Verleider en misleider

Verontwaardiging, de nieuwe roman van Philip Roth, is bovenal een satire op de verstikkende fatsoensregels en seksuele hypocrisie die halverwege de vorige eeuw heersten in het provinciaalse Amerika.

Wie Winesburg, Ohio wil opzoeken in de Times-atlas vindt die provinciestad in de midden-westelijke staat Ohio nergens. Toch is dat stadje, inclusief Winesburg College met campus, het decor van Philip Roth’s nieuwe roman Indignation (de Nederlandse vertaling Verontwaardiging verscheen tegelijkertijd). De achttienjarige Newarkse slagerszoon en modelstudent Marcus Messner is daar naartoe gevlucht omdat hij gek werd van zijn al te zorgelijke vader. Het is najaar 1951 en de Korea-oorlog is in volle gang. De Amerikanen hebben al zeer grote verliezen geleden, maar een wapenstilstand is nog niet in zicht. Aan het slot van Verontwaardiging blijkt dat Korea een grotere rol speelt dan de lezer aanvankelijk vermoedt. Roth laat die lang in het ongewisse omtrent de toestand van de hoofdpersoon. ‘Want de geschiedenis is niet de achtergrond – de geschiedenis is het toneel!’

Winesburg, Ohio is natuurlijk in de eerste plaats de literaire uitvinding van Sherwood Anderson, leermeester van Faulkner, McCullers, Updike, Cheever, Roth en andere grote Amerikaanse schrijvers. Verontwaardiging is een hommage aan en een vervolg op Andersons klassieke verhalenbundel Winesburg, Ohio (1919). In een reeks subtiel vervlochten verhalen, opgetekend door de jonge verslaggever George Willard, schetst Anderson scherpe beelden van onderhuidse gekte, lust, egoïsme en woede op het Amerikaanse platteland rond 1900 als de industrialisatie opkomt, de immigratie aanzwelt, de communicatie- en transportmiddelen een revolutie ondergaan. Anderson schrijft over veranderende denk- en gevoelspatronen in de Amerikaanse samenleving, zijn vertellingen vormen ‘een geschiedenis van misverstanden’, zoals Verontwaardiging er ook een is. De titel van Roth’s roman zou perfect passen in Winesburg, Ohio, waarin verhalen staan als Vroomheid, Overgave, Doodsangst, Eenzaamheid en Inzicht. Aan het slot van die verhalenbundel vertrekt journalist Willard, denkend aan kleinigheden, naar het westen (Chicago). Roth’s Marcus Messner gaat ook weg uit Winesburg, maar hij belandt midden in de martelende historie.
Philip Roth maakt van hotel New Willard House het middelpunt van Winesburgs Main Street. Zijn roman kent twee delen: ‘Vanuit de morfine’ en ‘Er vanaf’. De titels blijven heel lang raadselachtig. Wat is er aan de hand in deze achterafvertelling? Waarom recapituleert een achttienjarige, ijverige student zijn familiebesognes en campusperikelen? Pas na zestig bladzijden beweert de ik-verteller Messner dat hij dood is, maar hij zegt niet waaraan hij gestorven is. Is hij wel dood? Waar is hij dan? In de ‘wachtkamer van de vergetelheid’? Waarom heet het eerste deel dan ‘Vanuit de morfine’? En als er morfine in het spel is, kan de ik-verteller dan betrouwbaar genoemd worden? Het zijn vragen waarop pas laat antwoord komt. Philip Roth is een even grote verleider als misleider.

Marcus Messner is de voorbeeldige zoon van een koosjere slager uit Newark. Hij doet mee in de zaak en is gewend aan het bloed van het rituele slachten van kippen. Als hij in 1950, het eerste Korea-jaar, gaat studeren aan Robert Treat College in Newark krijgt zijn vader het op zijn heupen. Hij is bang dat zijn zoon doodgaat. Het is gissen naar de oorzaken voor zijn angst. De oorlog, de supermarktconcurrentie, het verwateren van de joodse identiteit (minder vraag naar koosjer vlees) of de rokershoest van vader Messner? Marcus wordt gek van de bezorgdheid van zijn vader (waar ben je geweest, waarom ben je zo laat?), die hem zelfs een keer buitensluit. Er valt geen zinnig woord meer met hem te wisselen. Winesburg, Ohio ligt vele honderden kilometers naar het westen. Daar meent Marcus verlost te zijn van zijn vader.

