Verliefd op de cup

Johannesburg - Als je ook auto’s begint te zien met vlaggetjes van Japan en Zwitserland, dan weet je dat het spektakel echt gaat beginnen. Johannesburg, als caleidoscoop van vlaggen, bij scholen, in restaurants, hotels, bed & breakfasts, huizen, op kruispunten en langs snelwegen. Op straat word je aangesproken: ‘Are you from England? Welcome to our country.’

Het heeft iets ontroerends, de manier waarop Zuid-Afrika zich voorbereidt op die internationale bezoekers en televisiecamera’s, een bijna wanhopige manier om te laten zien dat dit land, en daarmee dit continent, ondanks alle doemverhalen, een fantastische plek is, waar de bevolking smacht naar een uitgestoken hand die haar naar binnen trekt.
Het is aandoenlijk om te horen dat mensen in lange rijen staan om die wereldbeker in het echt te zien, dat ze met duizenden afkomen op een trainingssessie van het Braziliaanse elftal en dat er zo veel belangstelling is voor de oefenwedstrijd Nigeria-Noord-Korea in het armoedige Tembisa-township dat de hekken bezwijken en er zestien gewonden vallen.
Natuurlijk foetert iedereen op die zakkenvullers van de Fifa, die nu al pochen over vijftig procent meer inkomsten dan in Duitsland in 2006. Maar tegelijkertijd heeft Zuid-Afrika bewezen dat het de aanloop naar een dergelijk mega-evenement aankan. Sterker: een paar jaar geleden leek een goed functionerend openbaar vervoer nog een utopie. Maar plotseling hebben we hier een Rapid Bus Service en de Gautrain naar het vliegveld. Ineens blijken politie en justitie efficiënt te kunnen werken. Voeg daar nog alle speciale aan het WK 2010 verbonden evenementen bij, van pan-Afrikaanse kunsttentoonstellingen en verrassende jazzconcerten tot fabriekjes die supportershelmen maken.
‘We hebben bewezen dat we van voetbal houden en klaar staan om verliefd te worden op de wereldcup en iedereen die ons komt bezoeken’, schreef het kritische weekblad Mail & Guardian in een commentaar. ‘Beter gezegd: we zijn verliefd op het idee van onszelf als een opgetogen, succesvol land, verenigd in verscheidenheid.’