Verliefd op de bibliothecaresse

John Irving, In een mens. Vertaald door Molly van Gelder en Nicolette ­Hoekmeijer, De Bezige Bij, 528 blz., € 19,90

Wat mij aanstaat in John Irvings immer lijvige romans zijn zijn literaire verkleedpartijen en de daarmee gepaard gaande citatenverslaving met en zonder bronvermelding. Maar vooral in het latere werk weet hij geen maat te houden en komt de moralistische ondertoon steeds meer bovengronds. Die opdringerigheid, dat wil zeggen Irvings onvermoeibare en oeverloze uitleggerigheid, blijft hinderlijk. Laat ik zeggen dat Irvings explicatiedrift in elke nieuwe roman een grotere beer op de weg wordt waar de lezer mee worstelt. En beren komen in elk boek van Irving voor, evenals worstelpartijen.

Tijdens het lezen van zijn nieuwe roman In een mens kreeg ik dezelfde gemengde gevoelens. De verkleedpartij begint al met de titel, een citaat uit Shakespeare’s Richard II: ‘Zo speel ik veel personen, in één mens, en geen voldaan.’ Dit stuk van de Engelse bard zit vol hofintriges, duels, ballingschap en, uiteindelijk, moord op de veertiende-eeuwse koning Richard II. In een mens is daarop een 21ste-eeuwse variant, met dien verstande dat het hof een stadje in Vermont First Sister heet, een naam die een teken aan de wand is. Irving maakt van zijn roman een permanent toneelspel waarin androgynie en geslachtsverwarring de verwarrende drijfveren blijven. In Irvings ik-vertelling achteraf reconstrueert schrijver Bill Abbott (ook wel William Frances Dean genoemd) zijn afkomst en zijn biseksuele identiteit. Het is de bibliothecaresse Miss Frost op wie hij hopeloos verliefd wordt. Tegelijkertijd heeft hij, die zijn verdwenen vader niet heeft gekend (maar wel een wonderbaarlijk verhaal over hem), een oogje op zijn stiefvader, de nieuwe regisseur van de plaatselijke toneelvereniging First Sister Players die Shakespeare en Ibsen op het programma heeft staan.

Irving laat zien dat het toneel niet zomaar een vrolijk en vrijblijvend spel met identiteiten is. Als hij Bills grootvader laat optreden als een man die graag vrouwen vertolkt op de bühne is dat meer dan een grapje. En als Bill (1942, Irvings geboortejaar) in de jaren vijftig ontdekt dat hij zowel op vrouwen als op mannen valt, merkt hij dat homofobie niet zijn enige probleem is. Door schade en schande raakt hij er ook van doordrongen dat homoseksuelen hém ook wantrouwen omdat hij bi is en ‘dus’ een onbetrouwbare partner.

De vertelling – die helaas al te veel wordt opgehouden door uitgesponnen uitleg over minder of meer cruciale scènes in The Tempest of andere stukken van Shakespeare waarin hij het androgyne in de mens aanstipt (of een engel als geslachtsloos fenomeen) – komt gelukkig in een stroomversnelling terecht als Miss Frost ontdooit en avances maakt, waarop Bill gretig ingaat. Hij doet een ontdekking die zijn leven zal bepalen. Zij, de bibliothecaresse van First Sister, blijkt vroeger een kundige worstelaar te zijn geweest. Haar avances, én de nadrukkelijke aanwezigheid van een ander androgyn worsteltype, hebben nogal wat gevolgen voor het bekrompen provinciegezelschap. Bill verdwijnt met vriend Tom naar Wenen en ontwikkelt zich tot een schrijver, jammer genoeg zonder de speelse dynamiek van Irvings beroemde Garp. Ging het in De wereld volgens Garp ook over het schrijven zelf, in In een mens is de succesvolle auteur William Dean veel meer een brave Hendrik. Er valt weinig meer te zeggen over zijn schrijverschap dan dit: ‘Bill is fictieschrijver, maar hij schrijft in de ik-vorm: bekentenissen in een niets verhullende stijl. Zijn romans lezen bijna als memoires.’ Irving geeft hier een flauwe knipoog naar zichzelf. Het thema van de al te zoetsappige en huilerige schrijver Bill Abbott is… verdraagzaamheid, of het niet kunnen verdragen van onverdraagzaamheid. Iemand omschrijft zijn romans zo: ‘De vertrouwde thema’s, maar dan beter uitgewerkt – de roep om verdraagzaamheid gaat nooit vervelen, Bill, bijna iedereen heeft wel iets wat hij niet kan verdragen. Of iemand die hij niet kan verdragen.’

Toch is In een mens de moeite waard, al is het maar om één hoofdstuk van vijftig pagina’s: Een en al afscheid. De voorafgaande 380 pagina’s zijn als een lange inleiding daarop te lezen. De lezer is al gewaarschuwd als de promiscue Bill in 1968 besluit condooms te gebruiken: het aidstijdperk kondigt zich aan, het virus ligt al op de loer zonder dat iemand het weet. Irving betoont zich zeer betrokken bij de ramp die zich begin jaren tachtig in New York en elders in de wereld begon te voltrekken, een ramp waar de toenmalige president Reagan geen bek over opentrok. Zeer zorgvuldig en gedetailleerd, met verstand van zaken, brengt hij welhaast medisch verslag uit van het langzame en tragische sterven van veel van zijn vrienden. Pas in dit hoofdstuk zit Irving ín zijn personages en wordt Bill Abbotts thema van de (on)verdraagzaamheid tastbaar: het is bijna onverdraaglijk te lezen hoe iemand te gronde gaat aan aids.

John Irving heeft in de achterafvertelling In een mens het geheugen een monster genoemd dat niets vergeet en meedogenloos archiveert. Maar hij is er helaas niet in geslaagd de lezer via verhalen te laten voelen dat datzelfde geheugen de mens domineert. Hij zégt het wel, maar hij schrijft het niet uit in overtuigende scènes. Blijft over dat ene hoofdstuk over de aidsdoden in New York, dat ook los van de rest van de roman te lezen is.