Klassieke muziek: Emil Gilels

Verlichte druppels

Wat een uitgave, The Lost Recordings. Vijf cd’s met nooit uitgebrachte Amsterdamse recitals van de Russische meesterpianist Emil Gilels (1916-1985). De geluidskwaliteit is verrassend goed. Voor de restauratie van de tussen 1975 en 1980 gemaakte opnamen werkte het label Fondamenta samen met de Franse audiofirma Devialet. Maar al klonk de oogst als een natte krant, de vlag gaat bij voorbaat uit voor een toverdoos vol Gilels met zijn kernrepertoire. Duitse romantiek, Brahms en Schumann, Prokofjevs Visions fugitives. Verder een Derde sonate van Chopin die om een of andere reden niet aankomt en een Liszt-sonate die dat wel doet, evenals de exquise vijftiende pianosonate van Mozart, verinnerlijkte meditatie over een verloren tijd. En boven alles uit torent op bijna alle programma’s die ongelooflijke Beethoven van hem: de vroege van Op. 10/3, de Pathétique (alleen het eerste deel, en hoe), Op. 26 in As en de Eroïca-variaties Op. 35, de latere van de sonates Op. 81a (Les Adieux) en Op. 90 in e-klein.

Dit zijn geen Sturm und Drang-Beethovens. Gilels staat mentaal dichter bij de Centraal-Europese traditie van een Alfred Brendel dan de onvoorspelbare Richter van zijn wildste explosies. Je voelt de planning, de architectuur van de precisie-aanslag op geduld en zinnen. Het eerste deel van Op. 90 in e-klein begint opvallend beheerst en mild van toon, bijna te soft, de korte noten iets te lang en lijzig. De begeleidingsfiguren in het ‘dominantgebied’ tussen aanhalingstekens – b-klein, waar je de paralleltoonsoort G-majeur zou verwachten – zijn onmenselijk precies voor wie het stuk zelf onder handen heeft gehad. Pas in de korte, tumultueuze doorwerking barst het vlies. Tegelijkertijd is hij soms recht door zee en jeugdig onbevangen. Het pianoles-classicisme van de sonate Op. 79 transcendeert tot iets groots in het kleine. Gilels speelt hem als een liefdevolle pedagoog voor een getalenteerde leerling die dit daarna waarschijnlijk nooit meer durft te spelen. Hij doet het wonder van een vanzelfsprekende beweging voor, van een orde die de romantiek nog moest aantasten.

Zijn Prokofjev: niet de spastisch-virtuoze brille van de Pogorelich-generatie maar het snaaks-lyrische naspel van de romantiek, toon en cultuur. Gilels vertolkt de Visions fugitives met de lieflijke kalmte van een virtuoos in ruste, iemand die weemoedig lachend terugkijkt. In Brahms’ Fantasien Op. 116 weer dat bouwmeesterschap. Hij speelt alleen het zevende en laatste deel zo snel als Brahms bedoeld heeft, als de finale van een cyclus. Hij maakt er Duits impressionisme van, als zoiets kan. De massieve akkoordketens en de eeuwige triolenfiguren zweven transcendent. Dan Schumann: de Arabeske speelt hij tweemaal als toegift, eenmaal in 1975 en nog eens een jaar later. Het slot van de eerste is romantiek in Reinform. Zo zacht, zo lief, zo innig, het eeuwige moment waarvan je zeker weet dat het nooit terugkomt.

De eenvoud komt als balsem voor de ziel na Liszts Gaudiaanse sonate in b-klein, terwijl Gilels daar geweldig is. Hij maakt fouten maar de goede, ervaren fouten van de ingewijde die na duizend keer de maakbaarheid heeft opgegeven maar zich troost met de gedachte dat hij weet hoe het afloopt. Misschien is dat wat het zo mooi maakt, dat soevereine afzweren van de verkeerde eerzucht. En als altijd weet Gilels hoe je liquide hoge tonen produceert. In de diskant worden zachte noten vloeibaar, van binnenuit verlichte druppels. Hij vindt ze ook in Ravels Jeux d’eau, waar ze horen. Overigens denk ik nu te weten waarom die voortreffelijk gespeelde Chopin-sonate niet aankomt, tenzij het aan mij ligt. Zijn brein denkt Beethoven.


Emil Gilels, The Lost Recordings, Fondamenta i.s.m. Devialet