Verlichting zaaien in Afrika

Aan elk boek begin je bevooroordeeld, of om het iets aardiger te zeggen: met verwachtingen. Auteursnaam, omslag, titel, de dikte van het boek, de verhalen die je er al over opving in interviews… het kringelt allemaal rond dat bundeltje gedrukte vellen en kleurt ze. De beste leeservaringen zijn vaak die waarin het onverwacht heel anders uitpakt. Voor mij was dat met de nieuwe roman van Louise O. Fresco het geval.

Small hh 19600636
Louise O. Fresco herinnert af en toe aan Coetzee © Rink Hof / HH

Ik had nogal wat vooroordelen. Daar had de auteur het zelf ook wel een beetje naar gemaakt. Bijvoorbeeld door hoogleraar te zijn op het gebied van voedsel en landbouw, en zich vanuit allerlei topfuncties bezig te houden met wereldvoedselproblematiek en ontwikkelingshulp. Bijvoorbeeld door haar roman De idealisten te noemen, en die – blijkens de flaptekst – te situeren rond een missiepost in Afrika, waar Marcus, een arts, zich ontfermt over een jonge, gehandicapte patiënt Ndidi. Dat heeft alles in zich voor een boek dat ons nog maar eens inpepert hoe verschrikkelijk de toestand in de wereld is.

De eerste verrassing kwam meteen in hoofdstuk één, dat de personages introduceert en vooral het Afrikaanse landschap schildert. Een klassieke Natureingang, volstrekt not done volgens muggenzifters, maar hier gebeurt het fenomenaal. Groots, zintuiglijk, word je een universum in geslingerd op een manier waarop natuurdocumentaires dat niet kunnen: ‘Daar, op de rotsachtige richel boven het dorp, waar het plateau begon, zaten ze stil om te luisteren naar de oorgieren en de witruggieren, die als een windvlaag vlak boven hun hoofd ruisten voor zij zich over de rand van de vallei lieten glijden, op weg naar een karkas.’

Wie zo kan schrijven heeft mij te pakken. De tweede verrassing kwam met het verhaal en de personages. O ja, die arts is een bevlogen idealist, maar dan wel eentje die zijn idealisme steeds meer ter discussie stelt en twijfelt aan zowel de zin als de motieven van zijn onderneming. ‘Hij speelde regelmatig nog de rol van de bewogen verlichter, al bekroop hem het gevoel dat hij gemakzuchtig aan het worden was.’ En waarom is Marcus er eigenlijk aan begonnen? Was dat echt louter om een arm continent te redden? In gesprek met een priester, vader Armand, stelt hij dat je als kind van joodse vluchtelingen twee keuzes hebt: ‘Of je grijpt het zwijgen om je heen aan om alles te vergeten en een leuk leven voor jezelf op te bouwen, of je zoekt een nieuwe oorlog op, om de vorige uit te bannen.’

In hetzelfde gesprek biecht hij op dat de ‘ongevormde intelligentie’ van Ndidi hem aanspreekt, en hij hem ziet ‘als een gedachte-experiment in vivo. Een poging tot het zaaien van de Verlichting, bij een steekproef van één.’

Wat kan de wetenschap nu werkelijk uithalen in een wereld waar bijgeloof heerst?

Ook dit boek is op allerlei manieren een gedachte-experiment, en de uitgebreide discussies, vaak halve essays in monoloogvorm, zijn er de kern van. Wetenschapper Marcus, de gelovige Armand, de invalide Ndidi, en later komt daar nog een Amerikaans echtpaar bij, met een Clinton-achtige Foundation, die zichzelf reuze betrokken wanen maar hilarisch en pijnlijk ontmaskerd worden.

De rollen zijn daarmee verdeeld, en ze geven dit boek een allegorisch karakter, dat mij af en toe herinnerde aan het werk van Coetzee, zoals De kinderjaren van Jezus.

Je kunt het als een eigentijdse variant op Diderot zien, filosofische dialogen in de traditie van Jacques le fataliste et son maître. Het gevaar daarvan is dat het geheel wat statisch wordt – zeker als er langere tijd vrij weinig op verhaalniveau gebeurt – maar die bezwaren vallen weg als je je eenmaal bij dit genre hebt neergelegd. Al klinkt dat te negatief voor de prikkelende mentale oefeningen waarin die verschillende stemmen je meenemen.

Wat kan de wetenschap nu werkelijk uithalen in een wereld waar bijgeloof heerst en elke ziekte een gifbeet van geesten en goden is? Wordt er een tweeling geboren, dan brengt dat onheil en moet die verdonkeremaand worden. Wat stellen keuzevrijheid, lot en geluk nu werkelijk voor vanuit een biologisch perspectief in een omgeving van permanente honger?

Vooral het gegeven van het idealisme, je in dienst stellen van iets groters, wordt op alle mogelijke manieren onderzocht, omgekeerd, uitgegraven. Komt idealisme niet altijd voort uit oneigenlijke motieven – het poenerige imago-idealisme van de Amerikaanse weldoeners, de doodlopende poging van Marcus om de oorlog van zijn ouders uit te bannen – en maakt het de wereld inderdaad beter? ‘Zelfs nu had hij geen antwoord op die vraag’, klinkt het aan het einde. ‘Iedere keuze, hoe goed ook, betekende ook verlies, iedere overtuiging droeg een schaduw in zich. Het troostte hem – eindelijk – dat dit alles al zo oud was en door zou gaan.’

Daarmee kom ik aan iets wat niet goed is na te vertellen en wat uiteindelijk het sterkste aan dit boek is. Dat zit ’m in de onderstromen ervan: onderhuids werken er allerlei krachten op in, ervaringen en inzichten die de auteur zelf vanuit haar internationale functies moet hebben opgedaan. Bij gebrek aan een beter woord: de wijsheid van deze roman.

Je zou willen dat meer mensen zoals Fresco, met grote internationale functies, romans schreven – omdat hierin ideeën en ervaringen zijn over te dragen die verder gaan dan het eenduidige van opiniestukken of politieke stellingname – zeker als ze dat kunnen met zo’n indringende helderheid.