De korenbloem © Sven Fuchs / ANP

Het mannetje van de satijnblauwe prieelvogel is weken in de weer om zijn nest te versieren met al het blauw dat hij kan vinden. Blauwe voorwerpen als buskaartjes, cicadevleugels, flessendoppen, blauwe bloemen en veertjes die hij van kleinere vogels plukt. Hij verft het ook met het sap van blauwe vruchten. Is zijn prieel af, dan bouwt de satijnblauwe prieelvogel niet ver ervandaan een podium van geel gras om vandaar een show op te voeren voor passerende vrouwtjes. ‘Als ik foto’s zie van die blauwe prieeltjes’, schrijft Maggie Nelson, ‘voel ik zo’n intens verlangen dat ik me afvraag of ik in de verkeerde soort ben geboren.’

Toch is Bluets, dat zij in 2009 publiceerde en dat is uitgegroeid tot een cultboek, in feite zo’n prieel. Na het succes van haar eigenzinnige memoir De Argonauten in 2015 verschijnen nu ook haar ‘bespiegelingen in blauw’ in Nederland, opnieuw prachtig vertaald door Nicolette Hoekmeijer. Bluets bestaat uit 240 genummerde prozagedichten of ‘proposities’, zoals Nelson ze zelf noemt, geïnspireerd op Over kleur, de filosofische fragmenten die Ludwig Wittgenstein vlak voor zijn dood opschreef. Bluets is zo een verleidelijke mengeling van poëzie en filosofie, van anekdotes en overpeinzingen, eruditie en gevoel. Les bluets zijn overigens korenbloemen.

‘Stel dat ik begon met te zeggen dat ik verliefd was geworden op een kleur’, begint Nelson de eerste propositie van het boek. In haar geval gaat het om de kleur blauw, en al noteert ze later dat blauw de lievelingskleur is van meer dan de helft van de volwassenen in de westerse wereld, haar ‘vrijwillige waan’, zoals ze het omschrijft, gaat een stuk verder. Ze verzamelt van alles dat blauw is en stalt het thuis uit als een soort altaar. Ze verdiept zich in de kleurenleer – van Goethe tot Newton en Horace-Bénédict de Saussure, die in 1789 de ‘cyanometer’ uitvond, een apparaat waarmee hij het blauw van de hemel in kaart hoopte te brengen. Ze gaat te rade bij dichters en schrijvers als Stéphane Mallarmé, Ralph Waldo Emerson, Gertrude Stein en Marguerite Duras, bij schilders, filmers en songwriters, voor wie blauw ‘de enige vriend is op wie ze altijd kunnen rekenen’.

Maar hoe veelzijdig en duizelingwekkend haar kennis van blauw ook is, Nelson gebruikt de kleur voor een omtrekkende beweging, om het verhaal over haar gebroken hart te verheffen tot een soort allegorie. Aan het begin van Bluets voert ze hem op, de ‘man met het gezicht van een zwerver, uit wiens ogen letterlijk blauw sijpelde’, en die ze ‘de prins van blauw’ noemt. Je moet meer tijd steken in gedachten aan het goddelijke, spreekt een engel haar toe in een droom, en minder in fantasieën over het openknopen van de gulp van de prins van blauw in het Chelsea Hotel. ‘Maar stel nou dat de opengeknoopte broek van de prins van blauw het goddelijke ís’, werpt ze tegen.

Blauw is de kleur van pijn, van de dood, van vergetelheid en verdriet

De prins van blauw komt maar sporadisch voor in Bluets. Je leert over hem dat hij ook op een andere vrouw verliefd is, dat hij een brief van Nelson maandenlang ongeopend met zich meedraagt, dat hij haar uiteindelijk in de steek laat. Nelson schrijft ook expliciet dat ze vermijdt specifieke herinneringen aan hem op papier te zetten, dat ze de details wil achterhouden. Wat ze over hem wil loslaten is ‘de seks’ – en die beschrijft ze rauw en onverbloemd. Maar al die meditaties over blauw gaan ook over hem, of beter: over het verlies van hem. Daarmee is ze een omgekeerde blauwsatijnen prieelvogel: ze verzamelt het blauw niet om een geliefde te lokken, maar om liefdesverdriet te verwerken.

Blauw is de kleur van pijn, van de dood, van vergetelheid en verdriet. En dan gaat het eerder om pijn van het hart dan om fysieke pijn. Nelson zet de twee soorten pijn tegenover elkaar door naast de prins van blauw terugkerend te schrijven over haar vriendin die een ernstig ongeluk heeft gehad, waarna ze een dwarslaesie heeft. De hevige fysieke pijn van haar vriendin maakt dat ze zich soms beschaamd voelt, maar weerhoudt haar er niet van haar eigen lijden zeer serieus te nemen. Haar vriendin heeft ook nooit een hiërarchie aangebracht in verdriet – niet voor en niet na het ongeluk.

Er is ook iets met vrouwen en pijn. In een boekwinkel in Los Angeles haalt ze een boek uit de kast met de titel The Deepest Blue. Ze hoopt op een verhandeling over blauw en voelt zich opgelaten als ze ziet dat het over vrouwen en depressie gaat. En al heeft ze weinig op met de therapeutische benadering van verdriet, de implicatie van de titel is, bedenkt ze, dat mannen de blues kunnen hebben, maar vrouwen onder the deepest blue gebukt gaan. In een propositie daarna citeert ze Schopenhauer, die stelde dat ‘intens lijden, vreugde, zware depressie’ niet iets voor de vrouw is; haar leven is rustiger, trivialer, harmonieuzer dan dat van de man. Bluets, net als De Argonauten een autobiografische tekst, polemiseert met die opvatting.

En dat doet het ook in de vorm. Terwijl mannelijke schrijvers eerder autobiografieën schrijven die een coherent verhaal vertellen met zichzelf als unieke protagonist heeft Maggie Nelson gekozen voor een fragmentarische, aforistische vorm waarin haar verhaal wordt verteld in metaforen en opengelaten ruimte. Tegenover de dominante mannelijke blik probeert ze de vrouwelijke blik te vatten. Bijvoorbeeld door te schrijven over de blindheid van vrouwen die zo anders is dan die van mannen. Oedipus verloor zijn gezichtsvermogen uit schaamte; Milton om helderder te kunnen denken. De heiligen Lucia van Syracuse, Modwenna van Ierland en Triduana van Schotland verliezen letterlijk hun ogen – ze hebben die in een gouden schaal in hun handen of sturen ze gespietst aan een vleespen aan hun aanbidder. Ze straften zichzelf, concludeert Nelson, omdat ze wisten dat ze lustvol naar mannen hadden gekeken. De vrouwelijke blik is gevaarlijk – niet in de laatste plaats voor vrouwen zelf.

In fragment nummer 181 schrijft Nelson over het Griekse woord pharmakon, dat ‘drug’ betekent, maar volgens Derrida twee tegengestelde betekenissen heeft: gif en geneesmiddel. Socrates noemt het geschreven woord in de Phaedrus ook een pharmakon. Dat is precies wat schrijven over verdriet ook is: een gif en een geneesmiddel. Nelson schreef haar proposities over blauw in drie jaar en merkte dat in die tijd de herinnering aan de prins van blauw begon te vervagen en het verdriet langzaam afnam. ‘Misschien zou het helpen’, schrijft ze aan het slot van Bluets, ‘als ons werd verteld dat er in het geval van de blues geen bodem ís, behalve wanneer je stopt met graven.’