platluis wandelt om dit meer heen, krijgt alleen natte voeten en 'wordt gelaarsd gelijk Caligula’. De vlo springt, maar niet ver genoeg.
IK RAAKTE BIJ het lezen van Josephs Luimen erg nieuwsgierig naar de auteur. Hij is een erudiet man, die dat bovendien niet onder stoelen of banken steekt. Als dichter is hij niet minder dan velen die zich in de tweede helft van de negentiende eeuw 'dichter’ noemden. Zijn werk is niet gefixeerd op de lijfgemeenschap, dat mag in het kader van dit verhaal jammer lijken, maar doet niets af aan de waarde van de Luimen.
Joseph is daarbij zeer geestig, en heeft een tamelijk bizarre belangstelling. Zo zien we Ples, een dorstig soldaat, zijn zoektocht naar een borrel met succes bekronen in de spreekkamer van een afwezige arts: In 'het donkere kabinet’ zet hij een aantal 'wijdmondsche flesschen’ met anatomische preparaten, drijvend in de alcohol, aan de hals: 'Das schmeckt!’
Met graagte drinkt hij ’t vocht tot op den laatsten droppel, Daar schiet iets hards hem in den mond, Hij zuigt er even op en spuwt het op de grond - Wat of dat is? denkt hij, ontdoet zich van zijn koppel Om zich wat lucht te geen, En verlaat in wankeltred het kabinet.
TERUG NAAR DE erotische ondeftigheid. Het vers 'Misdruk’ beschrijft een vader die zijn dochters voor het slapen gaan in de bijbel lezen laat.
Las de oudste (zestien jaar) na ’t alledaagsch gebed, Ezeechjel XVI. 26 overluid, Zij las 'die groot van vleese zijn’ wat dit beduidt, Zeg vaderlief? - De vader nam een rap besluit: Dat ’s misdruk, beste meid! scheur er dat blad maar uit! Voor een zeker soort liefhebbers is er veel te genieten in het wonderlijke verhaal in 'Natuurlijk gevolg’, een variatie op het apologische spreekwoord 'Wat kan het mij schelen zei de boer en hij scheet uit het venster.’ Zekere Klaas laat zich scheren bij een barbier, die moet plassen en dat midden in de kapperszaak doet. Op Klaas’ vraag waarom, antwoordt de kapper dat hij de volgende dag toch gaat verhuizen. Dan roept de kappersvrouw haar man: terwijl zij het kind de borst geeft, moet hij even op het eten letten. Klaas neemt zijn kans waar: 'Zijn ongelooide-levend-menschen-achterleder ontbloot hij. Niemand, die de mondkost verteerd, zoo fiksch en zoo gezond lost.’
In Deftige en Ondeftige Luimen mijner Muze gaan platte natuur en verheven taal, verheven natuur en platte taal, beurtelings hand in hand. Cliches staan naast mooie vondsten en fraaie bechrijvingen. Josephs eerste bundel springt ongeneerd tussen die polen heen en weer, in vaak wonderlijke beelden. En hoe flauw die slotregel van Josephs laatste vers ook is, aan mijn sympathie voor de dichter van deze in de negentiende eeuw zo zeldzaam openhartige poezie kan het niets veranderen: 'Verleid heb ik haar niet; ze lei in eenen goed!’