Maar de campus wordt bestierd door een decaan die in Verontwaardiging uitgroeit tot vaderfiguur die vernietigender is dan Messners eigen vader. En dan zijn er nog een paar studentendwarsliggers en de femme fatale. De homoseksuele student Bert Flusser heeft als credo ‘De mens stinkt huizenhoog naar bederf’. Een volgende kamergenoot, Elwyn, lijkt alleen maar te geven om zijn zwarte LaSalle Touring Sedan uit 1940, waarin hij zal verongelukken. De suïcidale Olivia Hutton doet bij Marcus Messner wat Monica Lewinsky een halve eeuw later bij Clinton doet, in de LaSalle. Wat stelt Marcus Messner tegenover obstakels en verleidingen? Onbuigzaamheid, compromisloosheid, tactloosheid, gebrekkige zelfkennis, angst vermomd als woede en verontwaardiging. ‘Ik begreep Elwyn niet. Flusser niet, mijn vader niet, Olivia niet – ik begreep niemand en niets.’ Als het moeilijk wordt verkast hij weer, tot hij uiteindelijk op het echte slagveld belandt. Nergens wil hij bijhoren, niet bij een dispuut en niet bij een honkbalploeg. Maar aan de vaders valt niet te ontkomen.

Verontwaardiging is bovenal een satire op de verstikkende fatsoensregels en de seksuele hypocrisie die halverwege de vorige eeuw heersten in het provinciaalse, religieuze Amerika. Het libido mocht in wezen niet bestaan. De strenge scheiding op de campus tussen de meisjes en de jongens schreeuwde om een uitbarsting. In Verontwaardiging komt die ook, waarna tientallen studenten op jacht naar damesonderbroekjes Winesburg moeten verlaten. Buitenstaander Marcus Messner doet niet mee, maar ook hij vertrekt omdat hij, adolescente discipel van de volgens de decaan goddeloze en overspelige filosoof Bertrand Russell, tot kerkbezoek wordt gedwongen.

De paternalistische preken van de decaan en van de reactionaire president van Winesburg College zijn vileine Roth-staaltjes van retorische demagogie en intimidatie. De president/politicus Lentz begint na de libidineuze uitspatting van een groep studenten met een reeks vragen die zijn gehoor vernedert en geestelijk neerknuppelt: ‘Weet iemand van jullie toevallig (…) wat er in Korea is gebeurd op de dag dat jullie stoere binken besloten de naam van een gerenommeerde instelling van hoger onderwijs, geworteld in de baptistische kerk, te schandaliseren en te compromitteren?’

Eerder, wanneer Messner, in het nauw gedreven door de decaan en niet van zins een duimbreed te wijken, een pleidooi houdt voor atheïsme aan de hand van Russells Waarom ik geen christen ben, spreekt hij over godsdienst als gebaseerd op angst, ‘angst voor het onbekende, angst voor het verval, angst voor de dood. Angst, zegt Bertrand Russell, is de bron van wreedheid…’ Maar als Messner al walgend en kotsend uit de ogen van de decaan verdwijnt ziet hij zijn eigen angstige gezicht in de spiegel. En zijn moeder de mensenkenner, die hem in het ziekenhuis bezoekt na een blindedarmoperatie, spreekt ook over angst… van haar overbezorgde man, ‘angst die uit elke porie druipt, woede die uit elke porie druipt, en tegen geen van beide kan ik iets beginnen’. Zo vader zo zoon.

Het slotdeel van Verontwaardiging, ‘Er vanaf’, is dubbelzinnig. De verteller neemt het over omdat Marcus uiteindelijk is gestorven op het Koreaanse slagveld, op 31 maart 1952: ‘Hier valt het geheugen stil.’ Hij is verlost van de verdovende morfine, hij is zijn woede en verontwaardiging kwijt over de betutteling en pseudo-zedige samenleving, over de dubbele moraal van het godvruchtige bestuur van Winesburg College. Hij is van zijn leven af. Maar tijdens zijn korte bestaan was hij een eenzame en onbeholpen voorvechter voor een compromisloos individualisme. En dat gevecht resulteerde begin jaren zeventig eindelijk in lossere seksuele mores.

Philip Roth heeft in Verontwaardiging niet alleen zijn pijlen gericht op de dubbele moraal halverwege de twintigste eeuw. Wie goed leest ziet ook minieme verwijzingen naar het heden, waarin de Amerikaanse provincie, beheerst door een rigide beleving van religiositeit, de uitkomst van de presidentsverkiezingen van november 2008 dreigt te gaan bepalen. Roth is nog steeds bewogen genoeg om daar bij voorbaat verontwaardigd over te zijn.