Verlichte ontboezemingen

De spectators uit de Verlichting zagen mode als bedreiging van de eigen republikeinse zeden. Het spotdicht ‹De Bonheurs uit de mode› (1792) is een mooi voorbeeld van de strijd om de juiste politieke en republikeinse ideeën, opgehangen aan mode.

«Ik heb dikke drommels van schoenen, en dieren van groene koussen aan», schrijft de minderjarige Sara Burgerhart kwaad aan een vriendin. Op dat moment woont ze bij haar fijn-gereformeerde tante. Ze moet in een lelijke «stoffen» japon lopen. Ze heeft een linnen muts die zo groot is dat alleen het puntje van haar neus eruit steekt en er niets te zien is van haar gezichtje.
Groene kousen zijn blijkbaar een ramp en worden gedragen in het milieu van wat wij nu nog zwartekousen noemen. Daar is enige feestelijke versiering van mens en vrouw uit den Boze. Sara mag dus niks. Zij mag niet naar «franse winkels» (modezaken) om daar lintjes en accessoires en leuke jurken te kopen. Goddank begrijpt Sara’s verre voogd, Willem Blankaart, beter dat meisjes kleren nodig hebben. De slimme Sara weet hem op grond daarvan een fors bedrag te ontfutselen. Zij maakt vervolgens heel wat couturiers en modistes gelukkig. Blankaart reageert dan wat knorrig, maar overdrijft dat niet.

Blankaart en Sara geven goed weer wat de houding is van Nederlandse vrouwen en mannen ten opzichte van mode in de achttiende eeuw. Die is vrij realistisch. Er moet iets kunnen, maar het moet niet te gek worden. Mode is een zaak die vooral in de steden speelt. De stadsburger acht calvinistische wansmaak onzinnig, maar wuftheid vindt hij ook verkeerd. Op het platteland loopt vrijwel iedereen nog in klederdracht.

De gewone burger loopt er tamelijk simpel bij. De broeken en jasjes veranderen niet veel in de loop van het tijdvak. Hij heeft een simpel pruikje op (een staartpruik). Een degen hoort erbij, als hij uitgaat. Thuis kan hij een kamerjapon aan hebben, wanneer hij werkt of studeert. Rond 1800 verschijnt de hoge hoed. Vrouwen hebben veel meer keuze. De stoffen zijn vaak zwaar, maar er komen nieuwe materiaalsoorten uit Indië. Het is moeilijk vast te stellen wat gewone vrouwen feitelijk dragen. De bronnen zijn nauwelijks onderzocht. Desondanks biedt bijvoorbeeld het werk van Wolff en Deken veel informatie.

Het is beslist niet zo dat men bij ons wuft en lichtzinnig gekleed gaat, zoals in de betere Parijse kringen, of dat men overal plafondhoge kapsels ziet, zoals aan het Franse hof. Voorzover er van mode sprake is, biedt die genoeg mogelijkheden rijkdom te laten zien, en zeker heeft zij soms een sexy uitstraling. Dat laatste is natuurlijk één van de doelen van mode. Mannen worden, aan het begin van de eeuw, beslist draaierig van het effect van een hoepelrok. Ondermode bestaat niet of nauwelijks. Slipjes of broekjes evenmin, zodat van een maar een klein beetje opzwaaiende jurk veel suggestie uitgaat. Wanneer een dienstmeisje Casanova bij diens bezoek aan Holland een kop chocola op bed brengt en zij zich niet verzet tegen zijn hand wanneer die haar enkel aanvat, weet de avonturier precies wat te doen: hij tast dóór. De halsdoek, in gewone gevallen gedragen over een zeer diep décolleté (de lijn daarvan loopt gedurende een bepaald tijdvak precies op de hoogte van de tepels) gaat af wanneer er gewerkt wordt of als het warm is. Op schilderijen is die halsdoek natuurlijk meestal omgeslagen. Tijdens de revolutiejaren na 1795 vatten vrouwen nogal eens kou, omdat de mode voorschrijft dat er eenvoudig linnen gedragen wordt in de trant van de oude klassieke democratieën: zonder onderkleding en behoorlijk doorschijnend (zie afbeelding).

De idee dat men er in de achttiende eeuw bloot en verfranst bijliep stamt uit de hooggesloten negentiende eeuw. Het is ook veroorzaakt door de spectators uit onze Verlichting. Die willen vaderlandse, bewuste, verlichte burgers. Zij zien mode als gevaar, als bedreiging van de eigen republikeinse zeden. Zij willen geen coquettes en geen opgetutte relnichten. Die laatsten heten bij hen petit-maîtres. Daarom krijgen tutterige huisbedienden (lakeien) ook geen stemrecht in 1798. Een echte burger is niet serviel! Dat alles feitelijk wel meevalt, blijkt uit de angstkreet in zo’n blad dat er in de Amsterdamse schouwburg maar liefst drie vrouwen met een vreemd kapsel gesignaleerd zijn. Spectators vertegenwoordigen het standpunt van Abraham Blankaart.

Een aardig voorbeeld van de strijd om de juiste politieke en republikeinse ideeën, opgehangen aan mode, is een spot-heldendicht, De Bonheurs uit de mode (1792), door de Nijmeegse rector Schonck. Hij kritiseert daarin de interesses van de dames uit zijn stad. Zij hebben alleen belangstelling voor mutsen en hoedjes. Schonck brengt dit in de vorm van een klassiek heldendicht. Daardoor komen zijn heldinnen, en de oorzaak van de strijd – welke muts verdient de voorkeur? – in een lachwekkend daglicht te staan.

Deze Nijmeegse Ilias bestaat uit drie zangen. In de eerste zang wordt de ondergang van een Nijmeegs modeatelier beschreven. De succesvolle muts Pamela wordt verdrongen door de modieuze muts Bonheur. Deze nieuwe muts kan door de dames zelf vervaardigd worden. De hulp van godin Mode wordt ingeroepen door de modebranche. Deze zorgt ervoor dat de Nijmeegse Saartje een droom krijgt, die haar doet inzien dat die Bonheur een dracht is voor heksen. Wanneer Saartje wakker wordt, kiest zij dus voor haar oude, maar keurige muts Pamela. De toch al verknipte Bonheur zelfmoordt zich met een schaar.

In de tweede zang ontspint zich een oorlog tussen de goden. Juno, wiens lievelingsmuts de Bonheur was, omdat deze de ongerechtigheden van haar gezicht goed camoufleerde, heeft nu Bonheur als ster aan de hemel gezet. Venus en anderen zijn het daar niet mee eens. Jupiter beslist: we gaan hier niet democratisch uitmaken welke muts «star» mag worden.

In de derde zang worden de ontwikkelingen in Nijmegen opnieuw gevolgd. Saartje moet in de damesvergadering vertellen welk leed haar is overkomen. Daarop volgt het algemeen besluit de Bonheurs bij het oud vuil te zetten. Eind goed al goed: de Nijmeegse naaiateliers beginnen vol vreugde Pamela’s te produceren.

Moraal: het modieuze gedrag van die meiden-mutsen is een gevaar voor onze Republiek, vindt Schonck. Werkelijk verlicht gedrag is niet gebaat bij hedonisme, luxezucht en het staren naar catwalks. (Hereditie van deze satire: oktober 2006, bij Astraea) * André Hanou is hoogleraar oudere Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen