De wonderbaarlijke geschiedenis van Ronald M. Schernikau

Verliefd op de DDR

Drie thema’s beheersten het leven van de dichter Ronald M. Schernikau: literatuur, communisme en homoseksualiteit. In het Oosten geboren, in het Westen opgegroeid, kende hij maar één verlangen: de DDR. Dat moest verkeerd aflopen.

VAN ALLE MACABERE, absurde, tragische, hilarische en melodramatische verhalen die over de Muur bestaan en dit jaar, twintig jaar na zijn val, in duizendvoud worden opgedist, behoort het verhaal van Ronald M. Schernikau tot de meest verbijsterende. Al die verhalen gaan over strijd, frustratie, hoop, verlangen, idealen en liefde. Het verhaal van Schernikau bevat al die elementen in verhevigde vorm en eindigt met een malicieuze dood.
Wat maakt de figuur van Ronald M. Schernikau zo bijzonder, ja zelfs ontroerend? Neem om te beginnen de levende beelden die op YouTube van hem te zien zijn. Een van de filmpjes toont een lange dunne jongen van in de twintig jaar, met lang sluik haar en zwarte mascara rond de ogen. Gekleed in een korte zwarte jurk vlijt hij zich op een keukenstoel en begint hij bijna verlegen een kinderlied te zingen over duiven, vrede, het paradijs en een betere toekomst voor de mensheid. In een ander filmpje legt hij, getooid met een grote, heldere bril, aan een onmiskenbaar DDR-gehoor uit wat schrijven met communisme te maken heeft. Er is een opname van hem in een West-Duitse talkshow waarin hij uitlegt waarom hij voor de DDR heeft gekozen. En er is een filmpje waarin hij zijn huisraad in een busje draagt dat hem voorgoed naar Oost-Berlijn zal brengen.
Ook zijn er tal van foto’s van hem. Schernikau is iemand die graag poseert, hij is ongeremd koket. Om zijn mond speelt altijd een lach. Hij heeft een smal en benig gezicht met een ietwat onzekere kin boven een lange hals, en hij draagt een halfwas snorretje. Er is een foto waarop hij in een witte trui poseert, het rechteroog verscholen achter zijn lange donkere haren, de hand, met daarin een modieuze bril met brede zwarte randen, rust op een witte tafel. Iedere Duitser heeft die foto dit jaar wel een keer gezien. Hij stond op posters, in advertenties en op de cover van een stevig gepromoot boek. Over de witte trui staat in rode letters: Der letzte Kommunist.
In dat boek, zo verraadt de ondertitel, vertelt Matthias Frings het ‘traumhafte’ leven van Ronald M. Schernikau. Frings was nauw bevriend met Schernikau. Dat is een hachelijke onderneming, een biografie door iemand die zo intiem met zijn onderwerp verkeerde. Maar de auteur speelt het klaar. Frings, ooit succesvol als schrijver van boeken over seksualiteit en later een populaire televisiepresentator, balanceert fraai op de rand van bekentenisliteratuur en journalistieke reportage. Frings heeft met zijn boek Schernikau uit zijn schaduwbestaan als jong gestorven cultdichter gehaald. Achttien jaar na zijn dood was Schernikau nog maar voor een kleine kring van literaire fijnproevers een object van verering. Een enkele docent aan de universiteit besteedde wel eens een college aan hem. Eens in de zoveel tijd schreef een student een scriptie over hem. Een paar diehards onderhielden een website die aan hem is gewijd.

LITERATUUR, HOMOSEKSUALITEIT en communisme, dat zijn de drie draden waaruit Schernikau’s leven is geweven. Zo lichtvoetig als hij door het leven stapte, zo serieus was hij als het over literatuur ging en zo vasthoudend geloofde hij in de toekomst van het communisme. Als we Frings mogen geloven was Schernikau altijd goed gemutst, aardig voor iedereen, een vrolijke stapper en een toegewijde minnaar.
Maar we hoeven Frings niet te geloven. We lezen het ook zo wel uit Schernikau’s teksten. Die zijn doorspekt met humor. Dat was al zo in zijn fulminante debuut kleinstadtnovelle uit 1980. Een middelbare scholier was hij toen nog, die schreef over jong en homoseksueel zijn in een West-Duitse provinciestad. Een ademloze litanie vol reclameslogans, scholieren-slang, Marx-citaten, televisieproza, literatuurwetenschappelijke betogen, ambtenarentaal en woordgrappen. Als onmiskenbaar teken van moderniteit schreef hij alles zonder hoofdletters, hetgeen zeker geen teken van originaliteit was, want ook de teksten van – om maar wat te noemen – de RAF waren zo geschreven, en Elfriede Jelinek schreef haar debuut wir sind lockvögel baby! eveneens zonder hoofdletters. Jelinek kwam er snel op terug, Schernikau nooit. Het weerhield Jelinek er niet van Schernikau als haar beschermeling te zien en hem behulpzaam te zijn op zijn moeizame zoektocht naar een uitgeverij voor zijn tweede roman.
De West-Duitse provinciestad waar Schernikau zijn coming out beleefde, was Lehrte, nabij Hannover. Het verhaal hoe hij daar terechtkwam, onthult de tragische kern van zijn leven. Schernikau is geboren in Magdeburg, in de DDR. Zijn moeder was verpleegster en een overtuigd communiste die zich met hart en ziel inzette voor de opbouw van het socialisme. Zijn vader was een avonturier en opportunist, die al snel besloot zijn geluk in het westen te beproeven. Moeder Ellen, een jonge, mooie vrouw, die met haar zoon tot op de dag van vandaag door een diepe liefde is verbonden, werd verscheurd door twee hartstochten: die voor de vader van haar zoon en die voor de DDR. Na eindeloos aarzelen en afzeggen liet ze zich er door haar geliefde toch toe overhalen om zich met haar zesjarige kind naar het Westen te laten smokkelen. Het bleek de grootste vergissing van haar leven. Eenmaal aangekomen bekende haar vriend onmiddellijk dat hij al een vrouw en twee kinderen had. De wereld van Ellen Schernikau stortte in. En helemaal toen zij hem tegen zijn wil thuis opzocht. Het huis bleek volgestouwd met parafernalia uit de nazitijd. Hij verdiende zijn geld met de handel daarin. De bekennende antifasciste verbrak elk contact met hem. Ze ging weer werken als verpleegster en voedde haar zoon op in het geloof dat het betere Duitsland aan de andere kant van de Elbe lag. Een DDR-idylle midden in de kapitalistische Bondsrepubliek.

