Opheffer

Verlicht kolonialisme

De Indische-jongenstheorie. Ik heb deze theorie ontwikkeld door mijn vader. Mijn vader, een Indische jongen – God hebbe zijn ziel – schepte altijd op over zijn socialistische verleden. Hij ging in Leiden «Indisch recht» studeren – daar had hij dus na de oorlog niets meer aan, maar dit terzijde – en raakte erg geïnteresseerd in het Indologendebat dat zich tussen Utrecht en Leiden afspeelde. Ik spreek nu over de jaren dertig, waar de ethici en de realisten, meen ik, tegenover elkaar stonden. Mijn vader – dat was al een enorme ergernis – was trots op het feit dat hij zo «geaccepteerd» werd door de andere studenten. Niet-Indische studenten, bedoelde hij. Er was geloof ik geen racistisch element in de omgang, eerder een klasse-element. Hoe dan ook, mijn vader werd «Multatuliaan» (kun je je tegenwoordig voorstellen dat iemand van zichzelf zegt dat hij VanderHeijdeaan is, of Grunbergiaan?), werd rechter in ons oude Indië, later assistent-resident, raakte betrokken bij een wereldoorlog, kwam in Japanse krijgsgevangenschap, waar hij drie jaar later uit terugkeerde, vestigde zich in 1952 in Holland, en werd rechtser dan rechts.

VVD, met uitstapjes naar Ds’70.

Ik zie hem zitten, aan tafel, de krant lezend, scheldend op Den Uyl en alles wat links was, want links was antikoloniaal en wilde niet luisteren naar een koloniale gedachtegang die in mijn vaders ogen vele malen progressiever en realistischer was dan het socialistische gedachtegoed. (Mijn vader wilde eigenlijk een libertair socialisme in de geest van J. de Kadt. We hadden thuis dan ook een abonnement op De Nieuwe Stem. Maar ook De Nieuwe Stemmers stonden nog ver af van het progressieve kolonialisme dat mijn vader voorstond.)

Dat progressieve kolonialisme is eigenlijk eenvoudig uit te leggen. Gedraag je in het vreemde land dat je bezet hebt als een milde vader. Breng het goede en de verworvenheden van onze maatschappij naar hen, en verwacht er niets van terug. Zo legde hij het uit. Dus: biedt democratie aan, maar laat ze op eigen wijze democratiseren. Garandeer echter de vrede. Geef goed onderwijs, ontwikkel het land met onze moderne landbouwmethoden, leg wegen aan en bouw goede huizen voor de bevolking en leer ze de lessen van de economie in de mate die ze zelf willen. (Volgde het verhaal van de visser op het eiland Saparuah die alleen ving wat hij nodig had en niet meer. Dat moeten we dus zo laten, zei mijn vader.)

Men begrijpe waar mijn vader zo ongeveer voor stond.

En socialisme bestond voor hem te veel uit theorie en was blind voor de praktijk. Tijdens zijn Indische jaren had mijn vader nog gesproken met Soekarno, bij wie mijn vader een eng communisme vermoedde, «maar het meest geïnteresseerd was hij in je moeder». Soekarno wilde niets van het verlicht kolonialisme van mijn vader weten.

Terug in Holland was mijn vader dus zeer teleurgesteld. We hadden fouten gemaakt en daar moesten we van leren.

Nu naar Geert Wilders. Geert Wilders is een Indische jongen. En tussen de gedachten van hem en mijn vader zit geen licht.

Geert is natuurlijk rechts, conservatief en hij ademt Burke in en Burke uit, maar diep in zijn hart wil hij, zo weet ik zeker, een verlicht kolonialisme. De man is bezorgd. Een Indische jongen.

Kijk, Indische jongens kwamen hier in Nederland en hadden geleerd, net als mijn vader, dat dit het paradijs was. En alles wat ze ontbeerden, was hier dan ook. Natuurlijk, Nederland had zich tegenover de Molukkers schandalig gedragen – ik zou daar Geert wel eens over willen horen, trouwens – maar de Indische jongen wist dat hij maar op één manier kon meekomen. Aanpassen, aanpassen en aanpassen, en je verdekt en bescheiden opstellen. En ver weg van het socialisme en communisme blijven.

Zo zijn jongens als Unu (Hells Angels), Wilders en Theodor Holman naar boven komen drijven. Althans, zo gedroegen hun ouders zich. Unu, Wilders en Holman hebben daarentegen een grote bek ontwikkeld juist om zich te onderscheiden van hun ouders, en om te waarschuwen. Wat mijn vader aan de eettafel zei, zegt Wilders voor het parlement. Ik herken het. De Indische-jongens-grote-bek.

Maar wat betreft Turkije en Europa maakt Wilders een fout.

Turkije is natuurlijk in de ogen van Wilders een soort Indië. Hij moet er zelf niet aan denken om er te wonen, maar hij herkent de sociale en maatschappelijke bewegingen. En noteert ze terecht als «niet Europees». Hij zou daar wat graag een verlicht kolonialisme hebben, maar dat kan niet. En daarom is hij tegen Turkije als Europese staat. Maar wat Wilders niet ziet, is dat Turkije, omgekeerd, ons zou kunnen bevaderen en bevoogden. In die zin dat Turkije een fantastische verlichte buffer zou kunnen zijn tussen de wat donkere islamstaten en de moderne. Turkije zou een mooie wig kunnen drijven, en zich kunnen gedragen als destijds Nederland in Indië.

Want laten we wel wezen, het is met Indonesië niet beter gegaan toen Nederland was vertrokken. Integendeel. Kolonialisme is geen onderwerp van gesprek meer, maar een eerlijke evaluatie heeft het kolonialisme nooit gehad.

Zou een verlicht kolonialisme niet een oplossing zijn voor de Antillen? En toen wij in Suriname het meer voor het zeggen hadden, hoe ging het toen eigenlijk met Suriname?

Het is mijn geheime reden om Turkije toe te laten tot de Europese gemeenschap. Turkije, het land waar het lukt om de moslims enigszins verlicht te laten denken. Where East meets West and never the twain shall meet. Wij, Europa, als verlichte kolonisatoren naar Turkije – nee, zo moeten jullie het doen – en Turkije met dezelfde boodschap naar de Arabische staten. Daar moet Wilders voor voelen.

En als het niet lukt, sturen we Unu op die Turken af.