Verleiding van de parabel

HIJ LEEFT IN Amerika, want hij kreeg steun van een Fellowship van het Texas Center for Writing, en hij bedankt zijn collega’s en vrienden in Austin. Op de foto oogt Joseph Skibell vrij jong; dat is alles wat de lezer over de auteur van Zegen de maan, zijn romandebuut, te weten komt. En wat te denken van de opdracht: ‘Voor mijn overgrootouders (…) en hun kinderen’? Hieraan heeft de uitgever toegevoegd dat die overgrootouders ‘samen met al hun dochters en een zoon omkwamen in de holocaust. In totaal zijn achttien familieleden van Skibell in de oorlog vermoord.’ Aan de ene kant weet je als lezer dus niks voordat je het boek begint, de titel doet zelfs geen belletje rinkelen; aan de andere kant klinkt het massagraf als een doodsklok die niet doet vermoeden dat het om een min of meer komische roman gaat.

Skibell heeft een sprookjesachtig verhaal geschreven met als hoofdpersoon een voorvader (overgrootvader?, grootvader? - in de Tweede Wereldoorlog is de voormalige houthandelaar Chaim Skibelski zestig) die vertelt hoe hij door de nazi’s werd doodgeschoten en samen met vele anderen in een massagraf belandde, waaruit hij meer dood dan levend is opgestaan. Hij kan het navertellen, dat is het minste wat je van hem kunt zeggen, en hij doet dat dan ook een heel boek lang, in de eerste persoon. Herhaaldelijk vraagt Skibelski aan overlevenden hoe het mogelijk is dát ze hebben overleefd; hijzelf wordt gestraft met niet-overleven; zijn happy end zal zijn dat de geschiedenis van hem afglijdt en ook hij alles kan vergeten. VOORALSNOG is Chaims Nachleben niet minder dan een inmiddels elders herhaalde nachtmerrie. Op de eerste bladzijde klimt hij uit het massagraf en keert terug in het Poolse dorp waar hij vandaan komt. Daar moet hij lijdelijk toezien hoe een kinderrijk gezin uit het dorp in zijn huis z'n intrek neemt; pas dan beseft hij dat hij dood is én dat dit allesbehalve de beloofde Andere Wereld is. Niemand hoort zijn luide protesten, en hoe hij ook bloedt, niemand ziet hem, behalve een van de dochters, de dertienjarige, graatmagere Ola: ‘Wat zie je eruit’, zegt ze. 'Dus dit hebben wij gedaan.’ Met haar slaapt het levende lijk zelfs in één bed, hoewel ze doodziek is - een niet erg geloofwaardige episode. De roman bestaat uit drie delen, dit was zo'n beetje een samenvatting van het eerste. Het eindigt wanneer Chaim met een kater in de badkuip wakker wordt gemaakt door de in een kraai veranderde Rebbe die hem beveelt z'n spullen te pakken om meteen met hem te vertrekken. Einde sprookje, zou je dan denken - Skibell heeft dit deel ook afzonderlijk gepubliceerd. Toen ontstond vermoedelijk uit het ene idee - doodgeschoten Poolse jood ziet over het graf heen hoe anderen zijn huis in beslag nemen - een ander idee: als nu eens alle vermoorden uit het graf zouden opstaan en op zoek gingen naar de Andere Wereld. Van dat idee kwam een tweede deel. Tja, en toen was het zonde om niet nog een derde idee uit te proberen: hoe het zou zijn als de dode Chaim vijftig jaar later nog eens in zijn geboorteplaats een kijkje ging nemen. EERSTE TE verwachten grap: wanneer de drieduizend halfvergane joden uit hun graf opstaan, gaan ze onmiddellijk verder met hun vroegere gemopper en politieke gekibbel. Chaim wordt er misselijk van, vooral van hun graflucht. Woedend loopt een man een jongetje achterna die er met zijn voet vandoor is. Dat is maar een van de flauwe grappen waaraan Skibell kennelijk geen weerstand kon bieden. Voor een andere grap ruimt hij wel erg veel plaats in, hoe begrijpelijk de wraakoefening ook is wanneer Chaim andermaal onder schot wordt genomen door de Duitse soldaat die hem voorheen heeft doodgeschoten. Chaim slaat hem z'n hoofd af en loopt vervolgens tientallen pagina’s met een arrogante losse moffenkop rond te sjouwen. Als de kop, die hem telkens met 'Herr Jude’ aanspreekt, om vergiffenis vraagt haalt Chaim maar een oude mop van stal: ’(“Hoofdje,” zeg ik, “toen je mij vermoordde, heb je me alles ontnomen. Mijn huis, mijn vrouw, mijn kinderen. Moet je nu ook nog mijn vergiffenis hebben? (…) Dat je me vermoord hebt is al erg genoeg. Maar dat je me ook nog met je hoofd moet opschepen! Oi.”)’ Ook de joodse gelijkenis waarop de titel zinspeelt is veel te lang uitgesponnen. In het begin vertelt Chaim aan het meisje Ola het verhaal van twee vrome joden die in een bootje naar de maan varen maar het daar zo vol laden met zilver dat het zinkt en de maan uit de hemel trekt. De soldaat zegt dat hij echt heeft gezien hoe twee eindeloos discussiërende joden in een bootje vol gaten ten hemel voeren. In het derde deel stuit Chaim op datzelfde tweetal, dat een halve eeuw op hem gewacht heeft om tezamen de maan op te delven. De verdwenen maan blijkt aan de Sovjetrussische grens onder een laag mensenbotten begraven te liggen. Die bergingsoperatie is al even weinig verrassend als Chaims confrontatie met het moderne leven. SKIBELL HEEFT de uitwerking van zijn ideeën niet aangekund, zeker niet in de lengte van de roman, laat staan in de compositie ervan. Hem speelde ook de verleiding van de parabel parten, wat begrijpelijk is als de grote geschiedenis onmiskenbaar op de achtergrond meespeelt. Een episode in het tweede deel is hem wel gelukt. Als de halfvergane joden door de krassende Rebbe naar de Andere Wereld geleid worden, komen ze in een herstellingsoord terecht, een luxe hotel. Chaim is de eerste avond de enige die niet op de lijst voor een stoombad staat. Als alle anderen die deze weelde wel ten deel valt de volgende dag verdwenen zijn, loopt hij door het lege hotel rond, 'Joden, waar zijn jullie?’ roepend, en komt hij in de bakkerij terecht. 'Heren’, zegt dan de hoofdbakker tot zijn personeel. 'Vertel Herr Jude waar zijn familie is.’ 'Ze hebben het stoombad genomen’, zegt een opperknecht. 'We hebben ze gebakken’, flapt een leerling eruit met onmiskenbare trots. 'Ze zijn in onze ovens geweest’, zegt een knecht, al even trots. Het is moeilijk te zeggen waarom ik die scène wel apprecieer - misschien omdat de zwarte humor daar vrij onverwacht opduikt en goed gedoseerd is - terwijl ik de roman waar hij de kant van het sprookje en de parabel uitgaat soms pijnlijk vind; vooral, denk ik, vanwege de onhandige manier waarop Skibell ermee omspringt.