Ger Groot

Verleider

Sinds Rüdiger Safranski’s studie over Das Böse is het kwaad niet meer uit de filosofische conversatie weg te slaan. Na het serieuze Tijdschrift voor filosofie heeft ook het statige Nexus er een themanummer aan gewijd. Het bevat de voordrachten van een eerder gehouden conferentie, met — zoals meestal bij Nexus — eminente deelnemers als Leszek Kolakowski, Mario Vargas Llosa en Roger Scruton.

De populariteit van het kwaad ligt een beetje voor de hand na de ondergang van het maakbaarheidsideaal. Wat mis gaat in de wereld is kennelijk méér dan een toevallige reeks bedrijfsongelukjes die met wat sociaal-ingenieurswerk verholpen kunnen worden. Het kwaad heeft iets onbeheersbaars en dat is voor een zelfverzekerde cultuur op zich al een schandaal. Dat het daarnaast ook nog eens kwaad wil, is vanuit ieder redelijk standpunt onbegrijpelijk. Daarom — aldus Scruton — is Jago in Shakespeares Othello een figuur waar elke interpretatie de tanden op stukbijt.

Scrutons stuk is ongetwijfeld het wonderlijkste uit de bundel. Als conservatief heeft hij geen moeite met de metafysische wortels van het kwaad. Het overkomt ons als iets dat tot een andere dimensie behoort. Net als voor Kolakowski is de duivel voor Scruton geen metafoor. Maar tegelijk is hij modern genoeg om deze in een concrete persoon geïncarneerd te willen zien. De twijfel achtige uitverkorene is de Verleider, van oudsher satans geprivilegieerde rolmodel.

Kierkegaard zou het Scruton in dank hebben afgenomen. In zijn boek Of/of is de verleider zowel de belichaming van de genotzuchtige «esthetische levensfase» als zijn eigen heimelijke tegenbeeld. Hij leed heftig onder zijn eigen veronderstelde frivoliteit, ook al heeft hij de door hem «verleide» Regine Olsen nooit met een vinger aangeraakt. Zo zwaarmoedig gaat het er bij Scruton niet aan toe, maar ook voor hem is de verleider een satan die het op de ziel van de bedrogene heeft voorzien. Na door hem te zijn genoten, blijft zij achter als van haar «zelf» beroofd.

Date rape is Scrutons belangrijkste voorbeeld: de ervaring van spijt na een seksueel avontuurtje, dat met terugwerkende kracht de naam «verkrachting» kreeg. In het begin van de jaren negentig maakte het verschijnsel grote furore, na een alarmerend onderzoek in de Verenigde Staten, waarvan de resultaten — zoals later bleek — nogal fantasievol waren geïnterpreteerd. Het was koren op de molen van de klaag- en claimcultuur, met, zoals ook Scruton erkent, een bedenkelijke financiële aantrekkingskracht.

Dat weerhoudt hem er niet van de inmiddels al weer halfvergeten date rape volstrekt ernstig te nemen en te veronderstellen dat «de meest intense en wellicht enige ervaring met het kwaad» voor veel mensen «in een seksuele context heeft plaatsgevonden». Dat is, op zijn beurt, koren op de molen van de conservatief. «De middeleeuwers zaten er niet ver naast dat seks de poort is waardoor de duivel ons leven betreedt», verzucht Scruton.

Hoe dwars dat ook staat op de libertaire geest van de tijd, een beetje gelijk heeft hij wel. Seksuele begeerte trekt zich van goed of kwaad weinig aan, en dient zich aan met een onbeheersbaarheid die wel van elders lijkt te moeten komen. Leuk is die lust, BNN ten spijt, maar zeer ten dele.

Maar Scrutons provocatie is gewiekst genoeg om de politieke correctheid nooit uit het oog te verliezen. Wie door de lust verleid is, heeft zichzelf weinig te verwijten wanneer hij (bij Scruton altijd «zij»; fatale vrouwen zijn hem onbekend) de schuld daarvoor bij een ander kan leggen. En in een moderne context is zo’n duivel geen metafysisch wezen meer, maar een zeer concrete medeburger — met als prettige bijkomstigheid dat hij voor het gerecht aansprakelijk kan worden gesteld.

Geld en onschuld zijn de zoete vruchten van deze moderne satansleer, die verantwoordelijkheid inruilt voor slachtofferschap. De echte middeleeuwers waren wijzer. Zij wisten dat de duivel nooit effectiever is dan wanneer hij zich nestelt in het eigen hart. Tegenover iedere verleidingswil staat de wil verleid te worden. De erkenning daarvan maakt het kwaad pas werkelijk unheimlich en verstoort de droom van een ondanks alles intacte onschuld. Wie die laatste onaantastbaar acht, valt voor de ergste van alle hoofdzonden: niet de begeerte maar de hoogmoed.