COMMUNISME WAS VERLANGEN, prentte de jonge Schernikau zich in. Communisme was de ultieme mogelijkheid van de mensheid, zo drukte hij het later uit, een mogelijkheid die je altijd in het vizier moest houden. Dat verlangen was bij hem zo sterk, zo autonoom en zo onwrikbaar dat hij de onvolkomenheid van partijen en staten die het communisme in hun vaandel droegen op de koop toe nam. Hij meldde zich op zestienjarige leeftijd aan als lid van de communistische partij en wilde het liefst zo snel mogelijk naar de DDR verhuizen, het land dat hij op familiebezoek met zijn moeder had leren kennen en waarderen.
Het tussenstation werd West-Berlijn. Dat was de wereld van Matthias Frings, de stad waar jongeren massaal naartoe stroomden om te studeren en de dienstplicht te ontlopen en waar het voor beginnende homo’s een paradijs was. Schernikau’s leven bewoog zich tussen schrijven en uitgaan. Dat waren de lustvolle kanten van zijn bestaan. Voor de tragische noten zorgden de frustrerende contacten met uitgevers en de afwerende houding van de DDR. De deuren naar literaire roem en socialistische geborgenheid bleven gesloten. Na veel vijven en zessen mocht hij in de DDR komen studeren, in Leipzig, aan het Johannes R. Becher Instituut voor Literatuur. Daar werden jonge schrijvers vertrouwd gemaakt met de taak van de literatuur bij de opbouw van het socialisme. Dat leverde schrijvers op die goed tegen de keer schreven. Dat deed ook Schernikau, die op een eigenzinnig geschrift afstudeerde, die tage in l. ‘leipzig is de gelukkigste tijd’, schreef hij daarin. Maar ook: ‘ieder volk heeft zijn natuurlijke aandeel aan fascisten. (…) misschien is het gewoon romantisch, in een socialistische hiërarchie alleen het socialisme te verwachten en niet de hiërarchie.’
Op het moment dat hij zijn studie afsloot, was die hiërarchie al danig aan het verbrokkelen. Het was 1989. Voor Schernikau brak het grote geluksmoment aan. Hij kreeg eindelijk het DDR-staatsburgerschap. In september verhuisde hij naar Oost-Berlijn. Daar kreeg hij zijn pas uitgereikt. ‘Afgegeven op 07.11.1989’, stond erin. Twee dagen later viel de Muur. Zijn medestaatsburgers renden massaal zonder pas de andere kant op. Schernikau was verbijsterd, in zijn ogen was dat je reinste contrarevolutie. In maart 1990 hield Schernikau zijn eerste en tevens laatste toespraak voor het Schrijverscongres van de DDR. Het was hem toen al duidelijk dat de volksdemocratische republiek het niet meer lang zou maken. Het Westen had gezegevierd. Hij geselde zijn publiek voor de weerloosheid waarmee het zich overgaf. ‘Mijne dames en heren, u heeft er geen benul van hoeveel onderwerping het Westen van al zijn bewoners verlangt.’
Maar wat is een politieke nederlaag, wat is een literaire nederlaag vergeleken met een nederlaag tegen de dood? Schernikau heeft ook in de DDR zijn homoseksualiteit beleden. Niet zo openlijk en promiscue als in het decadente West-Berlijn, maar toch. Er was dat ene standbeeld in het park in Leipzig, waar hij zijn minnaars voor één nacht trof. En in Oost-Berlijn, in Prenzlauerberg, wemelde het van clubs waar zich Schwulen ophielden. In die jaren behoorde Matthias Frings tot de eerste garde voorlichters over de nieuwe ziekte aids. Najaar 1990 hoorde hij dat zijn vriend Ronald ernstig ziek was, maar dat die hem toch van harte uitnodigde om de 41ste verjaardag van de DDR te komen vieren. Frings ging en zag de waarheid. Hij trok zich terug op de wc om zijn tranen de vrije loop te laten.
Zondag 20 oktober 1991 om 11.22 uur overleed Ronald M. Schernikau. Hij had nog net zijn laatste grote werk afgerond: legende. In het begin van die roman van ruim achthonderd pagina’s schrijft hij: ‘als u dit boek leest, ben ik beroemd, geen kunst aan! als u dit boek leest, ben ik al lang dood, hopelijk! de vervlogen tijden! het vrolijke afscheid!’ Het zijn zinnen die Ellen Schernikau regelmatig voorleest op de talrijke avonden die dit jaar gewijd zijn aan haar zoon.

Matthias Frings, Der letzte Kommunist: Das traumhafte Leben des Ronald M. Schernikau. Aufbau Verlag, 488 blz.
Zojuist verschenen: Ronald M. Schernikau, Königin im Dreck: Texte zur Zeit, Verbrecher Verlag, 303 blz. Verzamelde bijdragen aan kranten, tijdschriften en bloemlezingen