Verleidelijke stukken

Richard Huelsenbeck, De ondergang van Dr. Billig. Vertaling Angela Adriaansz, nawoord Ton Naaijkensuitgeverij IJzer, 126 blz., 332,50
De ondergang van Dr. Billig verscheen in 1921 maar werd geschreven in oorlogstijd. In 1917 keerde Richard Huelsenbeck (1892-1974) terug naar Berlijn vanuit Zürich, waar hij was heengevlucht om aan militaire dienst te ontkomen en in 1916 met Ball, Tzara en Arp het dadaïstische Cabaret Voltaire had opgericht. De titel laat niets te raden over omtrent het lot van de hoofdpersoon; geen lezer zal ook met hem te doen hebben, zelfs niet als aan het eind de aan lager wal geraakte doktor in een kruiwagen naar het ziekenhuis wordt gebracht. Dr. Billig is geen privépersoon, maar een Duitse burger. Op de eerste bladzijde wordt in hem de ingeslapen kleinburger aangesproken: als er in uw ‘ingevette ziel’ nog een greintje avontuurlijkheid en echte levenslust bestaat, grijp dan nu uw kans.

Het vergeten vonkje in Billigs ziel komt tot leven als op de scheurkalender de naam Anny, de dochter van zijn hospita, hem aan de merrie van een vriend doet denken die vandaag op de renbaan een wedstrijd loopt. Daar ontmoet hij Margot: ‘Deze vrouw was de cumulatie van alle fabelachtige belevenissen, de incarnatie van alle verlangens van de rusteloze burger.’ Zonder haar kan hij niet meer leven en zij weet zijn begeerte tot op de draad uit te buiten. Soms lijkt het mannetje alleen al bij het woord 'cocotte’ te bezwijmen, hij is dan ook (ondergoed)fetisjist. De edelhoer betrekt hem bij het door haar geleide gezelschap oorlogsprofiteurs, dat de naïeve jurist tot directeur benoemt, tot zetbaas dus. De louche zaakjes worden afgewisseld met woeste braspartijen - 'hij is geschokt, verzaligd, gek van geluk en begeerte’.
Kortom, Billig is een van de figuranten in het apocalyptische Berlijn: 'Men leeft hier als in een roes, de oorlog heeft van al deze onschuldige burgerlijke mensen beesten gemaakt.’ Dat 'onschuldige’ slipt gemakkelijk in de stroom van adjectieven mee, maar het is curieus om een stad in een toestand van het laatste oordeel beschreven te krijgen alsof het de inwoners, alle inwoners, alleen maar overkomt. Op een gegeven moment lijkt zelfs de maan niet alleen een honende toeschouwer, een verleidelijke koningin, maar zowat de aanstichtster van alle destructie. Of is zij een spiegelbeeld?
Want op dat moment ontdekt Billig het lijk van een van Margots companen. 'Een grenzeloze negerachtige wreedheid’ noemt hij haar moord, maar de wellustige fantasieën die hij in zich voelt opwellen, zijn nog het gevolg van háár 'criminele romantiek’, 'Ja, nu doorzie ik haar helemaal’, denkt Billig, 'dat was de essentie van haar karakter, ze keerde zich tegen de wetten en zij keerde zich tegen mijn volk.’ Onmiddellijk wil hij aan de piano gaan zitten om een patriottisch stuk te spelen. Billig blijkt opeens, net als de Duitse burger in het algemeen, het slachtoffer van een vreemdelinge, die 'internationale cocotte’.
Dit komt uit de pen van een dadaïst; was dat toen ironie? De tekeningen van Grosz, die ook de oorspronkelijke uitgave illustreerden, maken de zaak wat eenvoudiger: ze tonen net als de roman in kubistische stijl een stad aan stukken, maar daarin alleen maar lelijke, wanstaltige mensen, geen glimp van de verleidelijkheid die Billig noodlottig werd. Je kunt je gemakkelijker die kapotte stad voorstellen dan de blik vanwaaruit deze geschiedenis op dat moment getekend en geschreven is.